David Van Reybrouck
David Van Reybrouck draagt nu de titel van ‘Denker der Nederlanden’. Ik weet niet of hij die titel verdient. In zijn boek Congo heb ik slechts anderhalve bladzijde gelezen. Iets in de toon stond mij niet aan. Maar mijn vrouw die anders weinig interesse heeft voor non-fictie boeken leest, heeft het helemaal doorgelezen. Ik heb indertijd Van Reybroucks verslag gelezen over zijn audiëntie bij de paus. Ik weet nog altijd niet of dat ernstig dan wel als een soort parodie was bedoeld*.
Stefan Hertmans
Wie misschien ook een goede ‘Denker der Nederlanden’ zou zijn, is Stefan Hertmans. Ook van die auteur heb ik weinig gelezen, en misschien is dat een goed criterium om zo’n denker aan te stellen. Ik heb wel enkele recensies gelezen over zijn roman Dius. Dat boek gaat geloof ik over twee vrienden die veel met elkaar over kunst en literatuur praten en de verteller kan er ook niet over ophouden. Ergens zegt hij:
Ik beschouwde de hele kunstgeschiedenis als één interactieve ruimte waarin alles met elkaar te maken had. Zo kon ik van een detail op een zeventiende-eeuws tafereel overspringen naar een conceptueel kunstenaar of een expressionistisch portret; van de suggestieve open schelp bij Botticelli naar een still uit een film van Pasolini; van een detail bij Rafaël naar een zin bij Proust; van de wonde van Christus naar de verminkingen die de Wiener Aktionisten zichzelf hadden toegebracht.’
Er is natuurlijk niks mis met het illustreren van een gedachtegang met een enkele eigennamen. Maar je moet oppassen met de keuze. Botticelli, Pasolini, Rafaël, Proust, de Wiener Aktionisten … op een of andere manier liggen die namen te veel voor de hand. In zijn recensie op Facebook schreef Pascal Cornet over het ‘irritant-kwistig rondstrooien van namen en weetjes’:
Names worden all over the place gedropt … Uiteraard komen er ook boeken en films ter sprake. Soms noemt Hertmans titels – De Tijgerkat, De Toverberg... – maar een aantal keren ook niet. En dan is het aan de lezer om zich dom of slim te voelen als hij de onuitgesproken referentie niet of wel kent. Zo bevat Dius impliciete verwijzingen naar, onder meer, La Nausée van Jean-Paul Sartre en Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier, Der Himmel über Berlin van Wim Wenders, de foto’s van Dirk Braeckman, een schilderij van Gerhard Richter en... Naar Merelbeke van Stefan Hertmans zelf. En wellicht zijn er nog vele andere referenties en citaten die mij zijn ontgaan. Op die manier krijgt de roman Dius bij momenten de allure van een quiz.
Meé ziet hier het probleem van Hertmans. De auteur kan namen citeren van allemaal onbekende kunstenaars en schrijvers, maar dan haakt de lezer af want hij weet niet over wie het gaat. De auteur kan ook de namen citeren van allemaal bekende kunstenaars en schrijvers, maar dan zegt de lezer verveeld: ach, alweer Botticelli en Proust en Jean-Paul Sartre. Men begrijpt dat een auteur, voor dat dilemma geplaatst, er een soort ‘quiz’ van maakt, waardoor dan weer de indruk ontstaat dat niet de verteller maar de schrijver zelf wat pretentieus is en zich te veel bekommert om het effect.
Het beste lijkt mij namedropping dié werken en auteurs ter sprake te brengen die je ontroerd hebben en waar je iets interessants over te melden hebt, zoals de namenlijst die Louis-Paul Boon geeft in zijn eerste hoofdstuk van de Kapellekensbaan, met daarbij korte, naïeve, maar treffende karakteriseringen.
Of je kunt met namedropping een heel andere richting uitgaan. In ‘Episode 17’ van Ulysses maakt James Joyce een catalogus op van een toenmalige boekenkast. Buiten Shakespeare’s Works (dark crimson morocco, goldtooled) hebben de boeken een heel laag Stefan Hertmans-gehalte. Ik kende geen enkele van die titels, behalve Soll und Haben by Gustaf Freytag (black boards, Gothic characters, cigarette coupon bookmarkt at p. 24). Dat boek stond immers ook in de boekenkast van mijn vader. Ik heb nooit geweten wat die geheimzinnige titel betekende. Moeten en hebben? Maar toen ik de titel in Ulysses tegenkwam heb ik de betekenis opgezocht. Het zijn boekhoudtermen: debit en credit. Als je Joyce leest, leer je altijd wat bij.
Fascisme
Ook mensen die weinig van geschiedenis afweten gebruiken al eens het woord fascisme. Dat is al langer aan de gang. Boudewijn de Groot zong in 1966 met de nodige zelfironie: ‘Mensen die het beter wisten, waren allemaal fascisten.’ Maar hij sprak het woord tenminste juist uit. In Nederland schijnen er vandaag al mensen te zijn die spreken van de ‘fasist Trump’.
Je kunt over de evolutie en het gebruik van het woord heel wat meer vertellen, maar vaak komt het neer op niets anders dan een dwaze omkering. Men heeft ergens gehoord: ‘alle fascisme is slecht’ en men maakt ervan: ‘alles wat slecht is, is fascisme.’
Watdanmetterij
Whataboutery of watdanmetterij in de strikte zin betekent dat je een beschuldiging beantwoordt met een tegenbeschuldiging. Die tegenbeschuldiging kan absurd ver verwijderd zijn van het oorspronkelijke verwijt. ‘De metro van Moskou heeft te weinig stopplaatsen.’ – ‘Ja? En wat dan met het lynchen van zwarten in de VS?’ Als de tegenbeschuldiging wel in de buurt komt van het oorspronkelijke verwijt, kan ze geïnterpreteerd worden als een eis tot consequentie. ‘Jij spreekt over de discriminatie van migranten. En wat dan met de ‘positieve’ discriminatie van autochtonen?’ Of: ‘Jij klaagt de Russische agressie in Oekraïne aan. En wat dan met de Israëlische agressie in Gaza?’
In een discussie over principes kan de eis tot consequentie redelijk lijken. Geen twee maten en twee gewichten. Maar hoeveel discussies hebben uitsluitend betrekking op principes? Mij lijkt watdanmetterij minstens drie nadelen te hebben. De aandacht wordt afgeleid van de oorspronkelijke stelling – metro van Moskou, discriminatie migranten, Russische agressie. Meestal wordt die noch aanvaard, noch weerlegd. Ook wordt een vergelijking in de discussie binnengebracht, waarbij het niet a priori vaststaat dat de vergelijking toepasselijk is. En ten slotte: de tegenstrever wordt uitgedaagd om een standpunt in te nemen in een kwestie waar hij misschien geen gefundeerde mening over heeft. Dat is ook het bezwaar dat Maarten Boudry in zijn drogredenhandleiding Alles wat in dit boek staat is waar (en andere denkfouten) aandraagt. ‘Niemand kan over alles tegelijk een mening hebben,’ schrijft hij in het hoofdstukje ‘Whataboutery’.
Trump
Over Trump lees ik niet alleen dat hij niet alleen een fascist of een fasist is, maar ook een libertariër. Als Trump een libertariër is, dan was Biden een communist.
Trump (2)
Een van de redenen waarom ik niet graag een ferm standpunt over Trump in neem, is dat ik in de berichtgeving over hem alleen tegenstanders aan het woord hoor. En die tegenstanders nemen geen blad voor de mond. Alles wat Trump doet is niet alleen slecht, maar zeer slecht.
Voor die extreem geëngageerde berichtgeving kunnen verschillende redenen zijn. Misschien is alles wat Trump doet ook wel zeer slecht. Of misschien denken de journalisten dat Trump een ‘gevaar’ vormt dat moet worden bestreden, dat er een ideologische oorlog aan de gang is, en dat het in een oorlog niet op nuance aankomt. In oorlog, liefde en Trumpkritiek is alles geoorloofd.
Dat is geen slechte taktiek. De Trumpisten kun je toch niet overtuigen, de anti-Trumpisten lezen zoiets graag, en de twijfelaars kun je op die manier imponeren en in je kamp krijgen. Trump zelf gaat ook zo te werk – en nog veel grover. Maar na al die geëngageerde berichtgeving zal er een Kleine Rest – een term uit de Godsdienstles – overblijven, die doorgaat met twijfelen tot ze zich genoeg op de hoogte acht van de twee kanten van het verhaal.
Staken
De socialistische bediendevakbond BBTK heeft een handleiding gemaakt met de titel: Staken, hoe doe je dat?
Aforismen
Oud-rector van de Leuvense universiteit Rik Torfs heeft een zeker talent voor aforismen die hij als berichtjes op X plaatst. Critici zullen zeggen dat die aforismen niet allemaal even goed zijn en dat Torfs wel eens een herhaling valt. Dat is niet erg. Ik heb indertijd de aforismenbundels van Rochefoucauld en van Vauvenargues gelezen en die zijn ook niet allemaal even goed en herhalen wel eens een inzicht dat eerder geformuleerd werd. Chamfort, die zelf het genre beoefende, merkte ooit op dat het met aforismen gaat als met kersen: men kiest eerst de beste uit, maar eindigt met ze allemaal op te eten of te publiceren, ook de misvormde en die met rotte plekjes.
Extracurriculair
Een stuk in De Standaard over de wildgroei op scholen van extra lespakketen, voorlichting, vorming, bezinning, informatieve uitstappen, projecten, getuigenissen, sportdagen – zaken die men vroeger ‘extracurriculaire activiteiten’ noemde. In dat interessante stuk staat een interessant weetje: ‘Recent lanceerde voormalig minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) – die de focus in de klas op Nederlands en wiskunde wilde – nog een lespakket over dierenwelzijn.’
Hier ligt de hond gebonden. Ministers zijn daar niet anders in dan directies en leraren: zij willen allemaal dat de ‘gewone lessen’ meer ruimte krijgen, maar willen ook graag een uitzondering voor hún projectje. Ze eindigen ermee ook de projectjes van de anderen te tolereren om hun eigen projectje te veilig te stellen. De school waar ik les gaf, had de ‘vrije ruimte’ in het lesrooster gebruikt om ‘seminaries’ in te richten. Er waren genoeg leraren die klaar stonden om een seminarie ‘journalistiek’, ‘fotografie’, ‘klassieke muziek’, ‘Afrikaanse kunst’ enzovoort te verzorgen.
Of nog. Als filmliefhebber organiseerde ik met een collega een reeks ‘filmforum’-activiteiten voor het derde tot het zesde jaar. Op het hoogtepunt hadden we voor elk jaar anderhalve dag activiteiten voorzien met lezingen over filmgeschiedenis, film-met-nabespreking, enzovoort. Ik was daar erg enthousiast mee bezig. Tegelijk voelde ik mij schuldig dat ik zo diep sneed in het vlees van de ‘gewone lessen’ – die van mij en die van mijn collega’s. Uiteindelijke hebben we de activiteiten op eigen initiatief afgebouwd tot twee lesuren voor de twee hoogste jaren.
* Over die tekst van Van Reybrouck heb ik twee stukjes geschreven: hier en hier.
Interessant en zoals altijd onderbouwd. Bewonderenswaardig.
BeantwoordenVerwijderenDe aforismen van Torfs worden door zijn critici geduid als hondenfluitjes, een in mijn ogen bijzonder neerbuigende term die kadert in het beeld van Torfs als een geniepige aanhanger van extreem-rechts. Dit beeld wordt graag opgehangen door politiek-correcte opiniemakers, die met een onvermoeibaar talent voor moedwillig onbegrip er niet in slagen in te doorgronden dat Torfs niks meer is dan een combinatie van een vrijdenker, een conservatief en een onvolmaakte katholiek. Voor ééndimensionale denkers zijn dat enkele contradicties en dimensies te veel, vandaar dat ze Torfs niet begrijpen, niet willen begrijpen, en dan maar gemakshalve klasseren als ongepast, dus extreem-rechts.
BeantwoordenVerwijderenMooi gezegd!
Verwijderen