vrijdag 28 juni 2024

Een religieuze openbaring, e.a.


Christoph Vekemans religieuze openbaring

     Ik ben vorige week gaan luisteren naar een interview met Christophe Vekeman in boekhandel Corman te Oostende. Het ging over zijn boek Tot God. Vekeman praat bijna even mooi als dat hij schrijft. Zijn eerste religieuze openbaring kwam lang geleden toen hij eens voorbij een kerk fietste waar een grote affiche uithing met de boodschap ‘Elke dag zijn eigen leed’ (Mat. 6:34).  Daar zit inderdaad veel wijsheid in. ‘A chaque jour suffit sa peine,’ citeerde mijn grootmoeder vaak. Mijn eigen favoriete Bijbelse levenwijsheid vond ik in Psalm 30: ‘De avond komt met droefheid.’ Gelukkig hebben wij nu de televisie om die droefheid te dempen.
      Vekeman vertelde hoe hij als zestienjarige een overtuigd atheïstje was. In een opstel voor het vak Godsdienst had hij geschreven dat vragen naar de ‘zin’ van het leven een absurde onderneming was. Je vroeg ook niet naar de ‘zin’ van een kiezelsteen. Later begon hij te denken dat je er zo gemakkelijk niet vanaf kwam. Veel van de zangers en schrijvers die hij bewonderde waren christenen en katholieken. Hij onderging religieuze ervaringen. Hij begon de bijbel aandachtiger te lezen en maakte kennis met een ‘inspirerende’ Jezus, maar ook met een die rare uitspraken kon doen. Zoals: ‘Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven.’ (Joh. 14:6)
     Die uitspraak deed mij wegdromen, vooral omdat Vekeman daarvóór verteld had van zijn opstel. Ik heb als zestienjarige ook zo’n opstel voor het vak Godsdienst moeten schrijven. En ik had mij speciaal met dat vers Joh. 14:6 beziggehouden. Ik schreef zoiets als: ‘Een normaal mens zou zich nooit de Weg, de Waarheid en het Leven noemen. Als Mao Tse Toeng of Che Guevarra zoiets zouden hebben gezegd, zou men hen gek verklaren. Er zijn maar twee mogelijkheden. Ofwel was Jezus een krankzinnige die minstens aan grootheidswaan leed, ofwel was hij écht wie hij beweerde te zijn: de zoon van God.’ Ik dacht toen het eerste, en ik denk dat nog altijd. Alleen zal ik vandaag niet meer beweren dat er ‘maar twee mogelijkheden’ zijn. Waarom zou je niet tegelijk krankzinnig én de zoon van God kunnen zijn?
     Vekeman heeft sinds zijn zestiende een lange weg afgelegd, ik veel minder. Ik ben van atheïst geëvolueerd naar agnost*, en sindsdien neig ik af en toe wat meer naar het ene, en dan weer meer naar het andere. Het zijn twee redelijk comfortabele overtuigingen.

Leesbevordering
     Het was een slim idee van De Standaard om tijdens de verkiezingskoorts aan een aantal politici te vragen welk boek hen geholpen had om over de wereld na te denken. Ik vind dat interessant. Maxime Prévot is wakker geschud door het lezen van Raphaël Glucksmann**, en Sammy Mahdi is een lezer van Michael J. Sandel. Ik zou die auteurs eigenlijk ook eens moeten lezen. Conner Rousseau was op aangeven van Bart De Wever aan Alkibiades begonnen. Dat boek ging ‘over een adonis die aan politiek doet.’ Ik las eerst, ik zweer het, ‘een narcist die aan politiek doet’, terwijl de woorden ‘adonis’ en ‘narcist’  helemaal niet op elkaar lijken. Ik maak meer en meer dergelijke leesfouten. De meest verrassende keuze voor mij was die van Gwendolyn Rutten die iedereen Een kleine geschiedenis van de wereld van E.H. Gombrich aanraadde. Ik heb nog geprobeerd mijn zoon dat boekje te laten lezen.

Transfoob
     Wat is een transfoob? Iemand die ongemakkelijk wordt als hij met een transgender een treincoupé moet delen? Iemand die mordicus wil verbieden dat op school over transgenders wordt gepraat? Iemand die vindt dat genderdysforie een soort ‘ideologie’ is? Iemand die tegen geslachtsoperaties voor minderjarigen is? Dan ben ik maar een kwart transfoob. Ik begrijp dat er heel wat mensen zijn die vinden dat transvrouwen ‘eigenlijk’ mannen, en transmannen ‘eigenlijk’ vrouwen zijn, maar mij lijken dat kwesties van terminologie. Ik vind zulke discussies meestal de moeite van het voeren niet waard, al ergert het mij als een woordkeus, zoals 
transfoob’, de plaats inneemt van argumenten, of nog erger, als ze dient om een discussie af te sluiten. Jij bent transfoob, ik praat niet meer met jou.

‘Omvolking’
     Ik had ooit een discussie op FB over migratie. Daarbij botste ik tegen het volgende argument aan: ‘Dus jij gelooft de fascistische omvolkingstheorie!’ Daar stond ik dan.
     Paul Cliteur splitste ooit het begrip ‘omvolking’ op in vier componenten: (1) Er vindt massamigratie plaats. (2) Door de massamigratie verandert de cultuur in het land van ontvangst. (3) Deze cultuurverandering heeft overwegend negatieve consequenties. (4) Deze cultuurverandering is gepland.*** 
     In een discussie over (4) heb ik niet veel zin. Ik geloof niet in dat geplande, en wie er wel in gelooft zal wel véél meer argumenten hebben dan ik. Good for them. Maar (1), (2) en (3) zijn voor mij de moeite om er genuanceerd over na te denken. ’t Zijn discussies die je niet beslecht door een woord uit te spreken alsof het een bezwering was, noch met een verwijzing naar de nazi’s die naar het schijnt dat woord ook gebruikten. De nazi’s waren trouwens, als ik het goed begrepen heb, vóór omvolking. 

‘Genocide’
        Tegenstanders van Israël vinden dat Israël onvoorwaardelijk moet worden veroordeeld omdat het land ‘genocide’ pleegt. Maar het is omgekeerd. Het is omdat men Israël onvoorwaardelijk veroordeelt, dat men het proportioneel zeer grote aantal burgerslachtoffers – dat niemand betwist – tegen elk zindelijk taalgebruik in ‘genocide’ wil noemen. 

 

 

* Over mijn bekering tot het agnosticisme, zie mijn stukje hier. Een intelligente verdediging van het theïsme vindt men in Nozicks boek The Examined Life, met inclusief een soort Godsbewijs. Nozick beschouwt zichzelf weliswaar voor minstens 70 procent als een atheïst. 

**Ik heb begrepen dat Glucksmann in zijn antiliberalisme nu zo ver is gegaan dat hij zijn steun aan het Nouveau Front Populaire toezegt. Ik hoop natuurlijk dat Prévot die weg niet opgaat. 

*** Zie hier voor het stuk van Cliteur. 

Vijfjaarlijkse screening van militairen

     Wat is die Peter Mijlemans een idioot! Gisteren kregen we per vergissing Het Nieuwsblad in de bus in plaats van De Standaard, en daar stond hij, op bladzijde 2, met zijn commentaar ‘Het surrealisme voorbij.’ De krant berichtte uitgebreid op de eerste en de vijfde pagina over het plan van defensieminister Ludivine Dedonder om militairen vijfjaarlijks te screenen op extremistische ideeën. Blijken ze er zulke ideeën op na te houden, dan worden ze uit het leger gezet en kunnen ze eventueel in een andere overheidsdienst aan de slag.
     Dat laatste is niet naar de zin van Mijlemans. Het is hem te mild. ‘Iemand, schrijf hij, die wordt gescreend als potentieel extremist, racist of seksist hoort op geen enkele overheidsdienst. Wat Dedonder doet, is klein en gevaarlijk afval bij de buren dumpen.’
     Begrijpt Mijlemans nu werkelijk niet dat een staatsgevaarlijk individu meer brokken kan maken als hij toegang heeft tot wapens en militaire training, dan als hij ergens telefoons opneemt, dossiers klasseert of stempels plaatst?  En dat je hem echt niet minder staatsgevaarlijk maakt door hem te verbieden voor de overheid te werken? Ik wil als het moet nog een uitzondering maken voor politie en onderwijs, maar in zijn algemeenheid is  Peter Mijlemans pleidooi voor een Berufsverbot een directe aanval op de liberale democratie. Ik zal Mijlemans niet staatsgevaarlijk noemen, maar in deze kwestie is hij in elk geval een extremist.
     Nu valt er op het voorstel van Dedonder zelf ook wel iets aan te merken. De gewraakte kenmerken, lees ik in de krant, zijn ‘extremisme, racisme en seksisme.’ Die twee laatste zou ik al meteen laten vallen, want we weten sinds Conner-Rousseau-in-Het-Hemelrijk dat je best een beetje racist en een beetje seksist kunt zijn, zonder ook extremist te zijn. Iemand die vindt dat vrouwen beter niet buitenshuis werken, iemand die van zijn vrouw echtelijke trouw eist maar zelf voortdurend een scheve schaats rijdt, iemand die voortdurend schunnige opmerkingen maakt, zo iemand is voor mij een vuile seksist, maar daarom is hij als militair niet noodzakelijk staatsgevaarlijk. Eigenlijk zou dat staatsgevaar – breed of smal gedefinieerd – het enige criterium van zo’n screening mogen zijn.
     Daar komt nog iets bij. Door zon screening ontstaat er een rechtsonzekere situatie voor de gescreende militair. Het is Kafka light. De gescreende militair komt in de situatie terecht van Joseph K. Het staatsbelang staat voorop. De screnende instantie is niet transparant. De criteria zijn fluïde. De uiteindelijke beslissing wordt niet genomen door een onafhankelijke rechter. Er is geen aanklager of advocaat. Ik vind dat allemaal verdedigbaar. Maar het zijn wel goede redenen om toch een beetje gezond verstand na te streven en de draagwijdte van ingrijpende beslissingen te beperken, in dit geval tot een uitsluiting van het leger, maar niet tot een uitsluiting van elke overheidsfunctie.
     Zelf heb ik in het verleden ook van zo’n gezond verstand geprofiteerd. Ik was als Amada-militant geïnfiltreerd zou je kunnen zeggen in het paracommando-regiment. Een maand voor het einde van de opleiding werd ik gescreend en werd mijn, nou ja, staatsgevaarlijke status ontdekt. Ik werd, zonder dat ik mijn dossier mocht inkijken en zonder mogelijkheid van beroep, uitgesloten van de cursus Springstoffen en van het examen voor reserve-onderofficier. Ook werd beslist mij over te plaatsen naar de kazerne van Schaffen waar ik weinig contact had met andere miliciens. Allemaal terechte maatregelen, vind ik nu. Gelukkig werd de zaak niet op de spits gedreven. Ik kreeg de mogelijkheid om de opleiding verder af te werken en mijn muts en wings te behalen. Als ik stante pede uit het peloton verwijderd was geweest, zou ik dat onnodig en onrechtvaardig gevonden hebben.
     Als je géén rechten hebt, is het leuk als men je toch niet alles afpakt. 


donderdag 27 juni 2024

Anouk Aimée, en andere kortjes


Een held.
    
Vorige week is filmactrice Anouk Aimée overleden en twee dagen later overleed filmacteur Donald Sutherland. Anouk had een van die gezichten die ik nooit herkende. Als ik de naam niet had gelezen op de reclame-affiche of tijdens de opening credits, dan wist ik niet dat ze meespeelde. Bij Donald was het omgekeerd. Ik zou hem herkend hebben, ook met een valse neus en een pruik op zijn hoofd. Ik kende zijn naam nadat ik hem gezien had in Klute (1971). Zijn gezicht kende ik al langer. Het was dat van de gek in The Dirty Dozen (1967) en Kelly’s Hero’s (1970). De acteur had met Sean Connery gemeen dat hij door het verouderen een overweldigende présence kreeg, waarmee hij zelfs een flutfilm naar een hoger en waardiger niveau tilde. 
 
     Maar nu een andere vraag: hebben die twee, Anouk en Donald, nog samen in een film gespeeld? Van één film weet ik het zeker omdat ik die gezien heb: Bethune –  The Making of a Hero (1990). De film gaat over de excentrieke Canadese arts Norman Bethune (1890-1939), die vond dat er veel fout liep in de maatschappij. Naar aanleiding van een medisch congres bezocht hij Moskou, en hij stelde vast dat alles daar anders verliep dan hij gewoon was. Dan moest het wel goed zijn. Hij werd dus communist, en trok in 1937 naar China om als arts het Rode Leger – allez, het Achtste Routeleger – van Mao te ondersteunen. Hij overleed twee jaar later, en Mao hield toen een korte lofrede over het internationalisme en de ‘totale toewijding’ en ‘volkomen onbaatzuchtigheid van dokter Bethune. ‘Iedere communist moet van hem leren,’ zei Mao.
     Mao’s lofrede werd een van de ‘drie meest gelezen artikels’. ‘Leve de drie meest gelezen artikels!’ kon je tijdens de Culturele Revolutie lezen op Chinese muurkranten en spandoeken. Honderden miljoenen Chinezen hebben die drie korte teksten honderden keren moeten lezen, citeren, en gebruiken voor kritiek en zelfkritiek. Zelf herinner ik mij ook nog redelijk goed wat in die drie teksten staat. Communisten moeten hun stinkende best doen voor de revolutie, nooit opgeven, er nooit de kantjes vanaf lopen, en nooit klagen. Van de film herinner ik mij alleen de scène waarin Bethune les moet geven over de voortplanting – aan toekomstige verpleegsters geloof ik   en zijn broek uittrekt om zijn genitaliën te tonen. 

Fonds de commerce
          Ik schreef laatst een stukje over de fonds-de-commerce redenering die je wel eens aantreft bij geleerde politicologen. Ik heb het woord toen verkeerd gespeld, met het Nederlandse ‘fonds’ voor ogen. Maar voor de redenering zelf blijft mij intrigeren: de gedachte dat een politieke partij een kernthema heeft, dat ze zich daaraan moet houden, en dat ze over de kernthema’s van andere partijen beter kan zwijgen.
      Een van de moeilijkheden lijkt mij dat een kernthema altijd kan worden gekaapt door een extreme partij. Toen N-VA de regering verliet in verband met een migratie-kwestie werd het thema gekaapt door Vlaams Belang. Toen CD&V moeilijk ging doen rond stikstof, werd het thema gekaapt, alweer door Vlaams Belang. Nog een voorbeeld. Caroline Genez heeft herhaaldelijk haar steun betuigd aan de Palestijnse zaak. Dat thema heeft in Antwerpen niet haar partij, maar de PVDA veel stemmen opgeleverd. Hadden N-VA, CD&V en Caroline
Gennez zich koest moeten houden aangaande migratie, boeren en Gaza om de extremisten geen munitie te verschaffen? Ik weet het oprecht niet. Maar zouden de politicologen het wel weten?

Snel
     ‘Ha,’ zei mijn broer laatst tegen mijn vader (102), ‘dag van de ouderenmishandeling. Ik zal je vandaag maar niet slaan zeker.’ ‘Zeg dat tegen je moeder,’ antwoordde mijn vader, met de snelheid van iemand die met Howard Hawks-komedies is opgevoed.  

Fietshelmen
  
      Als ik op straat die jongeren zie met hun fietshelmen, zucht ik wel eens:  ‘Wat een geluk dat ik in mijn jeugd zo’n helm niet heb moeten dragen.’ Een rare gedachte eigenlijk, want toen ik opgroeide bestonden er geen fietshelmen. Dat ik iets niet moest dragen dat niet bestond, kon dus onmogelijk bijdragen tot mijn geluk. Ik wist niet beter. En dat ik nú geen fietshelm draag, is dat alweer weer iets waar ik niet speciaal gelukkig van word. Ik vergelijk mij als vrije bejaarde niet met die jongeren die naar hun ouders moeten luisteren.
     Het enige waar ik eigenlijk gelukkig van word is dat ik nu af ten toe kan zuchten: ‘Wat een geluk dat ik in mijn jeugd zo’n helm niet heb moeten dragen.’

AI
     Ik zou liegen als ik beweerde dat het doemdenken rond AI mij uit mijn slaap houdt. Maar ik word toch een beetje onrustig als ik lees wat Arthur Goemans schrijft in De Standaard. ‘De architecten van de AI-revolutie … stellen dat het naïef is om te denken dat we als mens in staat zijn om superintelligentie te controleren … Intussen slagen de AI-systemen er volgens verschillende studies wel steeds beter in hun makers te begrijpen en te misleiden.’
     Zal de mensheid verdrongen worden door de Machines? Bij films als The Matrix en The Terminator supporter ik, zonder al te veel fanatisme, voor de wat wilde, chaotische, onvoorspelbare mensheid, maar dat die mensheid aan het einde van die films de bovenhand haalt, vind ik altijd ongeloofwaardig.
       De idee dat de Machines het binnenkort zouden overnemen, vind ik griezelig, maar dat de mensheid op heel, heel lange termijn zou vervangen worden door een ‘hypercomplex en multidimensionaal neuraal net’ lijkt mij een onvermijdelijke en niet eens zo kwalijke evolutie. Bewustzijn is bewustzijn, of het nu van mensen of machines is. Beter bewustzijn van machines dan niets.
      Toen ik een jaar of zestien was heb ik het Asimov-verhaal ‘De laatste vraag’ gelezen. De mensheid stelt daarin tienduizenden jaren lang de vraag aan een steeds krachtiger wordende computer hoe de wet van de entropie kan worden omgekeerd. Uiteindelijk gaat de mensheid op in de megacomputer, en nadat ruimte en tijd opgehouden zijn te bestaan, wordt de vraag door de computer correct beantwoord.
     Misschien heeft Asimov mijn kijk op de wereld wel meer beïnvloed dan Lenin, Popper, Schopenhauer, Hayek en Nozick. 

Toxisch leiderschap
     Op dat Standaard-artikel over het psychologisch geweld dat Anne Teresa De Keersmaeker in haar dansgezelschap zou uitoefenen, reageerden mijn vrouw en ik heel verschillend.
     ‘Toxisch leiderschap, toxisch leiderschap …’ zei mijn vrouw, ‘dat is gemakkelijk gezegd. Uit ervaring weet ik één ding: het zijn nooit gemakkelijke mensen die in hun domein te top bereiken.’
      ‘Heb je erop gelet,’ zei ik, ‘dat ze op de foto geweldig lijkt op een elf uit Lord of the Rings?’




    

woensdag 26 juni 2024

Victimisme

 


     Susan Neiman is in haar essay Links  woke bijzonder scherp voor de ideologie van het victimismeVictimisme is voor haar het tegenovergestelde van humanisme. Als mensen het slachtoffer zijn van onrecht en onderdrukking, is het belangrijk dat ze niet op hun slachtofferrol worden vastgepind, maar dat ze zichzelf als volwaardige mensen zien die de rechten opeisen die volwaardige mensen toekomen. Ik heb hier enkele notities over dat onderwerp samengebracht. Daarbij geef ik in eigen woorden weer wat ik denk dat Neiman denkt dat woke inhoudt. Of ik al die gedachten juist weergeef, weet ik niet. Ik ben al blij als ik mijn eigen gedachten juist weergeef.

Mensen en mensenrechten
      Volgens Neiman is het best mogelijk om enkele essentiële kenmerken op te noemen die alle mensen met elkaar delen. Het vermogen om pijn te lijden is er een van. Een andere vond zij bij Rousseau: de wil om vrij te zijn. Ze had er nog het vermogen tot redelijk denken aan toe kunnen voegen. Maar in plaats van lang te filosoferen over wat de mens is, gaat ze liever nadenken over de rechten die een mens zou moeten hebben. ‘Whoever says humanity is making a normative claim,’ schrijft zij. Als je spreekt van dé mensheid bedoel je eigenlijk dat elk lid ervan bepaalde rechten zou moeten hebben, zoals het recht op leven, op eigendom en op vrijheid. Niemand mag je vermoorden, van je stelen of je tot slaaf maken. Tot hier zullen liberalen, socialisten en woke-aanhangers het met elkaar eens zijn.

Minderheidsrechten
     Voor woke-aanhangers bestaan er naast de algemene mensenrechten echter ook specifieke rechten voor minderheden, en met name voor minderheden die op een of andere manier slachtoffer van onderdrukking zijn. Neiman vindt die minderheidsrechten overbodig én gevaarlijk. Ze zijn overbodig omdat men pas slachtoffer kan zijn als ook een je algemene mensenrechten geschonden zijn. Ze zijn gevaarlijk omdat ze een precedent scheppen: als een minderheid aparte rechten opeist tegenover een meerderheid, kan die meerderheid daar een argument inzien om zelf ook aparte rechten op te eisen. In mijn parafrase: voor je het weet wordt black consciousnessbeantwoord met white pride en wordt black liberation beantwoord met white suppremacy

Individualisme
     Liberalen zoals ik hebben tegen de minderheidsrechten nog een derde argument dat Neiman als socialiste iets moeilijker kan uitspelen. Mensenrechten zijn immers, in de Verlichtingstraditie, in de eerste plaats individuele rechten. De liberale mensenrechten zijn rechten die het individu beschermen tegen verstikkende claims van de familie, clan, club, godsdienst, traditie, natie en staat. Die individuele rechten doen de collectieve claims niet verdwijnen, maar die claims krijgen een andere, minder omvangrijke rol in het harmonische geheel. Het individualisme kan daardoor positief worden beleefd, zonder dat het moet ontaarden in bruut of hypocriet egoïsme.

Homoseksualiteit
     Neiman zelf spreekt nergens, op één uitzondering na, over de status van homoseksualiteit. Ze spreekt dan zoals iedereen over de lbgtq-gemeenschap. Dat is misschien wat ongepast in het kader van een boek dat de groepsrechten bekritiseert. Homorechten zijn in elk geval een voorbeeld van de bevrijdende kracht van het individualisme en rationalisme, ook zonder rechten voor een of andere groep of gemeenschap.
     Bekijk het zo. In veel samenlevingen werd en wordt homoseksualiteit veroordeeld en bestraft. Die onverdraagzaamheid komt niet alleen voort uit viscerale afkeer, uit onwetendheid, of uit godsdienstige regels maar ook uit het gevoel dat het gezin ‘als hoeksteen van de samenleving’ door het bestaan van homoseksualiteit in het gedrang komt. ‘De maatschappelijke orde wordt bedreigd.’ Volgens Verlichtingsdenker Voltaire werd door homoseksualiteit zelfs het voortbestaan van de mensheid bedreigd. Nou ja, Voltaire had overal een mening over, en dan ga je al eens onzin beweren. Maar het belangrijkste in dit geval is dat Voltaire, ondanks zijn onzinnige mening, toch  pleitte voor een decriminalisering van homoseksualiteit.
      Die dubbele houding van de filosoof kwam voort uit een typisch verlichte, liberale, individualistische opvatting over strafrecht. Een indvididu kan maar gestraft worden als hij een ander individu of andere individuen schade berokkend heeft. Het inroepen van ‘schade aan de maatschappelijke orde’ wordt beschouwd als een vorm van intolerantie*. 

Black Lives Matter
     Volgens Neiman was de BLM-beweging tijdens de eerste maanden een universalistische beweging. Blanken én zwarten kwamen als gelijken op straat om te eisen dat de politie correcter zou optreden tegen zwarten, niet omdat ze zwart waren, maar omdat ze mensen waren. Blanken en zwarten kwamen samen, op gelijke voet, op voor een ‘kleurenblind’ ideaal**. Maar daar kwam verandering in. ‘Tegen de herfst van 2020,’ schrijft Neiman, ‘waren bij de woordvoerders van BLM haast geen universalistische geluiden meer te horen.’ Het werd geen strijd meer voor een ideaal, maar voor de ‘belangen’ van de zwarte gemeenschap, waarbij de blanken tot ‘bondgenoten’ werden gedegradeerd. 

Een eigen waarheid
     Het victimisme rechtvaardigt niet alleen dat minderheden speciale rechten maar ook een eigen waarheid. Woke-aanhangers spreken van positionality. Het slachtoffer neemt een bepaalde plaats in binnen het systeem, en vanaf die plaats kan het een waarheid zien die geprivilegieerden niet kunnen zien.  Neiman ontkent natuurlijk niet dat we aandachtig moeten luisteren naar wat slachtoffers of vermeende slachtoffers te vertellen hebben, vooral als er lange tijd niet naar hen werd geluisterd. Als je de waarheid wil kennen, moet je altijd luisteren naar alle versies, naar alle standpunten, naar alle ervaringen, en zeker ook naar die van de slachtoffers.
     Maar lijden en slachtofferschap op zich leiden niet tot een maatschappelijk inzicht. ‘We didn’t become wise in Auschwitz***,’ citeert ze ergens. Subjectieve beleving kan niet in de plaats komen van objectieve toetsing. Er bestaat geen aparte redeneerwijze voor slachtoffers, daders, achtergestelden, gepriviligieerden of neutrale toeschouwers**. Dezelfde regels van de logica en van bewijsvoering gelden voor iedereen, wat wel eens vergeten wordt door #MeToo-aanhangers die roepen ‘Victime on te croit.’ ****

 

 * Voor alle duidelijkheid,  ook een collectivistische maatschappij kan tolerant staan tegenover homoseksualiteit maar dan heeft die tolerantie andere oorzaken. 

 **  Neiman wil echter geen begrip opbrengen voor de slagzin ‘All Lives Matter’ omdat die volgens haar impliciet ontkent dat de zwarten vaker het slachtoffer zijn van geweld. Rationeel is dan weer haar verzet tegen de slogan ‘Defund the Police.’ De politie moet volgens haar juist meer financiële middelen krijgen om agenten op te leiden in minder agressieve technieken en conflictbemiddeling.
*** Dat doet mij denken aan de film Denial, die een historische rechtszaak tegen een negationist reconstrueert. De lichtjes hysterische heldin van het verhaal wil per se overlevende slachtoffers in de getuigenbank. Ze moet echter buigen voor de advocaat die terecht enkel experts wil laten getuigen.

**** Dat er geen aparte logica bestaat voor ‘onderdrukkers’ en ‘onderdrukten’ wordt ook met veel vuur verdedigd door rationalisten als Julien Benda en Ludwig von Mises. Mises spreekt over de absurditeit van het ‘polylogisme’. Benda daagt de marxisten uit om in de geschriften van de eigen grondleggers een redenering te zoeken die niet steunt op de klassieke logica. Terecht. Marx en Mises gebruiken dezelfde regels van de logica om de economie te beschrijven, en ze kunnen met dezelfde regels van de logica worden geëvalueerd. 

Over de slagzin ‘Victime on te croit’, zie ook mijn stukje hier.

dinsdag 25 juni 2024

Paul Goossens en de VB-kiezer, e.a.


Paul Goossens en de VB-kiezer

     Zwartkijker Paul Goossens heeft in zijn column van 21 juni het VB-succes in West-Vlaanderen geanalyseerd. Hij spitste zich daarbij toe op de gemeente Houthulst waar 38 procent voor VB stemde, terwijl er niet meer dan 1,3 procent niet-Europeanen wonen. Je zou kunnen zeggen dat die Houthulstenaars dat zo willen houden, omdat ze bij een occasioneel bezoek aan Kortrijk iets anders hebben gezien. Of dat in Menen, waar het aantal niet-Europeanen veel hoger is, ook 30 % op VB stemde. Maar dat is misschien een wat al te gemakkelijk antwoord.
      Mij gaat het trouwens om de volgende alinea: ‘Als in Houthulst meer dan 37 procent van de kiezers voor Vlaams Belang stemde, is dat wegens ... te weinig sociale woningen, te weinig openbaar vervoer, te weinig bankautomaten, te weinig koopkracht, en te veel stikstof.’
      Ik probeer mij de gemeente Houthulst voor te stellen, op een zondagvoormiddag bij de bakker. Ik kijk naar de mensen die voor en achter mij in de rij staan. Ik weet dat een kleine helft voor VB heeft gestemd. Ik probeer te raden wie. En daarna stel ik mij voor dat er in Houthulst onlangs een nieuwe wijk met sociale woningen is gebouwd, dat het aantal bussen is verdubbeld – waardoor de bezetting van 10 procent naar 5 procent is gedaald –  dat er een bankautomaat bij is gekomen aan de kerk, dat iedereen zijn inkomen de laatste 4 jaar met 6 procent heeft zien stijgen, en dat ten slotte de normen voor stikstof strenger (!) zijn geworden. En dan probeer ik te raden wie van die klanten bij de bakker nu als VB-kiezer afvalt.  

De toekomst van de PTB
      De PVDA heeft in Vlaanderen stemmen en zetels gewonnen, maar de PTB heeft er in Wallonië verloren. Dat Waalse verlies is onlogisch. De concurrenten 
 PS en Ecolo – zaten zowel in de federale als in de deelstaatregering. Voor een extreemlinkse partij is het altijd confortabel als de centrumlinkse partijen in de regering zitten. Dan kun je lekker oppositie voeren tegen je politieke rivalen; die kunnen immers nooit al hun linkse beloften waar maken. Daarvoor moeten ze te veel rekening houden met hun coalitiepartners en met de economische realiteit.
     En toch is de PTB dus achteruit gegaan. Daaruit blijkt dat het in de politieke analyse allemaal zo eenvoudig nog niet is, anders konden u en ik het ook. En wat zijn de toekomstperspectieven voor de PTB, nu PS en Ecolo niet in de regering zitten? Ziet de toekomst er niet heel slecht uit? PS en Ecolo kunnen nu zelf harde oppositie voeren tegen een zittende regering. Worden ze op die manier geen nog gevaarlijker concurrenten van de PTB?
     Ook dat is zo eenvoudig niet. Als die oppositie tegen een centrumrechtse regering de vorm aanneemt van vakbondsacties, algemene stakingen en grote manifestaties, dan kan de PTB daar best haar voordeel mee doen. Dat is een terrein waarop ze zich thuisvoelt. Het is haar fonds de commerce.

PS en PTB
 
     Volgens de analyse van geloof ik professor Walgrave nemen PS en PTB ongeveer dezelfde linkse plaats in op de sociaal-economische as*. De twee partijen zouden ook ongeveer hetzelfde soort kiezers aantrekken: arbeiders, lage ambtenaren, mensen die leven van een vervangingsinkomen. Als zulke partijen het beleid bepalen, is de kans groot dat de staatsschuld stijgt, wat ze verder ook in hun verkiezingsprogramma mogen beweren. De sociale uitgaven moeten omhoog, en de belastingen die die uitgaven moeten compenseren vallen in de praktijk altijd tegen.
     Ik zie echter, als het over die schulden gaat, een verschil in de filosofie van de twee partijen. De PS hoopt, naar het woord van Guy Mathot indertijd**, dat de schulden vanzelf zullen verdwijnen. Je zou daarin een naïef geloof in het kapitalisme kunnen zien. Bij de PTB is het net andersom. Daar is geen sprake van naïef geloof in het kapitalisme. Als de schuldenberg door een centrumlinks beleid groter wordt, dan bewijst zoiets alleen dat de problemen onoplosbaar zijn ‘binnen het kader van het kapitalisme.’ Quod erat demonstrandum. 

VB en PVDA
     In een korte televisiereportage werden de twee jongste verkozenen in het Vlaamse Parlement gelijktijdig geïnterviewd: Amina Vandenheuvel (PVDA) en Mercina Claesen (VB). Ze waren allebei 22 jaar en ongeveer even sympathiek. ‘Weet je wat je zult verdienen?’ vroeg de journalist. Het meisje van de PVDA antwoordde dat ze het inkomen van een gemiddelde arbeider zou krijgen.’ ‘Je zult hetzelfde verdienen als ik,’ antwoordde het VB-meisje, ‘maar je zult alles aan de partij afgeven.’ 0-1, vond ik. Wat later legde het PVDA-meisje uit welke problemen er zich in ons land allemaal voordeden met racisme. ‘Zouden we dan niet beter die problemen eerst oplossen voor we nog meer migratie toelaten,’ antwoordde het VB-meisje. 0-2.
     ’t Is een algemeen zwak punt van de extremere partijen op links: ze zijn van nature beter in discussies binnen het linkse kamp dan in links-rechts discussies. Bij Groen is het zelfs pijnlijk hoe de co-voorzitters overduidelijk alleen de taal van hun eigen achterban kunnen spreken. Het is bijna bewonderenswaardig dat Raoul Hedebouw en Jos d’Haese zich ondanks die handicap tot handige debaters hebben ontwikkeld.

VB, CD&V en het boerenvraagstuk
      Ik lees vaak bij linkse commentatoren dat N-VA er heel verkeerd aan doet als ze iets zegt over migratie. Dat is het fond de commerce van Vlaams Belang, heet het dan. ‘Alles wat N-VA daarover zegt, betekent stemmenwinst voor het VB. Kijk maar naar de stemmenwinst die VB in 2019 haalde nadat de N-VA de regering verlaten had vanwege het Marakesh-akkoord. Was dat geen fout van N-VA?’
      Ja, natuurlijk was dat een fout van N-VA, maar vooral om twee andere redenen: omdat de partij het symbolische belang van het akkoord te laat had ingezien, én omdat ze dacht dat de regering na het vertrek van de grootste partij snel zou vallen. Maar die sluwe vossen bleven gewoon zitten, schoven wat met de stoelen, en ruilden hier en daar een petje van staatssecretaris voor eentje van minister.
     Hetzelfde fond de commerce-probleem rijst bij CD&V en VB die vechten om de stem van de misnoegde boer. Behoort het boerenvraagstuk tot het fond de commerce van de christendemocraten of van dat van extreemrechts? Wie ‘bezit’ het thema? Degene die er het eerste bij was, of degene die er het luidste over kan roepen? De christendemocraten hebben de oudste claim op de stem van de boer, maar het VB kan als eeuwige oppositiepartij een radicaler geluid laten horen.
      Dan zou ik van de linkse commentatoren willen weten of Sammy Mahdi en Jo Brouns het bedje van VB gespreid door hun opzichtige manoeuvres rond het stikstofakkoord? Hebben ze daardoor voor stemmenwinst van het VB gezorgd, of zijn ze er zo in geslaagd om een deel van de landelijke stemmen te behouden? Allebei, geloof ik, maar ik zou niet weten welk effect het zwaarste heeft doorgewogen. 

Vivaldi als verliezer
     Mijn perceptie was dat Vivaldi de verkiezingen verloren had, en dat N-VA goed stand had gehouden. Maar sommige commentatoren, zoals Carl Devos, hebben de cijfers anders gegroepeerd. De Vivaldi-regering, zeiden zij, behield haar meerderheid, en de Vlaamse regering, met haar duidelijke N-VA-stempel, verloor haar meerderheid Ja, zo kun je het ook zien.
      Maar maakt de kiezer in het stemhokje echt zoveel onderscheid tussen de Vlaamse regering en de federale regering? En dan nog. De Vlaamse regering verloor haar meerderheid door het verlies van de Vlaamse liberalen. Dat verlies was ongeveer hetzelfde op het Vlaamse als het federale niveau, en de oorzaak ervan was dat de partij haar campagne had opgehangen aan de persoon van Alexander – Vivaldi – de Croo.  En omgekeerd: de federale regering behield haar meerderheid door de winst van de Waalse liberalen, die bij monde van Bouchez, stevig oppositie hadden gevoerd tégen de Vivaldi-regering.
     Stembusuitslagen zijn meestal een doorslagje van de vorige stembusuitslagen, met enkele procenten verschuiving van partijen A, B en C naar partijen X, Y en Z.  Echte schokgolven komen ook voor, maar ze zijn zeldzamer. En de verschuiving-in-procenten van 9 juni laat zich volgens mij nog het beste lezen als een nederlaag voor Vivaldi. Er waren trouwens zelfs vóór de verkiezingen geen partijen meer, buiten de PS, die het Vivaldi-project nog verdedigden. En juist die PS heeft ook verloren.

Vlaamse regering
 
     Omdat vijgen na Pasen het beste smaken, heb ik de televisiedebatten in uitgesteld relais bekeken. Ik hoorde bij verschillende gelegenheden de socialisten heftig uithalen naar de Vlaamse regering. ‘Onderwijs en Zorg waren een ware puinhoop.’
     Dat was een debat dat De Wever wellicht had kunnen winnen met enkele slimme cijfers en een paar goede oneliners, maar hij deed iets veel beters: hij zweeg over de hele kwestie. Als je beweert dat de inzet van de verkiezingen het federale niveau is, mag je je niet laten meelokken in een discussie over het Vlaamse niveau.
  

Twee democratieën
     Als België zoals Nederland één democratie was, hadden we nu een regering met N-VA, Vlaams Belang, liberalen en christen-democraten. 

N-VA, VB en een derde partner
      De trouwhartige flamingant Pieter Bauwens schetst op Doorbraak redelijk overtuigend de nefaste effecten van het cordon sanitaire rond Vlaams Belang. Je kunt zijn stuk lezen als een oproep tot N-VA om een coalitie te vormen met VB. Daar denk ik het mijne over.
     Kijk, over het lokale niveau durf ik niets te zeggen, maar op Vlaams niveau is zon samenwerking alleen mogelijk als er onder de traditionele partijen een derde partner wordt gevonden. Zonder derde partner valt er niet aan te beginnen***. Zelfs voor een niet onbelangrijk deel van de N-VA-kiezers zou een as tussen de twee partijen zonder derde partner niet aanvaardbaar zijn. Halen de twee partijen nu apart 48 procent van de stemmen, samen komen ze wellicht met moeite boven de 40 procent.
     In de uitleg van Bauwens wordt N-VA vooral gehinderd door haar angst voor de linkse journalisten. Die zouden vijf jaar lang ‘een mediastorm’ ontketenen. Dat is ongetwijfeld waar, maar ’t is een veel kleiner probleem dan dat van de ontbrekende derde partner.

Centrumrechts of centrumlinks
     Bauwens beweert verder dat Vlaanderen rechts heeft gestemd en, als resultaat van het cordon, een centrumlinks beleid zal krijgen. ‘Rechts gestemd’ lijkt mij een nuchtere vaststelling. Daarvoor tel je de stemmen van VB, N-VA, plus een deel van CD&V en een deel van OpenVld samen. ‘Centrumlinks beleid’, dat kan worden genuanceerd. Op het hierboven vermelde assenstelsel staat Vooruit sociaal-economisch links van VB. Vooruit in de Vlaamse regering zou het beleid dus in centrumlinkse richting trekken, maar dat beleid zou, gezien het gewicht van N-VA en CD&V, in het centrum-centrum moeten eindigen.
      ‘Hopelijk heb ik ongelijk,’ schrijft Bauwens nog, ‘maar met Vooruit ernstig de begroting aanpakken? Dan moet je al hopen dat de EU streng is en ze geen andere keuze hebben.’ Ik zie het probleem, maar de EU is nu eenmaal redelijk streng. En dan is er nog een andere vraag. Zou het met VB makkelijker zijn om de begroting aan te pakken? Dat ben ik nog niet zo zeker. Misschien zou het met VB inderdaad handiger zijn om de ‘subsidies voor de zuilen’ aan te pakken, maar er zijn echt wel andere besparingen nodig dan deze –  besparingen die heel ver liggen van de sinterklaaspolitiek die VB in haar verkiezingsprogramma voorstelde. (Zie echter ook mijn volgende paragraaf)

Het discours van extreemrechts
     Elke partij heeft geloofspunten die ze in haar discours overdrijft dan wel wegmoffelt. Bij VB en andere extreemrechtse partijen heb ik de indruk dat het antikapitalisme overdreven, en het anti-atlantisme weggemoffeld wordt. De Poetin-liefde wordt verloochend, en de sociale bekommernissen worden in de verf gezet. Kijk naar het Rassemblement National in Frankrijk, met zijn extra belasting op de banken en zijn verlaging van de pensioenleeftijd. Maar ondertussen neemt hun kopman Jordan Bardella nu al gas terug door ‘budgettaire redelijkheid’ te beloven. En dat dus vóór de verkiezingen.
     Anderzijds: zelfs als partijen als VB en RN sociaal-economisch minder links zijn dan ze laten uitschijnen, zijn ze op dat gebied nog altijd linkser dan bijvoorbeeld Bouchez, Macron of de hele ontslagnemende OpenVLD-top.

Het Europese resultaat van VB
     Als er een voorspelling was waar ik geld op had durven inzetten, was het dat VB een beter resultaat zou halen voor haar Europese lijst dan voor haar andere lijsten. Ik heb nogal wat FB-vrienden die Europees voor VB stemden om op een radicale manier lucht te geven aan hun ongenoegen, maar die het Vlaamse en zeker het federale niveau te belangrijk vinden voor symboliek. Dat verschil had voor mij gerust nog wat groter mogen zijn. 

Voor U
     Vóór de verkiezingen heb ik zo weinig mogelijk gelezen van de politieke reclame die elke morgen in onze brievenbus stak. Daar was onder andere een brief bij, onder gesloten omslag, van een Voor U-kandidaat. Ik was daar een beetje bang van. Was Voor U geen liberaal initiatief? Duchatelet was van plan om voor die partij te stemmen. Misschien was het programma mij wel op het lijf geschreven, en dan kwam ik als N-VA-stemmertje in gewetensnood.
     Ik heb de brief van de Voor U-kandidaat pas een week na de verkiezingen geopend. De kandidaat was tegen de hoge opstapvergoedingen voor ‘afgedankte politiekers’, en tegen lichte straffen voor sadistische studentendopers, dronken voetballers achter het stuur, groepsverkrachters, en vrienden van ministers die tegen een combi plassen.
    Achteraf gezien had ik de enveloppe best kunnen openmaken vóór 9 juni. Mijn angst was onterecht. Er stond op de brief overigens nog een QR-code die ik kon scannen, maar dat heb ik niet gedaan.

 

 

* Over dat assenstelsel, zie ook mijn stukje hier.

** Voor de jonge lezers. Guy Mathot was een PS-kopstuk in de jaren 80 en 90. Hij deed ooit de historische uitspraak: “Dat gat in de begroting is er vanzelf gekomen en zal wel vanzelf weer weggaan ook.”

*** Ook op federaal niveau maakt een derde partner het verschil. Als Vooruit, CD&V, Open-Vld of Groen die derde partner zou zijn, wordt het voor PS, MR, Les Engagés of Ecolo moeilijker om een absoluut njet te handhaven.

zondag 23 juni 2024

Susan Neiman: universalisme vs. identiteit


      Tegenover de huidige mode van woke stelt Susan Neiman in haar recente pamflet een aantal ouderwetse liberale waarden en als eerste daarvan behandelt ze het universalisme. Meer bepaald hekelt ze dat woke - de rechtse logica volgt van nodeloos mensen in hokjes op te delen (identity politics)- speciale rechten afleidt uit slachtofferschap (victimisme) - slachtoffers een superieure aanspraak op een eigen waarheid toekent (positionaliteit) - de Verlichting ten onrechte een racistische en kolonalistische mentaliteit toeschrijft (dekolonisatie).
      
Zoals Gerard Reve het ‘in grote lijnen’ eens was met God, ben ik het in dezelfde grote lijnen eens met Neiman. Bij de kleine lijntjes heb ik enkele opmerkingen. 

Identiteit
     Het universalisme van Neiman komt grotendeels tegemoet aan mijn foi du charbonnier van ouderwetse liberaal. Neiman begint echter haar uiteenzetting met een naar mijn smaak overdreven relativering van het begrip identiteit. Ze beroept zich op de bekende redenering dat onze identiteit noch onveranderlijk noch homogeen is. Wij zijn eerst kind, dan puber, dan volwassene. Wij zijn zoon of dochter en worden later vader of moeder. Wij zijn man of vrouw, blank of zwart, werkgever of werknemer, maar hebben daarnaast een politieke en godsdienstige overtuiging. We zijn burger van een land maar ook fan van een voetbalclub of van een muziekstijl. Dat zijn allemaal verschillende identiteiten.
     ’t Is waar natuurlijk. Maar voor het maatschappelijk functioneren zijn niet alle identiteiten even belangrijk. Mark Elchardus heeft vanuit een sociaal-democratische visie betoogd waarom specifiek de nationale identiteit belangrijk is voor een goed functionerende samenleving. Enigszins gelijklopend maar beter aansluitend bij mijn liberale geloof  is de korte verhandeling Identiteit van Boudewijn Bouckaert*. Daarin pleit hij voor een ‘liberaal nationalisme’ dat zich van het nationalistisch nationalisme onderscheidt door de onderschikking van de nationale volkswil aan de universele mensenrechten, de verwerping van het economisch nationalisme en de welwillende maar kritische houding tegenover supranationale instellingen.  

Daardoor, schrijft Bouckaert, ‘krijgt het liberaal nationalisme een kosmopolitische verdieping. De liberale ‘demos’ van de natiestaat is een springplank naar het kosmpolitisch humanisme. Hij moet wellicht nog voor een lange toekomst gekoesterd worden, want als de sprong dreigt te mislukken is het goed op de springplank terug te kunnen vallen.’

       Zowel Elchardus als Bouckaert vinden de natiestaat nuttig als eenheid om de verplichte solidariteit onder de burgers te organiseren. Maar aangezien die verplichte solidariteit voor de liberaal Bouckaert minder ver gaat dan voor de sociaal-democraat Elchardus, is het voor Bouckaert makkelijker om die op een grotere schaal mogelijk te achten. 

Internationale solidariteit
     Neiman claimt het begrip universalisme voor het linkse kamp.  De eerste zin van het hoofdstuk luidt: ‘Laten we beginnen met het idee van universalisme, dat ooit zo kenmerkend was voor links: internationale solidariteit was het wachtwoord.’ Voor mij wordt hier een grote sprong gemaakt van universalisme naar internationale solidariteit’. Ik denk daarbij dan aan de maoïstische jeugdkampen waar ik 50 jaar geleden aan deelnam. Als er Duitsers bij waren riepen we steevast voor elke maaltijd: Hoch / die / Internationale / Solidarität.
      Over die linkse invulling van het universalisme kreeg ik laatst een interessante reactie van Geraard Goossens. Die  verwees naar het lemma ‘Gauche’ in het abecdearimum van Gilles Deleuze. Ook Deleuze zag het universalisme in een erg links licht.‘

Je moet,’ parafraseert Goossens, ‘een onderscheid maken tussen een universele habitus, typisch voor links, en een egocentrische, typisch voor niet-links. Zo weet iedereen dat er in de wereld miljoenen mensen arm zijn en honger hebben. Links is degene die niet bereid is dit gegeven zomaar naast zich neer te leggen, maar vindt dat eerst en vooral dit 'structurele' probleem moet worden opgelost. Voor iemand die links is, is namelijk in eerste instantie de hele wereld van belang, pas dan Europa, pas dan het eigen land, daarna de eigen stad, dan de eigen straat en - helemaal op het laatst - het eigen individuele bestaan, tussen de eigen vier muren.Niet-linksen, zegt Deleuze, doen het op een tegenovergestelde manier. Zij gaan uit van hun eigen, private adres, blijven daar staan en vragen zich af wat er moet gebeuren opdat de voordelen die ze ervaren – niet arm zijn en geen honger hebben, bijvoorbeeld – kunnen blijven bestaan.’

     Het liberale universalisme is véél, véél minder ambitieus dan wat Deleuze aangeeft. Het houdt in dat je de regel Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook den ander niet universeel toepast, ook als die ander een vrouw, een homoseksueel, een medemens van kleur, of een bewoner van een ver, exotisch land is. Dát universalisme is genoeg om je verre te houden van het uitroeien van indianenstammen, het voeren van opium-oorlogen, en het opleggen van dwangarbeid aan Congolezen. Het sluit overigens de mogelijkheid van ambieuzere internationale solidariteit niet uit, want het liberalisme verplicht niemand tot een ‘egocentrische habitus’. Wie wil kan dus, mocht de Spaanse burgeroorlog zich herhalen, geheel vrijwillig als soldaat gaan vechten aan de zijde van Podemos of als verpleegster de gewonde strijders van Vox gaan verzorgen.

Kosmopolitisme
       ‘Kosmopolitisme’ is een besmet woord. Neiman vermijdt het. Het wordt vaak gebruikt om een culturele elite aan te duiden die niet hoog oploopt met de eigen nationale cultuur en in plaats daarvan een cultuur bij elkaar sprokkelt van overal ter wereld.  Elchardus spreekt van kosmopolieten als hij de multiculturalisten en de open-grenzers bedoelt. Onder Stalin en zijn opvolgers was het een codewoord voor Joden.

Fake universalisme
     Een socialistische klemtoon bij Neiman vindt men ook in haar kritiek op het fake universalisme. Daarmee bedoelt ze het ‘neoliberale imperialisme dat ons in naam van corporate globalism ervan probeert te overtuigen dat de sleutel tot het menselijke geluk een universeel grootwarenhuis is.’
      Het liedje klinkt mij bekend in de oren. de Derde Wereld wordt door de imperialisten misbruikt als grondstoffenleverancier, als vestigingsplaats voor multinationals en, stel je voor, als afzetgebied. ’t Is vooral die laatste kritiek die mij zo eigenaardig lijkt: dat men de mensen in de Derde Wereld ongelukkig zou maken door hen mobiele telefoons, televisietoestellen, elektrische apparaten en gemotoriseerde voertuigen te verkopen.

Tribalisme
     Neiman plaats het universalisme van de verlichting tegenover het ‘tribalisme’ – de stammentaliteit. Historisch heeft dat niet veel zin. Om nogmaals Bouckaert te citeren: ‘Sinds een duizendtal jaren speelt de tribaal-etnische ‘demos’ geen rol meer in het Europese politieke leven**.’ Maar aangezien de mensheid vele duizenden jaren in stamverband heeft samengeleefd kunnen we niet uitsluiten dat identitaire denkwijzen teruggaan op evolutionair ingesleten tribale reflexen. Dat kan echter niet de verklaring van Neiman zijn voor wie evolutionaire psychologie niet veel meer is dan als wetenschap gepresenteerde charlatanerie.
     Uiteindelijk blijft het begrip tribalisme dan alleen overeind als metafoor, als een verzamelbegrip voor alle soorten nationalisme, religieuze sektevorming, traditionele normen in niet-Westerse samenlevingen, verzuilde instellingen (de ‘moderne massa-partijen’) en nu dus ook voor actieplannen van minderheden met specifieke noden. Als men die onder de noemer van tribalisme wil onderbrengen, vooruit, maar het zal niet veel verhelderen.

Essentialisme
     In haar pleidooi voor het universalisme haalt Neiman de woorden aan van de conservatief Joseph de Maistre die in 1797 schreef: ‘Er bestaat in deze wereld niet zoiets als een mens. Ik heb in mijn leven Fransen ontmoet, en Italianen en Russen, enzovoort. Ik weet zelfs, dankzij Montesquieu, dat men een Pers kan zijn. Maar wat de mens betreft, beweer ik stellig dat ik die in mijn leven nooit tegengekomen ben. Als hij bestaat is, is het buiten mijn weten om.’ Neiman gaat daar natuurlijk niet mee akkoord.
     Hiermee komen we in een moeilijke filosofische discussie terecht. Identiteitsdenkers beweren dat er niet zoiets bestaat als dé mens, en universalisten beweren dat er niet zoiets bestaat als dé Fransman, dé Italiaan en dé Rus. Ze verwijten elkaar ‘essentialisme’ en dat is, geloof ik, in de filosofie een even groot scheldwoord als ‘dualisme’. Ik sta hier eerder aan de kant van de universalisten, maar ik ga daar geen ruzie over maken als ik een geschoolde filosoof tegen het lijf loop.

 * Het opstel van Bouckaert kan men hier ophalen. 
** Het Germaanse tribalisme is na de vroege middeleeuwen vervangen door religieuze en territoriale structuren. Tegen de tijd van de verlichting bleef daar niet veel meer van over. Dat is anders als we kijken naar de Atheense maatschappij van de 5de  en de 4de euw voor christus. Popper verwijt Plato dat zijn staatstheorie gericht is tegen de vernieuwende open maatschappij van Athene die pas vrij recent een einde aan het tribalisme had gemaakt)

donderdag 20 juni 2024

Standaardtaal en tussentaal (longread)

Algemeen Schoon Vlaams

       Toen ik naar school ging was ABN – Algemeen Beschaafd Nederlands – nog een vanzelfsprekend ideaal. Er bestonden ABN-clubs, ons spraakkunstboek heette ‘Kleine ABN-syntaxis’, in de gangen hingen bordjes met de wervende boodschap ‘Spreek ABN’. De West-Vlaamse chansonnier Will Tura probeerde zich met een correcte a-klank ook in andere provincies aanvaardbaar te maken. De Oost-Vlaamse boerenzoon Wilfried Martens bereidde zich met een soortgelijke a-klank voor op een carrière in de landelijke politiek. ABN was het middel om de grenzen van dorp en klasse te overstijgen. Het was een middel tot emancipatie.
     Niet iedereen slaagde erin om dat ideale ABN te beheersen. West-Vlamingen als de communistenleider Ludo Martens en de zakenadvocaat Louis Verbeke konden het wel – ze spraken een Nederlands dat leek op dat van Boudewijn de Groot; andere West-Vlamingen, zoals ikzelf, bleven, zelfs na drie jaar dictie aan het conservatorium, hangen in een tussentaal waarin één keer op de drie een ‘g’ met een ‘h’ wordt verwisseld, en een keer op de twee een ‘ei’ als een ‘è ‘wordt uitgesproken. In andere provincies kreeg je een soortgelijk verschijnsel, er ontstonden brede regionale varianten en uiteindelijk begonnen die naar elkaar toe te groeien om een soort Algemeen Schoon Vlaams te vormen.
     Ik heb dat Algemeen Schoon Vlaams voor mijzelf altijd als een vorm van onkunde ervaren. Maar toen ik leraar Nederlands werd, merkte ik tot mijn verbazing dat de nieuwe schoolboeken, onder invloed van taalsociologen, zoetjesaan begrip kregen voor wat zij de ‘tussentaal’ noemden. Ze beschouwden het als een ‘register’ dat geschikt was voor bepaalde situaties en niet voor andere. Ik moest mij geen zorgen maken. Met mijn ouders kon ik dialect spreken, met mijn vrouw en kind kon ik een tussentaal hanteren, en voor de klas moest ik AN - Algemeen Nederlands – spreken. De B van ABN was in de nieuwe egalitaire tijden weggevallen: dialectsprekers of tussentaalsprekers mochten niet impliciet als onbeschaafd worden omschreven.
     De nieuwe schoolboeken legden uit dat alles om ‘keuzevaardigheid’ en ‘register’ draaide. De leerlingen moesten vooral leren dat ze hun register moesten kiezen naargelang de ‘sociale afstand’.  Dialect was voor bij de grootouders, de tussentaal voor thuis en het ABN voor school. Ze mochten die situaties niet met elkaar verwisselen. Als ze bijvoorbeeld ABN gebruikten tegen hun landbouwende grootouders maakten ze een registerfout. Ze hadden de ‘sociale afstand’ overschat. Tegenover de leraar moesten ze dan weer niet met dialect of tussentaal afkomen, want dan hadden ze de sociale afstand onderschat. Wat ze onder elkaar moesten spreken, stond in een ander hoofdstuk uitgelegd, dat over ‘jongerentaal’.
     Die registeruitleg over dialect, tussentaal en standaardtaal bevalt mij niet. Ze is, vind ik, een capitulatie voor le fait accompli, en het argument waar ze op steunt is verkeerd. Ik geef toe dat de feitelijke toestand juist wordt weergegeven. Zo dom zijn die sociologen ook niet. Ik spreek inderdaad min of meer dialect met mijn ouders, tussentaal met mijn vrouw en kind, en toen ik voor de klas stond probeerde ik ABN te spreken. Maar door tussen die drie varianten te laveren, is er geen enkele die ik zuiver kan gebruiken. 
     Zo heb ik drie voltooide deelwoorden voor het werkwoord ‘eten’. In mijn dialect is het ‘kê heetn’, in mijn tussentaal is het ‘ik eb geëten’ en in mijn ABN is het ‘ik heb gegete’. Ik weet perfect waar die verschillende vormen zijn aangewezen. Met mijn situationele keuzevaardigheid is alles in orde. Mijn taalvaardigheid daarentegen … Eens om de zoveel keer zeg ik tegen mijn vrouw ‘ik eb heëtn’, en zei ik in de klas ‘ik eb geëten’, of misschien zelfs ‘ik eb heëten’. Zou het niet veel eenvoudiger zijn als ik altijd ‘ik heb gegete’ probeerde te zeggen? Niet dat het zal lukken in de jaren die mij nog resten, maar elegant pianospelen zal mij ook niet meer lukken en toch blijf ik proberen. En ’t gaat trouwens niet om mij maar om de volgende generaties.

Bekakt spreken

    Voorstanders van het Algemeen Schoon Vlaams halen aan dat die tussentaal voldoende is om je in heel Vlaanderen verstaanbaar te maken. Dat is waar. Als je als Vlaming van om het even welke provincie naar Thuis of Familie kijkt, kun je die series volgen zonder onderschriften. Dat ze je in Nederland schattig vinden als je zo spreekt, laten de Schoon-Vlaamsmensen niet aan hun hart komen. Ook halen ze aan dat wie op de tram het Nederlands van Martine Tanghe nabootst, wel erg bekakt klinkt*. 
     Dat laatste is alweer waar en het heeft twee oorzaken. We zijn op de tram niet gewoon om ABN te horen, en, belangrijker, de persoon die Martine Tanghe nabootst is ook niet gewoon, of altijd gewoon geweest, om ABN te spreken. Hij of zij beheerst het ABN niet  goed genoeg om het natuurlijk en niet-bekakt te laten klinken. Bij Marc Uyterhoeven klonk het ABN natuurlijk. Maar bij Senne Rouffaer in Kapitein Zeppos hoorde je al de inspanningen die de acteur zich had getroost tijdens de dictieles aan het Conservatorium. Als je Conservatorium moet volgen, is het beste wat je kunt hopen dat je kinderen of kleinkinderen goed ABN spreken. 
     Soms kun je echter wel een klein succes boeken op de weg naar correct-maar-toch natuurlijk. Toen ik aan mijn studies in de Germanistiek begon, moest ik voor een persoonlijke taaldiagnose bij Fons Fraters langsgaan. Ik moest een tekstje voorlezen en Fraters was de mildheid zelve. ‘Niet slecht,’ zei hij. ‘Je moet wat beter diftongeren. Het is ‘peil’ en niet ‘pèl’. En let wat op met je eind-n. Jij zegt als West-Vlaming ik wil je sprek’n. Die fout maakt men ook in Groningen. Beter is om die eind-n gewoon weg te laten vallen. Ik wil je spreke.’ Ik probeerde het thuis, en ik schrok van mijzelf. Spreke, spreke … zo onnatuurlijk! Later, toen ik les gaf in het Mechelse, merkte ik dat al mijn leerlingen spreke, spele en lope zeiden, zonder ook maar enigszins onnatuurlijk of bekakt te klinken. Ik denk dat ik het op de duur ook onder de knie heb gekregen, met natuurlijk af en toe nog eens een keertje spreken, en, als ik snel begon te praten aan het einde van de trimester, het gebeurlijke sprek’n.
     In het algemeen bestaat er in het huidige Vlaanderen een kloof tussen de taal van de Nieuwslezer op televisie en de taal van de huiskamer waar die televisie staat. De Schoon-Vlaamsmensen lijken die kloof als een onvermijdelijk en onveranderlijk gegeven te zien. Maar om te beginnen is die kloof niet onvermijdelijk. Kijk naar Amerika. Ik zal niet ontkennen dat de visserszonen en -dochters van Martha’s Vineard een andere taaltje spreken dan de rijke New-Yorkers die er hun yacht hebben liggen. Of dat er niet iets bestaat als Black English. Maar er zijn ook gebieden veel groter dan Vlaanderen, en met veel meer inwoners, waar het huiskamer-Engels ongeveer hetzelfde klinkt als het fameuze Network English. Voor Amerikaanse soaps laat zich dan ook de nood niet voelen om een andere taal te gebruiken dan voor de nieuwsuitzendingen**. Niemand vindt dat die soapacteurs ‘bekakt’ spreken. Misschien spreken ze te ‘wit’, dat kan, maar zo spreken ze thuis ook.
     Verder zijn taalkloven niet onveranderlijk. Vroeger had elk dorp een ander woord voor ‘honing’ of ‘hoefijzer’. Dat is verleden tijd. De dialecten sterven af, grotendeels vanzelf,  en daarmee is in Vlaanderen heel veel taal naar elkaar toegegegroeid. Niet alleen lijkt de dagelijkse taal van West-Vlaamse dertigers nu beter dan vroeger op die van Antwerpse dertigers, ze lijkt zelfs beter, als je erover nadenkt, op die van Hollandse dertigers. Dat naar elkaar toegroeien zie je ook in andere delen van de wereld. Ik geloof dat het Amerikaanse Engels vandaag dichter staat bij het Britse Engels dan dat honderd jaar geleden het geval was, toen Mencken zijn American Language schreef. ABC en BBC zijn naar elkaar toegegroeid.
     Maar wat naar elkaar kan toegroeien, kan ook weer uit elkaar groeien, en dat is nu het geval voor Vlaanderen en Nederland. Ik kijk nooit meer naar Nederlandse zenders. Maar toen ik nog keek, had ik de indruk dat zich daar ook een soort Soaphollands ontwikkelt, zoals bij ons het Soapvlaams. Ik kon het in elk geval niet zo goed begrijpen. Walt Disney-films voor kinderen worden nu apart in het Soaphollands en het Soapvlaams gedubd. Ik veronderstel dat een correcte Nederlandse versie zowel voor Vlaamse als Nederlandse kinderen als ‘bekakt’ zou overkomen. Ik kan dat alleen betreuren.
     Het Soapvlaams met zijn eigen uitspraak en woordenschat terugdringen en vervangen door een meer ABN-variant is een werk van lange duur. De Antwerpenaar heeft zich stap voor stap ontdaan van zijn dialectisch ‘oe iete gaai’ en zegt nu meestal ‘oe noemde gij’. Nu moet hij weer een driedubbele hindernis nemen om nog meer vooruitgang te maken: hij moet leren dat ‘noemen’ hier toch weer ‘heten’ moet worden, hij moet voldoende geconcentreerd zijn om ‘oe’ als ‘hoe’ uit te spreken en de ‘de’ te laten vallen, en hij moet de emotionele hindernis nemen om de ‘ge’ te vervangen door het Hollandse ‘je’. ’t Is erg moeilijk. En voor de West-Vlaming is het nog moeilijker, want als hij zich al de inspanningen van de Antwerpenaar heeft getroost, komt hij nog uit op ‘Goe geet jij?’
    De kwestie hier is deze: de doorsnee Vlaming wil niet klinken als een Batavier of een Kaninefaat, behalve als hij een paar jaar onder hen heeft gewoond. De Vlaamse straatrover die enkele jaren in Amsterdam zijn beroep uitoefende, komt naar zijn geboortestreek terug en zegt spreekt voorbijgangers aan met: ‘Cheif mij je cheld of ik maak je doowd.’ De doorsnee Vlaming vindt zo'n overvaller dan niet alleen brutaal en gemeen, maar ook belachelijk. En onze Vlaming heeft gelijk. Die ‘ch’, die ‘ei’ en die ‘oow’ moet hij helemaal niet nabootsen. Hij moet alleen ‘je geld’ in plaats van ‘uw geld’ leren zeggen als hij vertrouwelijk aan het praten is. Zoals mijn collega Annelies G. altijd zei: als je de leerlingen zover krijgt dat ze ‘je’ zeggen, dan zal ook de rest van hun taal meteen heel wat beschaafder klinken. 
     Er is nog een derde reden waarom ABN zo moeizaam vordert, en dat is faalangst van Vlaamse sprekers. In Het Nieuwsblad van gisteren stond een interview met televisie-kok Domique Persoons. ‘Vroeger,’ zegt de man, ‘trachtte ik krampachtig keurig Nederlands te praten. Op mijn vijftigste besliste ik om gewoon mezelf te zijn.’ Ach, ‘jezelf zijn’ … ik ben meer geïnteresseerd in dat ‘krampachtig’: het doet mij denken aan een stuntelige equilibrist die zich na dertig jaar oefenen nog altijd niet op zijn gemak voelt op het koord, nog altijd bang is om te vallen, en dan maar beslist, voor de zekerheid, om zelf naar beneden springen. Ik heb het vaak gezien in de Engelse les. Sommige leerlingen spraken goed Engels, maar ze wisten dat hun uitspraak niet perfect was. Ze probeerden hun falen dan te camoufleren door hun fouten moedwillig te overdrijven of door met een grappig accent te praten. Zou dat de reden zijn dat Tom Lanoye – toch een Germanist van opleiding – altijd zo plat praat als hij op televisie komt?
     In mijn vorig stukje gaf ik toe dat ikzelf helaas nogal in tussentaal ben blijven hangen. Ik zag het als een vorm van onkunde. Door dit stukje te schrijven weet ik nu beter. Het is niet alléén onkunde, luiheid en gebrek aan concentratie. Het is ook een driedubbele vrees: dat ik ‘bekakt’ zou overkomen, dat ik voor een Hollander zou worden gehouden, en dat ik ondanks al mijn inspanningen toch nooit als Boudewijn de Groot zal spreken, laat staan zingen.
     Maar goed, vrees is - driedubbel of niet - een slechte raadgever.

 

* Dat is geloof ik de reden dat de huidige generatie politici en BV’s bij publieke optredens Schoon Vlaams spreekt in plaats van, zoals de vorige generatie, te proberen het ABN te benaderen. Zo meten ze zich een volks imago aan.

** Alhoewel het natuurlijk altijd aardig kan zijn om in een een film of serie één van de personages met een southern drawl te laten spreken, of een gangster met een plat New York City accent. 

De taalkunde en het ABN

   Het is een grote fout om in de ABN-discussie argumenten uit de taalkunde aan te halen. De moderne taalkunde beschrijft en kan dus, ipso facto, niet voorschrijven wat correct of fout is. Voor de taalkunde is elk dialect een taal, en is het volkomen misplaatst om het Werviks en het Lubbeeks niet, en het Fries en het Gallicischwel bij de talen te rekenen. Je kunt verwijzen naar de officiële beslissingen van de Nederlandse staat of Spaanse staat, die het Fries en het Gallicische erkennen als officiële talen in Friesland en Galicië, ik bedoel in Fryslân en Galiza, maar de lezer zal begrijpen dat taalbeleid van de overheid enerzijds en taalkunde anderzijds twee verschillende dingen zijn.    
     Taalkundigen die zich met ABN hebben beziggehouden, kwamen door die stand van zaken wel eens in de moeilijkheden. Ze deden hun best om het ABN in Vlaanderen uit te dragen, maar maakten de fout om niet tijdig uit hun rol van taalkundige te stappen. Als ze een vraag kregen waarom een of andere woord geen goed Nederlands was, durfden ze niet kordaat te antwoorden met ‘daarom’ of ‘omdat ik het zeg.’ Ze durfden niet eens meer het Noord-Nederlandse gebruik aan te halen, zoals Professor Paardekooper deed. Ze wisten immers dat er geen enkel taalkundig argument bestond waarom die Noord-Nederlandse norm moest worden verkozen boven die van enig ander dialect of enige andere tussentaal*.
     Sommige taalkundigen probeerden zich achter drogredenen te verbergen. Een uitdrukking was bijvoorbeeld fout omdat ze uit het Frans was overgenomen, en dus een ‘gallicisme’ was. Je mocht niet zeggen dat iets een ander paar mouwen was omdát het een vertaling was van het Franse une autre paire de manches. Maar dan moest men enkele ogenblikken later vertellen dat voetpad fout was en trottoir correct. Dat was dus duidelijk onzin. Woorden of uitdrukkingen zijn niet goed of fout omdát ze uit het Frans kwamen, ze zijn goed als ze in het Noord-Nederlands waren overgenomen en ze zijn fout als ze alleen in het Vlaams waren overgenomen. Garage is goed, en chauffage is fout. Zo onrechtvaardig is het. Mensen als Taeldeman* begrepen dat, en het maakte hun positie nog delicater.
      Andere taalkundigen beweerden dat ‘tussentaal’, ‘Verkavelingsvlaams’ enzovoort vermeden diende te worden omdat het om een kunstmatig gedrocht ging, het lelijke kind van twee mooie, spontaan gegroeide talen, zijnde authentiek Nederlands en authentiek dialect. Maar ook was de conclusie juist maar hield het argument geen steek. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het Nederlands van boven de Moerdijk op een spontanere manier gegroeid is dan de Vlaamse tussentaal, die goeddeels ontstond als een spontane fatsoenering van het Brabants, dat zich daarna even spontaan over de rest van Vlaanderen ging verspreiden. Ook deze redenering van ‘kunstmatigheid werd door professor Taeldeman terecht verworpen.
     Zelf haalde Taeldeman er in zijn lovenswaardige strijd tegen de tussentaal de generatieve grammatica van Chomsky bij. Die benaderde taal  als een module in de hersenen, een module die op heel jonge leeftijd moest worden gestimuleerd door taalimpulsen vanuit de omgeving. Maar door de tussentaal, zei Taeldeman, werden de impulsen ‘schraler’. De dialecten verdwenen, het ABN verdween, en wat overbleef was het Algemeen Brabants. In plaats van een ‘binnentalige meertaligheid’ (streekdialect – ABN) kwam een ‘monolinguaal systeem’ tot stand dat Vlaamse kinderen onvoldoende en slechts eenzijdig stimuleerde bij hun taalontwikkeling*.
     Dit is een zwak argument, want een beetje verder in zijn tekst noemt Taeldeman het ‘dialectverlies’ onomkeerbaar. Met dat dialect moeten we dus geen rekening houden. Dan doen zich nog drie mogelijkheden voor: een eentaligheid met Schoon Vlaams, een eentaligheid met ABN, en een tweetaligheid met Schoon Vlaams én ABN. Volgens zijn eigen argumentatie zou Taeldeman er dus de voorkeur aan moeten geven dat jongere kinderen opgroeien in een milieu waar twee talen worden gebruikt: een formeel ABN en een informeel Schoon Vlaams. Maar dat is natuurlijk niet wat hij wil. Wat hij wil is, terecht, dat het ABN ook in het informele register een kans krijgt, ‘zodat we het niet meer hoeven te spreken met toegeknepen billen.’ Ja, dat vind ik ook. Maar dan groeit het kind wel op in een monolinguaal systeem, iets wat Taeldeman wou vermijden. ’t Is kiezen of delen.
     Kijk, het is iets wat ik af en toe graag doe, argumenten ondermijnen die nochtans pleiten voor de zaak – in casu het ABN – die ik goedgezind ben. 

* Let wel dat het Chomskyaanse redenering alleen opgaat voor de allereerste kinderjaren. In die periode zullen de taalimpulsen worden gegeven in het ouderlijke huis, de kindercrèche en de kleuterschool. Eén- of tweetaligheid speelt daarbij geen grote rol, wel de rijkdom, variatie, gepastheid en duidelijkheid van de impulsen. Al die eigenschappen kunnen evengoed verzekerd worden binnen alleen dialect, of alleen ABN, of alleen tussentaal.  

Kan het ABN in Vlaanderen gered worden?

     Kan het ABN in Vlaanderen gered worden? Het korte antwoord is: neen.
      Laten we om te beginnen dat antwoord betreuren. Het ABN was en blijft een prachtig ideaal. Zeven miljoen Vlamingen en 18 miljoen Nederlanders, samen 25 miljoen, die één groot taalgebied vormen, waar men één taal spreekt en schrijft, een taal die overal verstaanbaar is, die geen onderscheid maakt tussen rang en stand, en die zich soepel aanpast aan formele en informele situaties zonder dat men telkens het hele fonologische, morfologische en lexicale stramien moet aanpassen –  een aanpassing die weliswaar vlot verloopt van formeel naar informeel, maar voor velen des te pijnlijker van informeel naar formeel*. 
     Het is indertijd een rationele keuze geweest om ook voor Vlaanderen de Noord-Nederlandse standaardtaal als norm te kiezen. Die taal was immers zelf ontstaan in de 17de-eeuwse Amsterdamse smeltkroes waar Hollands, Brabants en Vlaams samenkwamen. En bovendien wordt die standaardtaal vandaag door ongeveer 80 procent  van de Nederlanders gesproken, waardoor ze met 14 miljoen taalgebruikers de breedste basis vormt voor een eengemaakte taal. Maar juist het grote succes van de standaardtaal in Nederland, werd een nadeel in Vlaanderen. De taal werd in Vlaanderen als een exoot ervaren en dat verbeterde er niet op toen de Nederlandse standaardtaal zelf begon af te wijken van haar eigen uitspraaknormen. Als je een Nederlands en een Vlaams journaal van veertig jaar geleden beluistert, merk je dat men toen een gemeenschappelijke uitspraaknorm voor ogen had. Die norm is in de Vlaamse journaals amper gewijzigd. In Nederland echter doen zich allerlei Germaanse klankverschuivingen voor die de tegenstelling met het Vlaamse gebruik groter maken.
     Nee, het ABN en de Noord-Nederlandse norm kunnen op lange termijn niet worden gered, net zo min als de dialecten. De Brabantico-Kempische expansie in heel Vlaanderen is niet te stuiten. Taalontwikkeling kun je niet sturen. Emoties zijn sterker dan rationele argumenten. Je kunt volwassenen hun taal niet laten omsmeden zonder dat ze aan spontaneïteit inboeten. En kinderen krijgen hun eerste taal van die niet-omsmeedbare volwassenen. Ook is het Vlaamse identiteitsgevoel véél sterker dan het Groot-Nederlandse. In de 19de eeuw kon een Vlaamstalige elite nog kiezen voor een taalkundig Groot-Nederlandse integratie, maar vandaag beleven we anti-elitaire tijden – ook al omdat de huidige elites het ernaar gemaakt hebben.
     Toch blijven er argumenten rechtstaan om het ABN niet los te laten. We kunnen om te beginnen, zoals Cato, behagen scheppen in de strijd voor een verloren zaak. Vervolgens is er haast niemand die het ABN volledig uit Vlaanderen wil bannen. Haast niemand stoort zich eraan dat in televisiejournaals ABN wordt gesproken. Haast niemand stoort zich eraan dat kranten en tijdschriften bijna helemaal in het ABN geschreven zijn. Haast niemand stoort zich eraan dat Vlaamse romans door professionele tekstredacteurs van exclusief Vlaams woordgebruik worden gezuiverd, zodat er per bladzijde vaak maar één taalfout meer overblijft. Die taalfout schreeuwt je dan vanaf de bladzijde toe in je gezicht, maar dat komt omdat de rest van de bladzijde wel in correct Nederlands is. Bij boeken van Walschap, Teirlinck en Boon was dat even anders, waarmee over die drie uitstekende auteurs geen kwaad woord gezegd zij.
     Eigenlijk is de belangrijkste overweging deze: de standaardisering van het Vlaams is nog lang niet afgelopen. Ze is ook ongelijk doorgedrongen in de verschillende provincies. Ik kom de laatste tijd veel vaker in West-Vlaanderen en de taal van de jeugd die ik daar hoor op trein of bus is waarlijk niet dezelfde als die die ik hoorde van mijn leerlingen uit het Mechelse. Er zal aan het Schoon Vlaams nog veel veranderen en het eindresultaat ligt geenszins vast. Dat eindresultaat kan dicht bij het ABN liggen of kan er ver van verwijderd zijn. Hoe langer, hoe strikter, en hoe strenger we aan het ABN vasthouden, waar we maar kunnen, hoe gunstiger het eindresultaat zal zijn.
     Het volgende actieplan lijkt mij redelijk:

  1. De leerboeken Nederlands stoppen met tussentaal als aanvaardbaar taalregister voor te stellen;
  2. In de lerarenopleiding voor alle vakken wordt de helft van de leerstof vervangen door lessen taalbeheersing;
  3. Taalkundigen vergeten af en toe hun sociolinguïstiek om in plaats daarvan de ABN-norm te verspreiden volgens het principe ‘zeg niet – maar zeg’; ze moeten dat zó verwoorden, en hun voorbeelden zó kiezen, dat de juiste, en niet de verkeerde, variant blijft hangen;
  4. Vlaamse  televisiezenders sluiten een volksverheffingspact waarin ze beloven gelijktijdig de tussentaal af te bouwen in fictie en in entertainmentprogramma’s; televisiekoks worden gescreend op hun beheersing van het ABN;
  5. Nederlandse televisiezenders sluiten een soortgelijk pact af; de nieuwslezers kijken een uur per dag naar journaals van veertig jaar geleden;
  6. Verontruste burgers observeren het taalgebruik van politici, BV’s en reclamemakers; op gezette tijden signaleren en bekritiseren ze het Schoon Vlaams als een vorm van cultuurverloedering**; ingezonden stukken en posts op de sociale media zijn daarvoor het aangewezen middel ;
  7. Vlaamse kranten en tijdschriften geven altijd de voorkeur aan het Nederlandse woord boven datgene dat ‘standaardtaal is in België’; ze schrijven met andere woorden vergelijkbaar of soortgelijk in plaats van gelijkaardig***; als ze om begrijpelijke redenen het woord tosti willen vermijden, mogen ze croque-monsieur schrijven, maar dan in cursieve letters;
  8. Alle teksten van Vlaamse én Nederlandse auteurs worden voortaan nagelezen door Herman Jacobs.

     

* Natuurlijk gebeuren er ook aanpassingen bij registerverandering binnen het ABN, bijvoorbeeld in de keuze tussen huilenschreien en wenen. Maar we mogen hopen dat die aanpassingen gebeuren zonder dat daar een bewuste inspanning voor nodig is. De West-Vlaamse dialectspreker zal echter vaak een min of meer bewuste beslissing moeten maken om van kris’n of schreem’n over te schakelen op wenen.

** De bewoordingen ‘observeren, signaleren en bekritiseren’ en ‘cultuurverloedering’ werden mij aangereikt in een reactie van Luc Van Braekel. 
*** Als taalnazi’s onder elkaar spreken we af om gewone burgers niet lastig te vallen als die uit onkunde gelijkaardig of een vergelijkbaar woord gebruiken. Het verbod op Belgische standaardtaal hanteren we alleen tegen wie zich beroepshalve met schrijven bezighoudt.


Politici. Vlaamse politici zullen hun populair imago niet verknoeien door keurig Nederlands te praten. Wilfried Martens probeerde dat nog, maar zijn opvolger Jean-Luc De Haene ging meteen de andere kant uit. De laatste politicus die nog bewuste pogingen deed in de richting van keurig Nederlands was Johan Vande Lanotte, met zijn pijnlijke ‘ch’ waarmee hij zijn West-Vlaamse tongval trachtte te camoufleren. Ook bij mij klinkt de ‘g’ vaak als een ‘ch’ – als ik mijn best doe.

Enkele slotnotities

Bekakt. In mijn eerdere stukje over bekakt praten, heb ik vooral aandacht besteed aan de onnatuurlijke krampachtigheid van onervaren ABN-sprekers die daardoor een bekakte indruk maken. Maar er zijn wel meer oorzaken waarom wij Vlamingen iets bekakt vinden klinken: een hekel aan Hollanders, een hekel aan Stefan Hermans, een hekel aan chique dames en heren die denken dat ze beter zijn dan wij. Mijn Facebookvriend Jan-Paul van Spaendonck vindt de taal van de vroege Boudewijn de Groot, met die eind-n aan leven en geven, ‘bekakt’ omdat diens Haarlems deed denken aan dat van ‘hoogwaardigheidsbekleders’. Van hén kon je niet zeggen dat ze bekakt overkwamen. Ze wáren het. Maar een Vlaamse ABN-minnaar zal de taal van Boudewijn de Groot nooit in dat verband zien. Bekaktheid, als ik het zo mag zeggen, is in the ear of the beholder.

Sturen. Taalsociologen beweren dat je taal niet kunt sturen.  Ze hebben gelijk. De mensen zullen uiteindelijk praten zoals ze willen. Maar je kunt wel een beetje sturen. De vraag is: in welke richting?

Schakelen. Mijn bezwaar tegen tussentaal náást ABN is dat taalgebruikers dan moeten schakelen tussen de twee, en dat het ABN-register daardoor onnatuurlijk gaat klinken en door fouten wordt ontsierd. Dat geldt wellicht niet voor iemand ‘met aanleg voor talen’. Mijn ex-collega Martine V. werd eerst opgevoed in het ABN, thuis en op school, en maakte zich later tussentaal eigen. Ze kan vlot schakelen tussen de twee. Maar mijn ex-collega heeft dan ook veel aanleg voor talen.

Formeel / informeel. Elke taalgebruiker heeft nood aan een formele en informele variant. In sommige gebieden fungeert dialect of tussentaal als informele variant en ABN als formele variant. Maar dat is geen noodzakelijke rolverdeling. Inwoners van Haarlem of van Tours hebben evengoed een informele variant van Nederlands of Frans zonder dat ze daarvoor de standaardtaal moeten verlaten.

Taalexpert. Als je op Facebook een stukje plaatst over taal, mag je een groot aantal reacties verwachten. Iedereen heeft een mening, en iedereen is expert. En in zekere zin is iedereen ook werkelijk expert. Volgens de 10.000-urenregel van Malcolm Gladwell bereik je expertise in om het even wat -programmeren, muzikale optredens, enzovoort - na 10.000 uren oefening. Het werkte voor Bill Gates en het werkte voor The Beatles. Met spreken, luisteren, lezen en schrijven kom je gemakkelijk aan je 10.000 uren vóór je tiende levensjaar. 

Klasseloze taal. Het oude ideaal van een ‘algemeen beschaafde’ taal was het onhoorbaar maken van het  de regionale afkomst van de spreker kon raden. Dat was onrealistisch. Zelfs Paardekooper gaf toe dat kleine regionale uitspraakverschillen onvermijdelijk waren. Belangrijker echter is dat men de sociale afkomst van de spreker onhoorbaar zou kunnen maken. Ik heb ooit twee maanden les gevolgd aan een school in Salamanca. Ik was aangenaam verrast dat de professoren in de aula en en het bedieningspersoneel in de kantine dezelfde taal spraken. Kleine verschillen zal ik als andertstalige ongetwijfeld niet hebben opgemerkt, maar klein waren die verschillen zeker.

Taalvariatie en taalrijkdom. Het verdwijnen van dialecten betekent ontegenzeggelijk een verlies, maar eerder voor de taalliefhebber dan voor de taalgebruiker. Veel dialectsprekers merkten niets van de rijkdom van hun taal. Wat heb je aan honderd dialecten als je er maar één hoort en spreekt? Slechts uitzonderlijk kon de dialectspreker van zijn eigen dialect genieten, als het om recente producten van eigen bodem ging. Van iets wat snel vooruitging zei men in Wevelgem dat het ‘ging als Buysses sjeeze’.  Dat was leuk om te zeggen als je je die buitengewoon snelle kar van de familie Buysse dagelijks voorbij zag flitsen.

De beste auteurs. De klassieke taalkundigen leidden de norm niet af uit de logica, maar uit het taalgebruik van de beste auteurs. De Zwitserse grammaticus Grevisse noemde dat Le bon usage en dat werd ook de titel van zijn standaardwerk. Mijn professor Spaans Josse De Kock – was hij niet getrouwd met de kleindochter van Unamuno? – vond dat je die taal moest zoeken in essays. Dat is geen slechte methode. Je kunt de zeven dikke delen essays van Karel van het Reve lezen en daar misschien hoogstens tien woorden in aantreffen die ‘Hollands’ zijn. Bij romans moet je oppassen met de ‘platte’ auteurs als Jan Cremer, want bij die struikel je op elke bladzijde meerdere keren over kiene gozers en klerelijers die goed in de slappe was zitten en beter kennen opsodemieteren.

Taalconservatisme. Er zal in taal, zoals in andere domeinen van het leven, altijd een behoefte aan modes en niches bestaan. In Het Nieuwsblad van vandaag lees ik over nieuwe tienerwoorden zoals slay, smash, aina, kaulo en skeer. Alleen het woord gast dat Het Nieuwsblad omschrijft als aanspreking en stopwoord komt mij bekend voor omdat mijn zoon het al bijna 20 jaar gebruikt.
     Die modes bestonden vroeger ook. In de tijd van Aagje Wolff en Betje Deken ging men bijvoorbeeld erg ver met verkleinnaampjes: Saartje, Naatje, Letje, Cootje … Zelf heb ik heb van die vier alleen ooit met Saartje te maken gehad, een meisje dat van haar achternaam Van de Vondel heette, zonder gekheid.
      
Of taalmodes doorbreken, en of taalniches zich uitbreiden, hangt van veel omstandigheden af, en niet in het minst van het laatste carré van de taalconservatieven. Die laatsten hebben een geduchte bondgenoot in de geschreven en gedrukte taal. De audiovisuele media zijn als medestander minder betrouwbaar.

Standaardtaal in het hele taalgebied’. In plaats van het krachtige letterwoord ABN is de huidige taalzuiveringsformule ‘standaardtaal in het hele taalgebied’. Je zou het kunnen afkorten tot STIHHG. Helemaal correct is de omschrijving trouwens niet. Want kun je woorden als kwark, jam, fauteuil en vruchtensap aan het hele taalgebied toeschrijven als tachtig procent van de Nederlanders en vijf procent van de Vlamingen ze gebruiken.

‘Standaardtaal in België’. De formule ‘standaardtaal in België’ is nog veel problematischer. Om te beginnen zouden ze ‘België’ stilletjesaan door ‘Vlaanderen’ mogen vervangen. Vervolgens zijn de criteria voor de categorie ‘Belgische standaardtaal’ eigenaardig. Het moet gaan om woorden of uitdrukkingen die in heel België-dat-wil-zeggen-Vlaanderen gebruikt worden en die voor Belgische standaardtaalgebruikers aanvaardbaar zijn. Die laatste voorwaarde vind ik dubbelzinnig. Wat is een Belgische standaardtaalgebruiker? Is dat iemand die keurig spreekt maar toch ‘zetel’ zegt als hij een confortabel zitmeubel bedoelt? Dan kun je je afvragen hoeveel zetels hij mag zeggen vooraleer hij zijn statuut als standaardspreker verliest. Of bedoelt men een Vlaming die weliswaar zelf fauteuil en bank zegt, maar die zetel toch aanvaardbaar vindt? Dat is een rare Vlaming.

Standaardtaal in België (2). De lezer zal begrijpen dat het niet mijn bedoeling is om woorden als rijkswachter en schepen te vervangen door marechaussee en wethouder

Grijze zone. Een nadeel van het begrip ‘Standaardtaal in België’ is dat ze vanuit normatief standpunt een grijze zone creëert. Het doet mij denken aan de goede oude tijd van de ‘voorkeurspelling’, met daarnaast de ‘toegelaten spelling’. Ik heb veel sympathie voor de tolerantiegedachte die erachter stak. Maar pedagogisch was het een ramp. Die grijze zone heeft mijn woordbeeld voor altijd verknoeid. Iets gelijkaardigs maak ik nu mee met de Standaartaalkwestie. Stel ik aan Taaladvies.net de vraag: ‘Is beter correct gebruikt in een zin als: Jullie komen beter met de bus?’ Antwoord: Ja, een dergelijk zin is standaardtaal in België. Standaardtaal in het hele taalgebied is: Jullie kunnen beter met de bus komen.’ Zo’n verwarrend antwoord heb ik in de klas altijd proberen te vermijden.

Tolerantie. Taalzuiveraars en taalleraren moeten slim te werk gaan. Ze mogen niet overdrijven. Het heeft geen zin om te oreren dat luidop en nonkel ‘fout’ zijn. Dat eerste is onbelangrijk en het tweede weet iedereen. Het is voldoende om de grootste en meest voorkomende euvels aan te pakken volgens het ‘zeg niet / zeg wel’-beginsel en verder zelf altijd hardop en oom te gebruiken. De grijze zone kan helpen om de lijst van aandachtspunten minder overladen te maken. De lijst van Paardekoopers ABN-gids bevat, schat ik, meer dan achtduizend woorden of uitdrukkingen die ik als Vlaming moet proberen te vermijden. Dat is véél. Gelukkig staan daar heel veel woorden of uitdrukkingen bij waar ik nog nooit van gehoord heb.

Taalonzekerheid. Professor Taeldeman heeft vastgesteld dat de ABN-acties van de jaren zestig hebben geleid tot taalonzekerheid bij veel Vlamingen. Hij heeft gelijk. Als ik een stukje schrijf, ben ik heel onzeker. Ik vraag mij minstens twintig keer af of ik een woord dat ik wil gebruiken ooit bij Bomans of Karel van het Reve gelezen heb. Ik zoek minstens tien keer op of een bepaald woord ook voorkomt de NRC of de Volkskrant, dan wel alleen in de Vlaamse gazetten.  Zonder die onzekerheid zouden er veel meer Schoon Vlaamse woordekes in mijn stukjes staan.

De oo-eu-klank. Met mijn g/h-probleem, mijn slecht gearticuleerde ‘r’ en ‘s’ , mijn ingeslikte doffe ‘e’ en mijn matig gediftongeerde ‘ei’ en ‘ui’ kan ik beter niet te hoog van de toren blazen. Ik was als leraar ook heel tolerant voor leerlingen die zeiden: het Spaonse graon heeft de orkoan doorstaon. Ik werd alleen ongelukkig van een oo-klank die als een halve eu-klank werd uitgesproken. Vroeger kende ik die alleen van Brigitte Raskin op de radio, maar nu ik zelf in buurt van Aarschot en Leuven woon, hoor ik die ook van echte mensen. Ik heb laatst een paar Youtube filmpjes van Raskin beluisterd en ik was aangenaam verrast dat ze zo weinig oo-woorden gebruikte. Maar als ze ze gebruikte, sneed het door mijn ziel. Deur mijn ziel, zou Brigitte zeggen. 

Verstaanbaar. ‘Het moet niet correct zijn, als het maar verstaanbaar is.’ Natuurlijk is verstaanbaarheid belangrijk, maar wie zichzelf respecteert wil graag nog een ietsje meer. Hij wil dat het aangenaam is om naar hem te luisteren. Correcte taal kan daarbij helpen. Ook is juist verstaanbaarheid een van de eigenschappen van correcte taal. Een nieuwslezer kan ik beter volgen dan een snaterende BV. Dat ligt vooral aan het verschil in articulatie maar toch ook aan het zuiverder taalgebruik.

Verstaanbaar (2). Verstaanbaarheid in geschreven taal heeft niet alleen met ABN te maken. Kinderen hebben hun spreektaal spelenderwijs opgepikt, maar schrijven moeten ze léren. Allerlei dingen die in spreektaal niet belangrijk zijn – de grammaticale opbouw van een zin, de ondubbelzinnige verwijzing, de volgorde in de gedachtegang – worden in schrijftaal een voorwaarde om verstaanbaar te communiceren met een afwezige lezer. De schrijftaal van jonge leerlingen is te veel beïnvloed door hun spreektaal. Als ze een verhaaltje moeten schrijven is het nog ça va. Dan schrijven ze veel  en … en … en. Maar als ze een antwoord moeten geven op een vraag van geschiedenis of biologie komen ze écht in de problemen. 

Verstaanbaar (3). Nu hoor ik van collega’s iets veel ergers. Volgens hen wordt de spreektaal van leerlingen vandaag beïnvloed door de schrijftaal – als we dat zo mogen noemen – die ze hanteren op de sociale media, een taal die grafisch bestaat uit afkortingen, maar grammaticaal – wat veel erger is – uit een reeks summiere kreten. Als je als leraar vroeger een schriftelijk antwoord niet begreep, kon je nog een mondelinge toelichting vragen. Maar vandaag, hoor ik, bestaan die mondelinge toelichtingen vaak uit een reeks onsamenhangde woorden.

Verstaanbaar (4). Op de sociale media kom je, naast kreten, ook keurige taal tegen. Op het VTM-nieuws van woensdag 30 november las journalist Rob van Herck een bericht voor dat al twee dagen op Snapchat rondging. ‘Vrienden, laten we opnieuw beginnen rellen op donderdag 1 december, om ons opnieuw te amuseren zoals gisteren.’ Dat is een heldere boodschap. De herhaling van het woord opnieuw is wat knullig, maar er staat ten minste niet terug, zoals je bij Vlamingen soms leest en hoort.

Verstaanbaar (5). Als je de helpdesk van een Vlaams bedrijf opbelt, krijg je één keer op de twee een Nederlander aan de lijn. Wie wat hardhorend is, zoals ik, begrijpt niets van die klankenbrij. Mijn vriend J-P eist dan dat hij een Vlaming aan de lijn krijgt.
De recente taalverloedering bij onze noorderburen zag ik nergens zo mooi geïllustreerd als in een oude televisie-reportage over Geert van Oorschot. Ik liet die aan mijn leerlingen zien. De leerlingen luisterden aandachtig, want er was een toets achteraf, en ondanks de gebrekkige geluidsband begrepen ze elk woord dat de energieke uitgever uitsprak. Maar telkens als zijn zoon Wouter aan het woord kwam, keken ze mij angstig aan. Dáár zou ik toch geen vraag over stellen, zag je hen hopen. Houpen, zou Wouter gezegd hebben. 

Stigmatiseren en emanciperen. Vroeger werd ABN beschouwd als een middel tot emancipatie. Arbeiderskinderen konden dezelfde taal spreken als de zonen en dochters van notarissen. Een Vlaming kon zijn taal vervolmaken zodat zij op het niveau van de Nederlander kwamen te staan. Maar de emancipatiegedachte werd verlaten en de stigmatisatiegedachte kwam in de plaats. Men vertrok van de redelijke gedachte dat arbeiderskinderen evenveel waard waren als notariskinderen en dat Vlamingen niet minder waren dan Nederlanders, al dachten die laatsten daar anders over. Waarom zou de taal van het arbeiderskind dan minder waard zijn dan die van het notariskind, en die van de Vlaming minder dan die van de Nederlander? Wat een vernedering! Dat een rationele keuze voor het ABN geen waarde-oordeel inhoudt noch over de taal, noch over wie die taal spreekt, was plots geen vanzelfsprekendheid meer. Egalitaire emoties wonnen het van de ratio. Dat gebeurt wel vaker. 

Gij / jij. Ook de meeste van mijn oud-collega's in het onderwijs, behalve de leerkrachten Nederlands, blijven gij zeggen, omdat ze op die manier hun taal natuurlijk wilden houden. Zelf kan ik de jij gemakkelijk in formele contexten gebruiken – te gemakkelijk, want ik doe het ook als het beleefdere u gepast zou zijn. Eigenlijk gaat de 'jij' terug op een historische contractbreuk. Bij het schrijven van de Statenbijbel in de zeventiende eeuw was afgesproken om het Brabantse 'gij' te gebruiken, maar die Hollanders hebben stiekem hun jij behouden.

Gij / jij. Die tweede persoon enkelvoud is ook in andere taalgebieden een gevoelige kwestie. In een aantal Zuid-Amerikaanse landen wordt het archaïsche’vos vaak gebruikt wordt in plaats van tu. Men beweert soms dat dat in Chili minder het geval is omdat de taalgeleerde Andres Bello – zelf Chileen – in een voetnoot van zijn grammatica van 1847 ‘el vos en el diálogo familiar’ als een ‘vulgaridad insoportable’ omschreef. 

Gij / jij (2). Op een eerder stukje reageerde FB-vriendin Chris Vandendriessche ‘Zijn jij en jou moeilijk voor een West-Vlaming moeilijk? Toen ik in een ver verleden in Oostende naar school ging, hoorde ik : è je-gie joen sluffers an.’ Daar had ik nooit aan gedacht. Zou de West-Vlaming met zijn je-gie en zijn joen minder innerlijke weerstand voelen tegen je dan de Antwerpenaar die nog maar pas de gaai ontgroeid is. Dat zou best kunnen.

Gij / Jij (3). Het Nederlands heeft trouwens een heel brede waaier van vormen voor de tweede persoon die zelfs in de twintigste eeuw nog naast elkaar werden gebruikt: je, jij, jou, ge, gij, u, gijlieden, ulieden, jullie, jelui, jullui. Ik heb als kind nog vaak boeken gelezen waar de vorm jelui courant gebruikt werd.

Trucje. Vlamingen die de drie talen hanteren – ABN, Schoon Vlaams en dialect – gebruiken vaak een trucje om te bepalen of iets ABN is. Komt een dubieus woord voor in hun dialect, dan proberen ze het te vermijden. Op die manier kunnen ze woordjes als ‘seffens’ uit hun ABN halen. Maar het trucje is machteloos tegen woorden die wel in het Schoon Vlaams maar niet in het dialect voorkomen, zoals gelijkaardig of duimspijker

Register. Als men tussentaal bij de registers wil rangschikken, dan zijn Vlaams dialect enerzijds en Frans anderzijds ook registers. Was het tot voor 50 jaar niet de gewoonte dat de stedelijke bourgeoisie Frans sprak onder elkaar en Vlaams dialect met het huispersoneel?