donderdag 20 november 2025

Links-liberale bevoogding.


Linksliberale bevoogding
      Ik heb mij voorgenomen om de artikelenreeks in De Standaard over bewerkt voedsel uit te knippen. Misschien schrijf ik dan ooit een langer stuk over de nanny-state. Misschien ook niet, omdat Rik Torfs er wellicht over zal schrijven vóór ik mijn gedachten op orde heb. Maar ik wil nu al een algemene opmerking maken.
    
   In een boek dat ik aan het lezen ben, The Myth of Left and Right, wordt betoogd dat ‘links’ en ‘rechts’ inhoudsloze etiketten zijn. Dat blijkt volgens de auteurs onder andere hieruit dat zowel links als rechts zo vaak van mening verandert en zichzelf tegenspreekt. En zelfs op een en hetzelfde moment hangen de kampen tegenstrijdige beginselen aan, al naar gelang het onderwerp.
      Zelf gebruik ik de laatste tijd graag het begrip ‘links-liberaal’ waarmee ik mensen als hoofdredacteur Karel Verhoeven, moraalfilosoof Ignaas Devisch en schrijver Ilja Leonard Pfeijffer aanduidt. Die laatste zou ik ook bij de linksradicalen kunnen rekenen, maar omdat hij zich in een recent essay op het het klassieke ‘culturele’ liberalisme beriep, krijgt hij wat mij betreft een plaatsje in de club. Laten we eens drie beweringen tegenover elkaar stellen

Karel Verhoeven  

‘Het idee dat we als individu in alle vrijheid en autonomie kiezen wat we eten, is aan herziening toe.’  

– Context: maatregelen van de overheid tegen het onbeperkt produceren, promoten en consumeren van bewerkt voedsel.

Ignaas Devisch: 

‘Wij gaan er nog altijd van uit: mensen mogen fouten maken wanneer het op hun gezondheid aankomt.’

– Context: maatregelen van een verzekeringsmaatschappij om korting te verlenen aan mensen die er een gezonde levenstijl op nahouden

Ilja Leonard Pfeijffer: 

‘Individuele vrijheid dient het uitgangspunt te zijn van de staatsinrichting, niet omdat vrijheid gelukkig maakt – het tegendeel is het geval – …, maar omdat ieder mens er recht op heeft om ongelukkig te zijn op de manier die hij verkiest, en omdat ieder alternatief voor een dergelijke vrijheid er noodzakelijkerwijs op neerkomt dat iemand anders voor ons bepaalt … hoe wij ons leven dienen te leven.’

– Context: Pleidooi voor een ‘cultureel’ liberalisme tegen een economisch liberalisme.

     Minstens twee van die drie beweringen lijken elkaar tegen te spreken. Maar is dat ook zo? Misschien gaan ze alle drie akkoord met het algemene uitgangspunt van Pfeijffer, én met een strenge reglementering van bewerkt voedsel, én met een verbod om verzekeringspremies te laten afhangen van een gezonde levensstijl. Als ze het slim aanpakken zeggen ze dan niet dat ze de burger tegen zichzelf beschermen, maar dat ze hem beschermen tegen machtige concerns, tegen Big Food en Big Insurance.
      En dan is er nog de kwestie van de nuances. Zelfs ik niet tegen élke regeling rond voedselveiligheid en verzekeringscontracten. Maar een rechtsliberaal zal daarin altijd veel minder ver in gaan dan een linksliberaal. ‘Linksliberaal’, het blijft een nuttig begrip.

* Verhoeven: DS 19/11, Devisch: VTM-nieuws 18/11, Pfeijffer: essay op Liberales – zie ook mijn stukje hier.


woensdag 19 november 2025

Patatten jassen

Beste meneer Tuypens,

 
     minister Francken heeft uw zoon een brief gestuurd, u hebt een brief teruggestuurd, en nu stuur ik u op mijn beurt een brief. Een open brief nog wel, en dat is een gevaarlijk genre. Zo’n brief laat zich veel te gemakkelijk schrijven. Voor men het beseft is men eindeloos aan het ouwehoeren, vervalt men in sarcasme, of sluipen er in het proza ‘sporen van satire’. Joël De Ceulaer weet er alles van.
    
     Uw brief zet een lange traditie voort, want u klaagt de verschrikking van de oorlog aan. Boris Vian richtte zich tot Monsieur le président, Bob Dylan tot de Masters of War, en Boudewijn de Groot tot een Meneer de president die hij welterusten wenste. U moet zich tevreden stellen met Theo Francken, en dat verklaart misschien waarom uw brief stilistisch wat minder uitvalt dan die grote voorbeelden.
     Sta mij toe om u eerst gerust te stellen. Met de hoofdstrekking van uw brief ben ik het volkomen eens: oorlog is een verschrikking. Mijn eigen favoriete oorlog is de Amerikaanse Civil War (1861-1865). Het is bij dié oorlog, meer nog dan bij Napoleons veldtocht in de Russische sneeuwvlakten, dat ik het onmetelijke lijden van de soldaten het beste navoel. In de film Lincoln (2012) komt er een een beeld waarin we een enorme stapel geamputeerde armen en benen zien. Omdat het beeld zo kort is, laat het een onuitwisbare indruk na.
     Onderliggend aan uw aanklacht, bespeur ik een geopolitieke inschatting die niet de mijne is. U schijnt te geloven dat Europa aanstuurt op een oorlog met Rusland. Ik geloof het tegenovergestelde: dat Europa, vooral Oost-Europa, beducht moet zijn voor militair expansionisme van Rusland. Maar ik begrijp dat een open brief, zelfs al beslaat hij twee volledige bladzijden in De Morgen, niet de plaats is om geopolitieke analyses te onderbouwen. Wie met alle geweld zo’n onderbouwing wil lezen, vindt ze wel ergens anders.
     Ook lijkt u impliciet een logische constructie te hanteren die mij gebrekkig voorkomt. Uw sorites gaat ongeveer als volgt: ‘Oorlog wordt gevoerd door legers. Als we de bestaande legers afschaffen of verzwakken, verminderen we de kans op oorlog. Ons leger is een bestaand leger. We moeten ons leger dus afschaffen of verzwakken – en zeker niet versterken.’ De hele redenering gaat voorbij aan de mogelijkheid dat men door zijn eigen leger te verzwakken een vijand in de verleiding brengt om aan te vallen. Maar opnieuw, ik begrijp dat een open brief niet de plaats is om een logisch betoog op te bouwen. Dat deden Boris Vian, Bob Dylan en tekstschrijver Lennaert Nijgh ook niet.
     Het verschrikkelijkste dat een soldaat kan overkomen is dat hij moet vechten. Maar in vredestijd is het volgens u voor soldaten ook niet allemaal rozengeur en maneschijn. Ze worden dan ingeschakeld, schrijft u, ‘om patatten te jassen, met hun tandenborstel de latrines te schrobben, en zich in de kazernes stierlijk te zitten vervelen.’ Uw beschrijving is hier, vermoed ik, wat anachronistisch.
     Ikzelf ben indertijd, op aandringen van de partij waar u nu, en ik vroeger, lid van was,
  paracommando geweest. Maar na een avontuurlijke opleiding, heb ik ook enige tijd in de keuken van Schaffen gewerkt en zelfs een keer patatten gejast. Ik ben er bijna zeker van dat de jonge vrijwilligers, die Francken probeert te rekruteren, de wantoestand van het patatten jassen bespaard zullen blijven. Als ik mij echter vergis, zoveel te beter. Ik heb liever dat die vrijwilligers hun eigen patatten jassen dan dat het gebeurt door externe consultants.
     Voor zover ik het kan bekijken, is ook de hoofdstrekking van uw brief, waar ik het dus eens mee ben, een soort anachronisme. Er is een tijd geweest dat naïeve burgers zich makkelijk lieten meeslepen door oorlogsenthousiasme. Men denke aan de Frans-Pruissische oorlog van 1870. Maar de ervaring van de Eerste Wereldoorlog heeft daar een niet te herstellen bres in geslagen. De Europese bevolking is ondertussen door-en-door pacifistisch geworden. Met uw ontmaskering van de oorlogsheroiek had u honderd jaar geleden een welgekomen tegenwicht kunnen bieden aan de chauvinistische pathos, aan het ‘patriottardisme’ zoals sommigen het noemden. Maar vandaag staat geen enkele West-Europeaan te trappelen om te doden of gedood te worden.
     U citeert Walter Zinzen die schrijft dat oorlogen ‘in feite massaslachtingen en massavernietigingen zijn.’ Ja, dat zijn ze, in feite. We weten dat de armen, benen, levers en longen die in een oorlog aan flarden worden geschoten toebehoren aan iemand die misschien niet altijd iemands vader, maar toch zeker altijd iemands kind is. Vandaag is dat een inzicht dat deel uitmaakt van, zoals men dat zegt, ons DNA, en niet alleen in ons land, maar ook in voorheen martiale naties als Frankrijk, Duitsland en Spanje. U verfoeit oorlog, ik verfoei oorlog, Walter Zinzen verfoeit oorlog, Theo Francken verfoeit oorlog, Poetin verfoeit … nee, die laatste blijkbaar niet zo. Tegenover hem zou uw pleidooi natuurlijk geen anachronisme zijn.
      En nu we het toch over Rusland hebben, de wantoestanden in de kazernes dáár gaan heel wat verder dan patatten jassen. Ik heb zojuist Land van het Grote Sterven gelezen van Joris van Bladel, die uitgebreid de dedovsjtsjina beschrijft waaraan Russische dienstplichtigen onderworpen worden. Je kunt die praktijk nog het beste vergelijken met een studentendoop van de ontbonden vereniging Reuzegom, maar dan dag na dag, week na week, maand na maand, tot men genoeg anciënniteit verzameld heeft om zelf nieuwe rekruten onder handen te nemen. Het spreekt vanzelf dat hierbij jaarlijks duizenden doden vallen, ook zonder dat er een slagveld aan te pas komt.
     Beste meneer Tuypens, u verwijt Francken dat hij een vrijwillig en betaald verblijf in het leger ten onrechte voorstelt als een ‘doodnormale betrekking’. Dat verwijt is terecht. Soldaat zijn is geen doodnormale betrekking, het is geen beroep als een ander. Het is het enige beroep waarin het je is toegestaan om mensen te doden. Laten we hopen dat het voor onze vrijwilligers niet zover komt. Dan wordt dat legerjaar toch nog een beetje een ‘doodnormale betrekking.’
     U ziet in Theo Francken een oorlogstoker. Ik niet, al ziet de MoD er soms wat stoer uit. Voor mij is Francken in militaire aangelegenheden een West-Europeaan zoals elke andere: een bange wezel. Bange wezels maken geen plannen om Moskou te veroveren zoals Napoleon en Hitler dat deden. Bange wezels zouden zich het liefst achter de brede rug van een grootmacht verschuilen, van Amerika bijvoorbeeld, maar dat land heeft vandaag andere katten te geselen. En dan gaan bange wezels in paniek zelf wapens verzamelen in de niet geheel onredelijke hoop ze nooit te moeten gebruiken.
      Ik herken die paniek, want het is ook de mijne. Georgië, Tsjetsjenië, de Krim en de Donbas hebben mijn wereldbeeld niet veranderd. Maar toen ik op televisie, live, de beelden zag van Russische tanks die oprukten om Kiëv te veroveren, toen voelde ik mij in de geschiedenis teruggeworpen. Dat die aanval, tegen mijn verwachting in, gestopt werd, veranderde niet veel aan mijn paniek.
     Ondertussen is de paniek onder controle. Rusland zal een militair versterkt Europa niet frontaal aanvallen, daar ben ik bijna zeker van. En een militair versterkt Europa zal Rusland niet frontaal aanvallen, daar ben ik helemaal zeker van. Denkt ú dat een militair versterkt Europa Rusland wél zal aanvallen?

Met vredelievende groet,
Philippe Clerick 

dinsdag 18 november 2025

Subsidies

Bedrijfssubsidies


     Zowel bij links als bij rechts leven een aantal opinions chics die teruggaan op veralgemeningen, eenzijdige voorstellingen, overdrijvingen, onbewezen speculaties en misverstanden. Sommige daarvan worden verspreid door de mainstream media, andere moeten het stellen met de socials. Een opinion chic van links is dat er miljarden subsidies gaan naar de fossiele brandstoffen. Een opinion chic van rechts is dat de top 10 % van de inkomens 50 % van de belastingen betalen en de 30 procent laagste inkomens 1 %. Dat zijn geen leugens, geloof ik, maar misverstanden. Dat laatste, van die 10 % die 50 % van de belastingen betalen heb ik zelf ook lang geloofd.
        Een opinion chic
van links dat vandaag telkens weer opduikt is dat van de grote cadeaus die de staat doet aan de bedrijven in de vorm van bedrijfssubsidies. 25 miljard! Dat is evenveel als het totaalbedrag dat de bedrijven aan belastingen betalen!* De grafiek hieronder stemt overeen met de werkelijkheid.

     Die cijfers zijn correct, en laat ik daar meteen aan toevoegen dat die bedrijfssubsidies wat mij betreft gerust mogen worden afgeschaft. Men moet zoiets natuurlijk geleidelijk doen, dat wel, zoals men ook de beperking van de werkloosheidsvergoedingen in de tijd geleidelijk invoert. Maar dat subsidies die het ene bedrijf krijgt en het andere niet, het economisch leven scheeftrekken is een axiomatische zekerheid.
    Het misverstand zit dus niet in de cijfers, maar in de voorstelling die een naïeve linkse zich maakt van wat er gebeurt. Hij stelt zich voor dat er 25 miljard van ons belastingsgeld rechtstreeks doorstroomt naar de bankrekening van de werkgever, de aandeelhouder en de ceo. In werkelijkheid stroomt dat geld evengoed door naar de werknemers in de vorm van lonen en naar de klanten in de vorm van verlaagde prijzen. Het moet een knappe jongen zijn die precies kan berekenen hoeveel van dat geld precies bij de ‘rijken’ terecht komt.
     Daarnaast is er nog een misverstand op een meer rudimentair niveau. In werkelijkheid is er helemaal geen geldstroom van 25 miljard die van de staat naar de bedrijven stroomt. Die geldstroom – investeringsteun, renteloze leningen … – bedraagt niet meer dan 5 miljard. De rest bestaat uit fiscale voordelen en vooral uit een verlaging van de sociale bijdragen van 17 miljard, de zogenaamde loonsubsidies. En als we toch de sociale bijdragen in de vergelijking betrekken, dan krijgen we nóg een ander beeld. De bedrijven betalen namelijk nog eens ongeveer 50 miljard aan ‘werkgeversbijdragen’**. 
Dan krijgen we een heel ander plaatje: een stroom van 5 miljard aan de ene kant en een stroom van 75 miljard aan de andere kant. De grafiek hieronder stemt óók overeen met de werkelijkheid.


     Nu kan je tegen die tweede grafiek allerlei boekhoudkundige of ideologische bezwaren inbrengen. Vakbonden kunnen zeggen dat de ‘werkgeversbijdragen’ een ‘integraal’ deel van het loon uitmaken. Marxisten kunnen zeggen dat zelfs de bedrijfsbelastingen uit de ‘meerwaarde’ komen die de arbeiders voortbrengen. Een werkgever kan zeggen dat de ‘werknemersbijdrage’ die niet in de grafiek staat eigenlijk ook uit zijn bedrijfsinkomsten moeten worden betaald. Voor mij is het allemaal goed. Dan moeten de vakbonden, de marxisten en de werkgevers zelf maar hun eigen grafiek tekenen. Ik wou er alleen op wijzen dat de voorstelling van 25 miljard die van de staat naar de bedrijven vloeit niet de hele werkelijkheid weergeeft.

* Totale bedrijfsbelasting in 2024 is ongeveer 21,85 miljard. Met roerende voorheffing op bedrijfsgebouwen,  verkeersbelasting op bedrijfswagens en ecotaksen lijkt 25 miljard mij een redelijke schatting.

** De ‘gewone werkgeversbijdragen lopen op tot 31 à 34 miljard. Met de ‘bijzondere loonbijdragen’ (o.a. vakantiegeld), toeslagen, boetes en achterstallige interesten lijkt 50 miljard mij ook hier een redelijke schatting. 


                                                                                                       ***


Cultuursubsidies

     Om te weten of ik voor of tegen cultuursubsidies ben, zou ik mijn oude stukjes van zes jaar geleden eens moeten herlezen. Toen was eer flink wat commotie rond die subsidies. Enkele weken geleden was er weer veel commotie, maar dit keer ging het vooral over wie de beslissingen moest nemen in zulke dossiers. Moesten die beslissingen genomen in neutrale commissies van experten, die niet altijd zo  neutraal zijn, of door politici die al zeker niet neutraal zijn? Je kunt van die experten – vaak mensen uit ‘de sector’ – niet verwachten dat ze enthousiast subsidies goedkeuren voor Vlaams-nationalistische organisatie, en van N-VA’ers in bestuurraden of in de Vlaamse regering kun je niet verwachten dat ze met plezier geld uitdelen aan extreem-linkse organisaties als De Wereld Morgen. Tja, politiek en cultuur. Stendhal zei indertijd dat zijn ‘opinions en peinture étaient celles de l’extrême gauche.’
    
     Misschien bestaat de beste oplossing erin om de twee methodes te combineren. De commissies met de experten – formuleren een advies en de politici nemen de uiteindelijke beslissing in de vorm van een compromis? Dat laatste is min of meer de Vlaamse manier. In Wallonië is dat anders schrijft Siegfried Bracke op Doorbraak. Men vertrouwde hem toe : ‘Chez nous, c’est le/la ministre qui décide.’
     Het kan nog anders. In Noorwegen werd in de 19de eeuw over culturele subsidies rechtstreeks beslist door het parlement. De regering diende een lijst met namen en bedragen in, en het parlement debatteerde daar openlijk over en stemde erover per naam en per bedrag. Zo kreeg Hendrik Ibsen, toen hij nog geen succes had en weinig geld verdiende, in 1846 een eenmalig door het parlement goedgekeurde beurs van 400 speciedaler. Later, toen zijn succes en toenam en hij veel geld begon te verdienen, kreeg hij niettemin steeds grotere bedragen onder de vorm van een jaarlijks dichterspensioen. De parlementsleden deden niet aan armoedebestrijding, ze beloonden verdienste. Ze pasten Matteüs 25:29 toe: ‘Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben.’  

* Zie mijn bedenkingen over cultuursubsidies hier en hier.




maandag 17 november 2025

Pfeijffer in de politiek

Pfeijffer: belast de superrijken!

      Waarom word ik zo zenuwachtig als ik hoor over de superrijken die men een procentje zwaarder zou belasten? Ze zouden er, zoals dat heet, geen boterham minder voor eten. Het klassieke bezwaar van rechts tegen die belasting is dat je de superrijken daarmee wegjaagt uit je land, en daarmee ook het geld dat ze in je economie investeren. Dat bezwaar is terecht, maar ik zal het nooit gebruiken, want het is een praktisch bezwaar en misschien vindt men daar ooit een oplossing voor. Een tweede bezwaar van rechts is dat een belasting op de superrijken in de praktijk altijd op de middenklasse neerkomt. Ook dat bezwaar is terecht, maar ik laat het aan anderen over om het uit te werken. Waarom zou ik met alle geweld de middenklasse verdedigen. Ik ben Bouchez niet.
     Zelf kom ik vaak terug op het argument dat er bij de superrijken niet zo veel te halen valt – kernachtig gezegd: door aandelen uit te delen kun je armen niet voeden, kleden en huisvesten. Een variant van dat argument is dat men door slechts een ‘percentje af te snoepen’ de problemen niet oplost die men zegt te willen oplossen: het begrotingsprobleem, de armoede of  de asymmetrische politieke macht van de superrijken.
    Maar het is juist de bescheidenheid van het ‘percentje’ dat mijn argwaan wekt. Vanuit mijn PVDA-verleden vermoed ik een verborgen agenda, een zorgvuldig ingezeept hellend vlak. Men beweert dat men slechts een percentje wil afsnoepen, maar eigenlijk wil men eindigen met de onteigening van de miljonairs en miljardairs en met de afschaffing van het kapitalisme. Dat is niet de bedoeling, geloof ik, van economen als Paul De Grauwe, maar lieden als Raoul Hedebouw vertrouw ik maar voor zover ik ze zie.
      En nu word ik in mijn argwaan bevestigd door een recente column van de beroemde schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Ik citeer het besluit van de column:

Het belasten van de allerrijksten, dat om onbegrijpelijke reden alom als een onrealistische utopie wordt beschouwd, zou slechts een eerste, noodzakelijke stap zijn in de richting van herverdeling en rechtvaardigheid … Belastingen zijn een welkome vorm van symptoombestrijding, als een paracetamolletje dat de koorts verlaagt, maar om de oorzaken van de ongelijkheid te bestrijden dient het kapitalisme als zodanig te worden bestreden.

     Die Pfeijffer zegt duidelijk wat Raoul Hedebouw slechts op interne congressen vertelt: dat een miljonairstaks slechts een ‘eerste, noodzakelijke stap’ is, een ‘paracemolletje’, maar uiteindelijk ontsnappen we niet aan de chirurgische verwijdering – met of zonder verdoving – van het kapitalistisch kankergezwel. Dát is het doel van Hedebouw en de kameraden. Of die miljonairstaks er komt of niet is secundair*; primair is dat de geesten worden klaargemaakt voor het vervangen van het kapitalisme door een socialisme.02.
   Pfeijffer, to his credit, beperkt zijn antikapitalistische argumentatie niet tot een moreel pleidooi voor herverdeling. Hij haalt ook economische argumenten aan.

 Zoals de econoom Gary Stevenson betoogt, wordt de prijs voor de toenemende exorbitante rijkdom van de allerrijksten door de rest van de bevolking betaald. De rijken hebben heel veel meer geld dan zij ooit kunnen uitgeven, dus naarmate er meer inkomen naar de rijksten vloeit, circuleert er minder geld in de reële economie, waardoor vraag en productie stagneren. Omdat ze toch iets moeten met hun geld kopen ze de halve wereld zonder daar echt iets mee te doen.

     In andere columns deed Pfeijffer zijn beklag dat het kapitalisme te veel de economische groei aanwakkerde, en nu is zijn klacht dat door het kapitalisme de productie stagneert. De verleiding is groot om de schrijver voor die flagrante tegenspraak uit te lachen.
     De waarheid is echter dat het betoog van Gary Stevenson mij in verlegenheid brengt. Is het waar dat de superrijken niet meer inversteren in de reële economie, in technologie en in diensten? Is het waar dat ze zich nog alleen bezighouden met oppotten, speculeren en rente opstrijken? Ik weet veel te weinig van economie af om daarop te antwoorden. Ik ken de precieze effecten niet van oppotten, speculeren en rente. Maar ik weet wel dat de klacht erover al meer dan anderhalve eeuw oud is en dat de productie ondertussen toch flink gegroeid is. Ook heb ik de indruk dat de techmiljardairs van vandaag wel degelijk in de reële economie investeren.
      Ik heb hierboven toegegeven dat ik niet goed bekend ben met de economische wetenschap. Maar ik ben vilein genoeg om hetzelfde gebrek bij Pfeijffer te ontdekken. Hij gooit kriskras een aantal cijfers door elkaar die de groeiende ongelijkheid moeten illustreren. Onder andere:

 Het aandeel van de rijkste 10 procent van de bevolking in het nationaal inkomen is gestegen van iets meer dan 25 procent in 1980 tot bijna 40 procent nu.

     Over die ongelijkheid in inkomens probeer ik een beetje op de hoogte te blijven**, en die cijfers zijn absurd. Ik weet niet precies wat Pfeiffer bedoelt met ‘onze landen’***, maar je zult in Nederland en België nergens zo’n spectaculaire stijging zien van het aandeel van de rijkste 10 procent. Van 25 procent in 1980 tot 40 procent vandaag? Kom nou. Een stijging met 15 procentpunt? Iedereen kan vandaag met een chatbot de cijfers opvragen. Je krijgt een wirwar van gegevens, meetconcepten, pre-tax en post-tax verschillen, enzovoort. Maar je begrijpt al snel dat dat aandeel van 25 procent niet veel bewogen heeft. Een stijging van 3 procentpunt misschien, al naar gelang de bron en de wijze van berekening. 

* Tegelijk kan een PVDA-militant geloven dat een enkele procenten belasting op de superrijken nuttig gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld werklozensteun of hoge pensioenen voor leraren. Dat op zich is geen logische contradictie. Wel kunnen die procenten, net als ander geld ,maar één keer gebruikt worden. En de PVDA heeft – in tegenstelling tot wat hun verkiezingsprogramma laat uitschijnen – een eindeloze rij eisen, die evolueert met de actualiteit en met de strijdbeweging van het moment. 
** Over die ongelijkheid: zie bijvoorbeeld mijn blog hier en hier.
*** De landen die Pfeijffer in de context vermeldt zijn Italië, België, Nederland, Frankrijk en Duitsland.

Pfeijffer en het liberalisme

     Op Liberales heeft Ilja Leonard Pfeijffer een essay geplaatst over wat het liberalisme ‘zou moeten zijn.*’ Hij schrijft:

Wat alle vormen van liberalisme onderscheidt van de ideologieën waartegen zij zich afzetten, is dat zij vrijheid als het hoogste ideaal beschouwen. De vraag die zich vervolgens opdringt, is wat die vrijheid precies inhoudt. Als de vrijheid die als ideaal wordt nagestreefd gedefinieerd wordt als de vrijheid voor ieder mens om te denken wat hij wil, te zeggen wat hij denkt en zijn leven in te richten op de manier die hem goeddunkt, dan zijn wij allen liberalen en wie dat niet is, zou dat moeten zijn. Dit type individuele vrijheid dient het uitgangspunt te zijn van de staatsinrichting, niet omdat vrijheid gelukkig maakt – het tegendeel is het geval –, noch omdat het collectief bij dit soort vrijheden gebaat zou zijn, maar omdat ieder mens er recht op heeft om ongelukkig te zijn op de manier die hij verkiest, omdat prioriteit van het collectief gelijkstaat aan onderdrukking en omdat ieder alternatief voor een dergelijke vrijheid er noodzakelijkerwijs op neerkomt dat iemand anders voor ons bepaalt wat wij moeten denken, wat wij kunnen zeggen en hoe wij ons leven dienen te leven.

     Dit is geen slechte samenvatting. Wat verder schrijft hij:

Natuurlijk zijn er wetten nodig, die de facto een inperking van de individuele vrijheden vormen. Precies vanwege het feit dat zij vrijheden be­knotten, zou het aantal van deze wetten tot een minimum beperkt moeten blijven. Voor elke wet die de regering uitvaardigt, zou zij moeten aantonen dat deze noodzakelijk en onmisbaar is en de enige reden die hiervoor kan worden aangevoerd, is dat bepaalde vrijheden van de een schade berokkenen aan een ander. Omdat de overheid, zoals gezegd, de taak heeft de vrijheid te garanderen van alle burgers, heeft zij de plicht op te treden en in te grijpen wanneer de vrijheden van sommigen een inperking vormen van de vrijheden van anderen.

      En daarop bouwt Pfeijffer zijn redenering dat het politieke liberalisme – hij noemt het ‘cultureel liberalisme’ – inhoudt dat we het economische liberalisme moeten verwerpen. Het economische liberalisme leidt immers tot een ongelijke verdeling van de welvaart en de vrijheid. Dat eerste is waar. Er is een ongelijke verdeling van de welvaart. Maar die ongelijke verdeling van vrijheid, dat is een andere kwestie. Vrijheid kan wel begrensd en beknot worden, maar niet verdeeld.
 
    Waarom zou bijvoorbeeld een werknemer minder dan een werkgever ‘kunnen denken wat hij wil, zeggen wat hij denkt en zijn leven inrichten op de manier die hem goeddunkt?’ Natuurlijk laat een laag loon niet toe om verre reizen te ondernemen of op dure hotels te overnachten, maar dat is nooit wat het politieke liberalisme bedoelde met de ‘vrijheid om je eigen leven in te richten.’ Niemand mag je beletten om een verre reis te ondernemen of om in een duur hotel te overnachten, maar niemand moet je de middelen daartoe bieden. Dat zou een verdeling van welvaart zijn, niet van vrijheid.
     Er zijn redelijke argumenten die men kan invoeren tegen het economisch liberalisme – zeker als je van een egalitaire verdeling van de welvaart houdt –  maar het politieke liberalisme is niet een van die argumenten. Tot nader order blijf ik voorstander van wat Pfeijffer noemt: het ‘historische inzicht dat cultureel en economisch liberalisme hand in hand liepen.’ Logisch sluiten de twee vormen van liberalisme elkaar niet uit, en empirisch gaan ze meestal samen**.

* Voor het essay van Pfeijffer, zie hier.
** Zoals afwezigheid van economisch liberalisme 
‘hand in hand liep’ met de afwezigheid van politieke vrijheid. 


 Pfeijffer en het egalitarisme

     Je kunt egalitairen in verlegenheid brengen door hen te vragen: ‘Hoeveel gelijkheid wil je eigenlijk? Wanneer is er genoeg gelijkheid? Inkomensongelijkheid wordt weergegeven door de Gini-index en in Vlaanderen is die 22. Dat is een van de laagste cijfers van de wereld. Hoeveel lager moet die index nog zijn voor je tevreden bent?’
     Ik heb alle begrip voor de verlegenheid van de egalitairen. Zij kunnen mij als libertair evengoed in verlegenheid brengen door te vragen: ‘Hoeveel vrijheid wil je eigenlijk?’ Het liefst zou ik antwoorden met ‘méér vrijheid’, zoals egalitairen kunnen antwoorden met ‘méér gelijkheid’. We hebben geen van beide een precieze maatstaf om een grens te trekken*.
     Als je dan toch over de grenzen van vrijheid of gelijkheid discussieert, zijn de meeste egalitairen het met je eens dat vooral de armoede moet worden bestreden, en dat niet álle verschillen in inkomen en bezit moeten worden afgeschaft. Slechts de heel radicale egalitairen, eisen een soort volkomen gelijkheid. Onder mijn linkse vrienden ken ik niemand die zo’n extreme gelijkheid aanhangt.
     Maar nu zag ik de laatste column van Ilja Leonard Pfeijffer, en wat hij schrijft komt neer op een verdediging van de extreme gelijkheid.

Wij moeten er niet bang voor zijn om armer te worden, want armoede maakt niet ongelukkig. Alles is relatief. Het enige dat ongelukkig maakt, is armer zijn dan anderen.

     Ik weet niet of de stelling in zijn algemeenheid correct is. Ik denk het niet. Maar áls ze correct is, leidt ze rechtstreeks tot de conclusie dat alleen extreme gelijkheid voldoet. Want het is waar dat mensen ongelukkig kunnen worden – de enen meer dan de anderen – als ze zien dat anderen rijker zijn dan zijzelf. Maar dat geldt dan vooral als die anderen hun buren zijn, die slechts een heel klein béétje rijker zijn. Daar is voldoende onderzoek naar gedaan. De meeste mensen storen zich amper aan de grote rijkdom van rock-idolen, filmsterren, topvoetballers en successchrijvers, maar dat de buur een gloednieuwe elektrische auto heeft, terwijl jij met een oude diesel rondrijdt, die je ook nog eens een boete oplevert als je een grote stad binnenrijdt, dat kan pijn doen. Als het doel van Pfeijffer dus is dat niemand ongelukkig is door zich armer te voelen dan anderen, dan moet hij in de eerste plaats de gloednieuwe elektrische auto van de buur afpakken.
     Samengevat: Pfeijffer is voorstander is van een ‘moedige, antikapitalistische visie, die een koers uitzet in de richting van nivellering van de economische rijkdom … en van gerichte reductie van productie en consumptie.’ 
     Er blijken twee soorten socialo-communisten te bestaan. Degenen die beloven dat iedereen even rijk zal zijn, behalve de 1 %. Daar behoort de PVDA dan toe. En de anderen zijn diegenen die beloven dat iedereen even arm zal zijn. Misschien is dat eerlijker. Voor zover ik kan beoordelen behoort Pfeijffer tot de tweede strekking.
      Het is op zich geen lelijk ideaal: iedereen leidt een vlijtig, arbeidzaam en sober leven, zonder onnodige luxe of lintjes als versiering. Het wordt slechts verfoeilijk als men die keuze aan iederéén, en niet alleen aan kloosterlingen of kibbutzniks, wil opleggen.
          Aan communisten werd vroeger verweten dat hun oplossing bestond uit de ‘gelijke verdeling van de armoede’. Als je hen zoiets voor de voeten wierp, verweerden ze zich als een duivel in een wijwatervat. Maar Pfeijffer haalt zijn hautaine schouders op en zegt: ‘So what?’
      Ja, dán is het voor mij  ‘end of discussion’ natuurlijk. Dan komt het goed uit dat hij stopt met zijn tweewekelijkse columns in De Morgen. Hijzelf noemt ze geloof ik ‘essays’. 


 

* Er zijn libertaire scholen die wél een theoretisch antwoord bieden op de vraag ‘hoeveel vrijheid?’ Marx ontweek de vraag ‘hoeveel gelijkheid’ met het antwoord ‘aan ieder volgens zijn behoeften’. 

zondag 16 november 2025

Rust en orde in de klas


       Zuhal Demir heeft een plan opgesteld om ‘gewenst gedrag’ op school te bevorderen en ‘ongewenst gedrag duidelijk te begrenzen.’  Demir wil, naar het schijnt, een taskforce oprichten – wellicht heeft ze ook de serie Task gezien op HBO – die in probleemscholen ‘het beleid voor een afgebakende periode kan overnemen.’ 
     Of een taskforce de juiste remedie is, weet ik niet. Als ze er komt hoop ik dat die mensen op zware motoren de speelplaats komen opgereden. Stephanie D’Hose van Open VLD daarentegen heeft allerlei bezwaren en een deel daarvan kan best terecht zijn. Maar ik schiet wel in de lach als ik lees (DS 4/11) dat ze zich ‘als liberaal zorgen maakt over het feit dat de staat bepaalt wat gewenst en ongewenst gedrag is.’ 
     Dat laatste is nu echt de kwestie niet. Laatst raakte ik in gesprek met een lerares uit West-Vlaanderen die in multiculturele klassen – soms is er een Vlaming bij – lesgeeft. Wie voorbeelden van ongewenst gedrag wil, kan bij haar terecht. Een leerling die haar toesnauwt ‘Hou je bek, vuile hoer,’ daar schrikt ze niet meer van, want het is dagelijkse kost. Of een leerling die bij het begin van elke les een bepaalde leraar minutenlang toeroept: ‘Gij hebt een dikke kop. Gij hebt een dikke kop.’ Stuurt men hem naar de studiezaal, dan blijft hij daar roepen: ‘Hij heeft een dikke kop. Hij heeft een dikke kop.’ Hij wil zich daar niet voor verontschuldigen, want hij spreekt de waarheid, vindt hij.
     ‘Wat kun je daar tegen doen? 'vroeg ik. ‘Je mag zo’n gedrag niet negeren,’ luidde het antwoord. ‘Je maakt altijd een korte zakelijke opmerking. En als dat niet werkt geef je de leerling een time-out.’ ‘Wat is dat?’ ‘De leerling moet op een bank gaan zitten tegenover de muur, waar hij aankijkt tegen een zwart vlak, en hij krijgt een koptelefoon op zijn hoofd zodat hij niets hoort.’ ‘En doen ze dat dan als je hen dat vraagt?’ ‘Ja, ze doen dat.’ Dat viel nog mee, vond ik.
    Demir, lees ik in de krant, is ongelukkig dat een voorlopige versie van haar plan nu al gelekt is. Eén bepaling van die versie bevalt mij in elk geval niet. ‘Scholen moeten beter motiveren waarom ze een tuchmaatregel, zoals een schorsing, nemen.’ Ik vind dat helemaal niet. Die motivering van tuchtmaatregelen was nu al een heel bureaucratisch gedoe, met klasvergaderingen en juridisch overleg. Ik zou die motiveringsplicht juist afschaffen. Hopelijk gebeurt dat in de definitieve versie.


                                                                    ***

     
In een commentaarstuk (DS 14/11) betoogt Hans Cottyn dat een minister met decreten niet veel kan veranderen aan het gedrag van de kinderen in de klas. Of dat zo is, weet ik niet. Ik geloof dat er op de scholen de laatste 50 jaar wel degelijk veel veranderd is door ‘decreten’ van bovenaf, met inbegrip inzake het leerlingengedrag. En niet altijd ten goede. Maar ik beperk mij hier tot twee randbemerkingen.
     In de titel van het commentaarstuk stelt Cottyn de vraag: ‘Rust en orde, uiteraard, maar waarom precies?’ Op die vraag ken ik het antwoord. Zodat de leraar op een comfortabele manier les kan geven en de leerlingen de les kunnen volgen zonder afgeleid te worden.
      In zijn laatste alinea drukt Cottyn de vrees uit dat ‘nultolerantie en straf de emancipatie van de kinderen met de minste kansen in de weg gaat zitten, en dat brave, nette en stille leerlingen meteen ook de meeste kansen krijgen.’ Ik vind dat die brave, nette en stille leerlingen die kansen meer dan verdienen. Rumoerige leerlingen gooien zelf hun kansen weg, maar als dat rumoer kan beteugeld worden, nemen ook hún kansen toe – natuurlijk minder dan die van de brave, nette en stille leerlingen 
 – maar toch.
     Ik was zelf geen al te brave, nette en stille leerling, maar ik zat in een schoolsysteem waar ik anderen niet te veel kon storen en waar ik, op een goede dag, wel eens iets kon bijleren in een les. Hoewel ik later op een brave school les gaf, had ik af en toe ook een rumoerige klas. Ik kon dat rumoer niet tolereren, maar had er een zeker begrip voor. Ik vermeed moraliserende praatjes tegen de leerlingen en venijnige roddels achter hun rug. Ik troostte me met de gedachte dat een klas die in het vierde jaar lastig was, in het vijfde jaar kalmeerde, na de Paasvakantie. En als niets werkte, en ik de wanhoop nabij was, had ik zo mijn eigen manier om in het niets te verdwijnen, zoals aangegeven in bovenstaande tekening van een artistieke leerling.


                                                                        ***

 In De Standaard (13/10) staat een interview met een Britse expert die de minister adviseert. Hij is een oud-leraar en veel van wat hij vertelt is behartenswaardig. Hij zegt ook iets wat mij minder bevalt.

 Vaak zijn leerkrachten niet goed opgeleid en krijgen ze te veel vrijheid. Directeurs moeten daarin een assertievere rol spelen. Hoe geeft een leraar les? Waarom wordt iets niet opgevolgd? Iedereen mag zijn eigen stijl hebben, maar die moet gebaseerd zijn op een professioneel oordeel. Het argument van ‘ik ken mijn klas,’ daar moeten we voorbij.

      Dezelfde redenering werd vroeger gevolgd door directies die hun leerkrachten een onderwijsstijl oplegden die chaotisch gedrag veroorzaakte. Mijn pedagogisch directrice had nog het liefst dat klassen een café-opstelling kregen, met lekker veel groepswerk en interactie. Dat was het professionele oordeel van de experts 30 jaar geleden.
     Als een directie mij bepaalde uniforme regels had willen opleggen voor het binnenkomen in de klas, dan had ik daar geen bezwaar tegen gemaakt. Er zijn jaren geweest dat ik de leerlingen naast hun bank liet staan aan het begin van de klas. Ze mochten gaan zitten als ik mijn jasje uitdeed. Er zijn jaren dat ze mochten gaan zitten zonder toestemming. 
      Als een directeur had gewild dat elke leraar die kwestie op dezelfde manier had aangepakt, mij niet gelaten. En als een onderwijsinspecteur mij had geëvalueerd op de orde en tucht in mijn klas, zou ik dat normaal gevonden hebben. Maar hoe ik die orde voor elkaar kreeg, daar had ik toch graag mijn eigen stijl in. In sommige zaken was ik lakser dan mijn collega’s, en in andere strenger. Zo lang het maar werkte. 


                                                                    ***

     Er zijn al veel, en er zullen nog veel, opiniestukken verschijnen over de meer-tucht-op-school campagne. Orthopedagogen leggen uit dat meer discipline  de oorzaken van de gedragstoornissen niet wegneemt. ‘De stoorzenders in de klassen zullen er niet mee geholpen worden, maar juist verder gecriminaliseerd.’ Dat kan best zijn, maar het helpen van de stoorzenders door ‘aanvaarding, verwelkoming, omarming en inclusie’, kan niet de éérste bedoeling van het schoolbeleid zijn. De éérste bedoeling is om de andere leerlingen te beschermen tegen die stoorzenders. Het is niet of-of, maar pedagogie voor de grote meerderheid moet zwaarder doorwegen dan orthopedagogie voor de kleine minderheid.




  

zaterdag 15 november 2025

Kortjes

Mia Doornaert censureren
     Ook bij intelligente FB-vrienden lees ik soms een oproep om de columns van Mia Doornaert niet meer te publiceren. Of men vindt dat een bepaalde column niet gepubliceerd had mogen worden. Vaak doet men niet eens de moeite om precies aan te geven wat er fout aan was. Wellicht komt dat hierdoor: men wil wel kennis nemen van een mening die een beetje afwijkt van de eigen mening, maar als die té veel en te vrank afwijkt, vindt men het de moeite niet meer om ermee in discussie te gaan. 
Dat is een normaal. Paul Valéry zei ooit: ‘Il ne faut discuter qu’avec ceux qui sont d’accord avec vous.’ Maar dat is geen reden om andere meningen niet meer te publiceren.   

Marc Elchardus censureren
     Een FB-vriend, niet de eerste de beste, maakte bezwaar tegen een opiniestuk. Mark Elchardus had daarin betoogd dat ons migratiebeleid miljarden kost aan de staatskas. Hij had cijfers aangehaald uit een rapport, en had andere cijfers uit dat rapport genegeerd. Hij had een pseudo-economische analyse gemaakt. Mijn FB-vriend vond het daarom verwerpelijk dat zo’n opiniestuk kon worden gepubliceerd en hij verwijst naar een antwoord van de linkse denktank Sampol waarin beargumenteerd wordt dat migratie integendeel miljarden opbrengt. Ik ben blij met de twee teksten, én met het debat. 

Watermeloenen en biefstukken
     In het ruwe politieke debat werden de ecologisten indertijd verweten dat ze ‘watermeloenen’ waren: groen van buiten en rood van binnen.
Minder bekend is dat een soortgelijke term door de Duitse conservatieven gebruikt werd om de SA-troepen van de nazi’s aan te duiden. Ze werden ‘biefstukken’ genoemd: bruin van buiten en rood van binnen. Ze droegen bruine uniformen maar hadden socialistische idealen. Het voornaamste verschil met de sociaaldemocraten van hun tijd was dat ze de parlementaire democratie verwierpen. 

Het omgekeerde van een tirade
     Een typische tirade bestaat uit een opsomming van stellingen of argumenten zonder verdere uitwerking. De schrijver van de tirade wordt meegesleept door zijn radicaal enthousiasme, en hoopt, zoals in de slotformule van brieven, 
‘van u hetzelfde.’ Je kunt ook het omgekeerde doen: je neemt dezelfde opsomming van stellingen en argumenten, en je nummert ze. De lijst noopt dan tot de nuchtere vraag: wat zijn die stellingen of argumenten waard? Zelf heb ik die stijlfiguur al enkele keren gebruikt. Het is voor mij een vorm van brainstorming. De lezer kan er zijn voordeel mee doen, of niet.

Onbetaalbaar
     In het algemeen hou ik niet van hyperbolen. Laatst hoorde ik op Het Nieuws dat een studentenkamer huren in Leuven onbetaalbaar was geworden. Als dat waar was, stonden al die studentenkamers nu leeg.

Jabbeke
      De correcte uitspraak van Jabbeke – de West-Vlaamse gemeente – is Jabbeeke. Toch kan ik het niet laten om, telkens als ik op de autostrade de richtingsaanwijzer zien, stilletjes in mijn hoofd Jabbukke te zeggen. Ik dacht dat ik de enige ter wereld was die die aandrang voelde. Maar laatst moesten we in die gemeente iets gaan ophalen. ‘Kom, zei mijn vrouw, we gaan naar Jabbukke.’ Ze sprak het dus ook al schertsend uit alsof het om 
‘een kleine Jabbe’ ging, zoals FB-vriend Simon Gelten dat zo fraai formuleerde.

Schoenen poetsen
     Op de FB-pagina van Geraard Goossens worden we er af en toe aan herinnerd dat we regelmatig onze schoenen moeten poetsen. Er is een tijd geweest dat ik dat elke dag deed: tussen mijn 9de en mijn 12de levensjaar. Op de kostsschool waar ik zat, was daar een speciaal moment voor voorzien. De eerste keer dat ik dat deed, maakte ik de fout om ook de schoenzool te poetsen. De toezichthoudende non had dat gezien, en maakt er een spottende opmerking over die door alle kinderen werd gehoord. Ze stak mijn schoen met gepoetste zool in de lucht.
     Mocht Pascal Cornet iets dergelijks hebben meegemaakt, dan zou zijn behandeling van het voorval op FB ongeveer dubbel zo lang zijn als de mijne, en dubbel zo trefzeker. Pierre Plum zou er een opstel van maken dat tien keer zo lang is. Met een verwijzing naar Thomas van Aquino en Heiddeger. 

Nachtkastje
     Bij L.K. Samuels las ik dat zowel Lenin als Hitler een exemplaar van Machiavelli’s De vorst hadden liggen. Uit de rest van het boek heb ik begrepen dat Samuels dat écht gelooft. 

Mick Jagger vs New York
     Misschien hebt u het ook gelezen: Mick Jagger cancels all 2025 NYC Tour dates – ‘Sorry NYC, but I don’t sing for commies.’ Voor een rechtse jongen als ik is dat natuurlijk te mooi om waar te zijn. Ik geloof dat niet, maar je weet nooit zeker. Wat nu? Vroeger moesten we op een factchek in Knack wachten om daar zeker van te zijn. Vandaag volstaan één of twee vragen aan Grok.


donderdag 13 november 2025

Sociaal profitariaat




      Mijn talent voor verontwaardiging is klein. Sociaal profitariaat van de kleine luyden en belastingconstructies van de rijkaards doen mij niet veel. In beide gevallen heb je menselijk gedrag dat ik volkomen begrijp: de enen ontvangen graag geld zonder ervoor te moeten werken, en de anderen willen liefst zo weinig mogelijk belastingen betalen op wat ze verdienen. En allebei maken ze gebruik van onvolkomenheden in wet en reglement.
    
     Maar ik respecteer de verontwaardiging van anderen over die kwesties. En ik geef de verontwaardigden gelijk als ze op strenger optreden aandringen tegen misbruik. In het geval van sociaal profitariaat, willen de verontwaardigden betere controles om wie niet wil werken te scheiden van wie niet kan werken, en willen ze lagere uitkeringen invoeren om het verschil van inkomen bij werken en niet werken groter te maken, zodat er meer mensen voor werken kiezen.
     Na de recente reportage van de altijd minzame Deborsu over het onderwerp, zag je nog een ander soort verontwaardiging. Naast de mensen die aanstoot namen aan het sociaal profitariaat zelf, had je degenen die aanstoot namen aan het laten zien van dat profitariaat*. Voor die verontwaardiging heb ik minder begrip. Neem de OCMW-voorzitster Gaëlle Denys die in de reportage even aan het woord kwam. Nadat ze de uitzending gezien had, reageerde ze op FB:

Dit is het misbruiken van sociale ellende voor sensationele doeleinden, bedoeld om populistische instincten te strelen en een simplistische lezing van armoede te bevorderen, waarbij armen worden gecriminaliseerd als eeuwige verantwoordelijken voor hun situatie.

      En maar roepen!
     Professor Ides Nicaise verwoordt het wat subtieler in De Standaard, maar ook hij heeft het over de ‘vergiftiging van het politieke klimaat.**
’ Opvallend is hoe zwak de argumenten van Nicaise zijn als hij het sociaal profitariaat wil minimaliseren. Men vergeet, schrijft hij, 

  1. dat er strenge voorwaarden verbonden zijn aan de sociale bescherming 
  2. dat de overgrote meerderheid van de uitkeringstrekkers het er moeilijk mee hebben om afhankelijk te zijn
  3. dat van de mensen die recht hebben op een leefloon, er 40 procent geen gebruik van maakt.
     Die strenge voorwaarden zijn er, maar iedereen kent, ook zonder de reportage van Deborsu, wel enkele mensen in zijn omgeving die ondanks de strenge voorwaarden toch door de mazen van het net glippen. Dat de overgrote meerderheid van de uitkeringstrekkers het moeilijk heeft met hun afhankelijke situatie is misschien door sociologisch onderzoek aangetoond, maar doet weinig ter zake. Om een oneerbiedige vergelijking te maken: er zijn ook veel maffiosi die volgens onderzoek lijden aan de stress die hun beroep meebrengt en toch gaan ze ermee door. En dat 40 procent van de mensen die recht hebben op een leefloon er geen gebruik van maken, is iets waar niemand verontwaardigd om is, integendeel.
      Meer in het algemeen vind ik ook de andere redenen ter vergoelijking van het sociaal profitariaat niet erg overtuigend.

  1. dat uitkeringstrekkers niet gestigmatiseerd mogen worden
  2. dat uitkeringen een vorm van solidariteit zijn
  3. dat iedereen in een positie kan komen waarin hij een uitkering nodig heeft
  4. dat de overgrote meerderheid van de uitkeringstrekkers wel willen maar niet kunnen werken. 
  5. dat de grens tussen niet willen en niet kunnen werken niet scherp te trekken valt 
  6. dat de uitkeringen allemaal samen een veel kleiner bedrag uitmaken dan dat van de belastingsontwijking 
  7. dat  controles, sancties en verlaagde uitkeringen niet leiden tot grotere werkwilligheid
  8. dat sancties inzake langdurig zieken ook échte werkonbekwamen kunnen treffen
  9. dat het verlagen van de uitkeringen een vorm is van ‘omgekeerde herverdeling’
  10. dat de jobs waar uitkeringsgerechtigden voor in aanmerking komen slecht betaald zijn en weinig arbeidsvreugde garanderen
  11. dat de concurrentie onder de werkzoekenden zal toenemen, waardoor de werkgevers zich kunnen veroorloven om minder goede voorwaarden aan te bieden 
  12. dat het probleem niet de werkonwilligheid is, maar de mismatch tussen het aangeboden werk en de vaardigheden van de langdurig werklozen
  13. dat sommige werklozen niet kúnnen werken omdat ze moeten zorgen voor hun kinderen of hulpbehoevende familieleden
  14. dat het onzinnig is om mensen aan het werk te ‘jagen’ als er onvoldoende werk is.

    Ben ik nog argumenten vergeten?
    De meeste opgesomde argumenten zijn naast de kwestie; andere verdienen overweging. Argument (14) 
– dat er geen werk is – past niet goed bij de huidige economische conjunctuur. Argument (4) – dat slechts een kleine minderheid doelbewust werkonwillig is – zou wel terzake doen ... als het waar was, wat ik betwijfel. Argument (7) – dat controles en verlaagde uitkeringen niet zullen leiden tot grotere werkwilligheid – zou in de politieke discussie de doorslag kunnen geven***. A priori geloof ik het tegenovergestelde. Recente cijfers lijken mijn geloof te bevestigen. Van de langdurig werklozen in Wallonië die in januari 2026 hun werkloosheidsuitkering zouden verliezen, heeft 30 procent ondertussen werk gevonden. Argument (8) – dat ook echt werkonbekwame zieken getroffen kunnen worden door een te streng sanctiebeleid – dat argument is, geloof ik, waar. Dat is een reden om niet alle voorzichtigheid te laten varen.

                                                                ***

     Hierboven en omschreef ik wat ik niét voelde bij de reportage van Deborsu over het sociaal profitariaat. Ik voelde géén verontwaardiging. Tinneke Beeckman (DS 20/11) omschrijft wat ze wél voelde, en ik ook, maar ik kon er minder goed de vinger op leggen: 

 Toen ik de reportage van Deborsu bekeek, vond ik de geïnterviewden eerder ontwapenend. Wat me aansprak, was precies wat veel commentatoren zo ergerlijk vonden: dat ze zo vrijuit spraken. Ja, dat doen mensen uit de arbeids- of lagere middenklasse makkelijk: als een journalist hun een microfoon onder de neus duwt, antwoorden ze gewoon. Ze laten hem binnen in hun huis, laten hun slaapkamer zien, hun huisgenoten. Ze verhullen niets.

     De precieze omschrijving van sociale fraude lijkt mij in veel gevallen overigens even moeilijk als die van belastingontwijking. Bea Cantillon schrijft (DS 18/11): 

Sommige sociaal werkers lijken geneigd om cliënten in de meest gunstige uitkeringssituatie te houden. Dat gebeurt doorgaans vanuit goede bedoelingen: bescherming tegen armoede, het vermijden van extra onzekerheid en misschien ook uit een gevoel van ongemak over de grote kloof tussen hun eigen levensloop en die van hun cliënten. Die dynamiek geldt waarschijnlijk ook voor andere hulpverleners, zoals controleartsen.

     Je zou de sociaal werkers, hulpverleners en controleartsen hier enigszins kunnen vergelijken met de advocaten die hun cliënten helpen om de meest gunstige fiscale constructie op te zetten. Alleen is de motivatie van die advocaten natuurlijk anders.


                                                                    ***

     In zijn commentaar bij de Deborsu-reportage gebruikt Ides Nicaise de term aporofobie, van het Grieks áporos (arm, zonder middelen) en phobos (angst): 
‘angst voor de armen’. Zoiets bestaat echt, geloof ik, een angst en minachting voor arme mensen, omdat ze er onverzorgd uitzien, of omdat men ze allerlei gebreken toeschrijft die verantwoordelijk zijn voor hun armoede. Misschien speelt ook het slechte geweten mee van de bourgeois dat hij er zelf zo warmpjes in zit, of misschien zelfs de angst dat het plebs ooit in opstand komt. Uit de dagboeken van de gebroeders Goncourt spreekt een diepe haat voor iedereen die een werkmanskiel draagt. Dat waren allemaal potentiële revolutionairen die op zekere dag hun kunstcollectie zouden stukslaan.
     Maar bij de kwestie van de rue de Dison was het gevoelen niet afkeer, minachting of angst, maar verontwaardiging. De brave middenklasser is nooit afkerig geweest van de fatsoenlijke, arm-maar-proper-mensen, de zogenaamde ‘deserving poor’ van de 19de eeuw.  Maar als hij steuntrekkers ziet, vermoedt hij profitariaat, mensen die op zijn kosten leven. Hij schrijft hen, terecht of ten onrechte, luiheid, kortzichtigheid en domheid toe die hij verantwoordelijk acht voor hun armoede. En vaak is die middenklasse dan inderdaad milder voor rijken die constructies inzetten om minder belastingen te moeten betalen.

*Je zou Deborsu, als je wil, van manipulatie kunnen beschuldigen. De manipulatie bestond hierin dat hij steuntrekkers gevonden heeft die onder andere openlijk willen praten over hun beweegredenen. Zulke mensen zijn redelijk uitzonderlijk, terwijl die beweegredenen zelf dat wellicht niet zijn.

** Het kernwoord in die redenering is stigmatisering. We kunnen er ons iets bij voorstellen als we even denken aan tooghangers op café. In de politieke wereld is dat anders. Rechtse politici stigmatiseren niet de steuntrekkers, maar de politieke tegenstrevers van links die het misbruik mogelijk maakten of aanmoedigden. Linkse politici benadrukken dat ze óók tegen sociale fraude zijn. De PVDA ten slotte wil de stigmatisering van de sociale fraude vervangen door een van de fiscale fraude.

*** Een klassiek links antwoord is hier dat men de werkonwilligheid moet remediëren door meer begeleiding. Daarmee kom je snel in een paradox van het sociaal werk: dat je op de duur meer geld geeft aan de sociale werkers dan aan de hulpbehoevenden.