Ik breng mijn gesprekspartners altijd aan het schrikken als iets zeg over de dienstencheques*. Zij klagen dat die te duur worden, en ik klaag dat ze veel te goedkoop zijn. Ik heb in Ive Marx een medestander gevonden, want hij vindt ook dat de prijs van de cheques gerust van 10 naar 12 euro mogen stijgen, en dat het ‘eigenlijk’ 30 euro zou moeten zijn, want dat is de échte loonkost (DS29/9). De staat moet 20 euro bijpassen, voornamelijk om de sociale zekerheidsbijdragen te betalen.
Als ik het met Marx eens ben, tik ik hem meestal tegelijk op de vingers omdat hij vanuit zijn academische positie uit de hoogte doet over het geknoei in de praktische politiek. Dit keer begint Marx daar zelf over:
‘Toegegeven, ik heb makkelijk praten als columnist. Ik hoef niet verkozen te worden. Politici die de harde beslissingen moeten nemen om de rekeningen te laten kloppen en om Europa en de ratingsbureaus tevreden te houden, hebben het minder gemakkelijk.’
Ik zal dus voortaan zwijgen over het stuurlui-aan-wal-gehalte van zijn columns: hij weet het zelf. En hij heeft gelijk dat hij de zaken zegt zoals ze zijn, zonder rekening te houden met politiek gekonkel. Elk zijn rol.
Marx schrijft terecht dat de dienstencheques een cadeau zijn voor de middenklassekiezer, ‘een soort schouderklopje voor de hardwerkende Vlaming.’ En hij heeft gelijk dat de middenklassekiezer dat cadeau zelf moet betalen door ‘lagere pensioenen, meer eigen bijdragen in de gezondheidszorg en het onderwijs, nog tragere rechtbanken en nog vollere gevangenissen.’
Alleen is zijn antwoord onvoldoende om de belangrijkste reden voor de dienstencheques te weerleggen. We vinden die reden op een andere plaats in dezelfde krant: meer werk voor laaggeschoolden, minder zwartwerk en betere sociale bescherming. Dat laatste is meteen de reden waarom niet alleen de middenklassekiezer, maar ook de vakbonden, het systeem van maximaal gesubsidieerde dienstencheques willen behouden.
Marx antwoordt daarop:
De Vlaamse regering weet ook wel dat het systeem zijn initiële doel ver voorbijgeschoten is. Veel mensen die vandaag in het systeem met de dienstencheques werken, komen helemaal niet uit inactiviteit of zwartwerk. Een belangrijk deel heeft de overstap gemaakt vanuit jobs waarop netjes sociale bijdragen worden betaald …
Ik ben er zeker van dat Marx dat ook kan bewijzen met economische en sociologische studies. Het zal ongetwijfeld ook waar zijn. De poetsvrouw van mijn moeder is overgestapt vanuit een kantoorjob waar ze netto minder overhield. Maar ondertussen zal iemand anders die kantoorjob hebben opgevuld, zodat er best een netto-winst in de tewerkstelling kan hebben plaatsgevonden.
Kris Vanautgaerden van het ACV schat dat een prijsverhoging van 10 naar 12 euro kan leiden tot een banenverlies van 23.000 mensen. Aan dat cijfer hecht ik niet zoveel waarde: het kan minder zijn, of misschien ook meer, maar de laatste prijsstijging heeft in elk geval het aantal gezinnen die dienstencheques gebruiken doen dalen van 780.000 naar 757.000.
Een harde libertair kan daarop antwoorden: so what? Laat de markt uitzoeken hoeveel vraag er is naar een bepaald type laaggeschoolde arbeid, vergeleken met andere types van laaggeschoolde arbeid, en laat de markt beslissen hoeveel gebruikers voor die arbeid willen betalen.
Ive Marx en de harde libertair hebben een en ander gemeen. Ze delen een afkeer van ‘koterijen’. De libertair gaat daarin een stuk verder. Hij redeneert als volgt. Van zodra de overheid een maatregel neemt om een wenselijk doel te bereiken – meer werkgelegenheid voor laaggeschoolden – heeft die ingreep gunstige én ongunstige gevolgen. Die ongunstige gevolgen moeten worden gecompenseerd met nieuwe maatregelen, die weer gunstige én ongunstige gevolgen hebben, waardoor alweer nieuwe maatregelen zich opdringen, die … enzoverder. Dat verklaart waarom je koterijen gemakkelijker kunt verdubbelen dan halveren.
* Ik heb over de poetshulpen ook al eerder iets geschreven, zoals hier, hier en hier.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten