Michael Jackson: de film.
Toen ik in 1978 in Leuven arriveerde was ik vijf jaar ouder dan mijn medestudenten. Dat was een heel verschil. Zij bijvoorbeeld dweepten met een zanger die Michael Jackson heette. Ik herinner mij precies in welk café ik zat toen ik de naam voor het eerst hoorde. Linda was erbij, en Hedwig, en Eric. Ze studeerden alle drie economie en plaagden elkaar met hun passie. Ik van mijn kant had van de zanger nog nooit gehoord en had niet de minste neiging om die blinde vlek in mijn culturele ontwikkeling in te kleuren. Later hoorde ik af en toe ongewild een meezinger die van Jackson bleek te zijn: Beat it, Billy Jean, Bad … Ik zag hem ook wel eens in een tv-clip, toen hij bijvoorbeeld danspasjes uitvoerde met Mick Jagger, iemand die wél bij mijn generatie hoorde.
Het is inderdaad een kwestie van generaties. Toen Jackson in 2009 overleed, schreef Thomas Sowell, die nog ouder is dan ik, dat de ‘king of pop’ overleden was, sterker nog, dat die al 20 jaar overleden was, en dat zijn naam Sammy Davies Jr. was.
Maar de film wou ik wel zien. Antoine Fuqua, de regisseur, heeft in het verleden wel eens een film gemaakt die ik aardig vond. En ik was geïntrigeerd door de verschillende respons. Op IMDB gaven de kijkers een waardering van 7,7 terwijl de critici gemiddeld op 3,9 uitkwamen. Fien Meynendonckx van De Standaard gaf 2 sterren op vijf. Mia Doornaert had de zaal al zingend verlaten, ‘alle zedenprekers ten spijt.’
Een groot bezwaar van de critici was dat de film niets te melden had over de vermeende pedofilie van Jackson. Daar waren juridische redenen voor. Zelf vond ik die lacune geen bezwaar want ik was op de hoogte van de beschuldigingen, wil niet door een film gemanipuleerd worden om die beschuldigingen al dan niet te geloven, en heb verder niemand nodig om mij ervan te overtuigen dat seksueel misbruik van kinderen heel verkeerd is.
Ik heb de film ondertussen gezien en vond hem schitterend. Ik kreeg verschillende keren tranen in de ogen van ontroering. De invalshoek was die van het maniakale streven naar perfectie – zowel bij de vader van Michael als bij hemzelf – en het mirakel dat plaatsvindt als die perfectie, om redenen die niemand kan verklaren, ook werkelijk tot stand komt.
Critici schreven dat Jackson in de film wordt voorgesteld als een heilige. Zo heb ik dat niet aangevoeld. Hij wordt voorgesteld als een griezel – een zachtaardige griezel, een gedreven griezel, een geniale griezel, een goedbedoelende griezel – maar, een griezel. We krijgen geen inzicht in wie hij was als mens, klagen de critici. Dat is misschien zo, maar welk soort inzicht willen die mensen eigenlijk? Als ik Hamlet lees, krijg ik ook geen inzicht in dat mysterieuze personage ‘als mens’. Dat krijg ik pas als ik de inleiding van Willy Courteaux lees. En Courteaux schrijft misschien wel aardig, maar toch is Shakespeare de betere auteur van de twee.
En het is ook nooit goed. Meynendonckx schrijft:
Elke gebeurtenis uit Jacksons leven krijgt in de film een simplistische oorzaak-gevolg-logica. Doordat zijn dominante vader en latere manager Joe regelmatig zijn riem gebruikte wanneer Michael niet de juiste toonaard haalde, begint zijn obsessie met (lichamelijke) perfectie. De jongen vindt troost in een prentenboek van Peter Pan, alsof dat Jacksons kindse naïviteit, liefde voor dieren en latere optrekje Neverland volledig verklaart.
Is het niet veeleer zo dat Meynendonckx zelf die simplistische oorzaak-gevolg-logica aan de gebeurtenissen oplegt? Ik heb die dominante vader, die obsessie met lichamelijke perfectie, dat prentenboek en die kindse naïviteit ook gezien, maar het kwam niet bij mij op om daar een oorzaak-gevolg in te zien.
Verbod op tabak, vapes en transvetten
In Engeland wordt een generationeel rookverbod ingevoerd. Wie geboren is vóór 2008 mag blijven roken, wie geboren is na 2008 zal nooit, ook al wordt hij honderd jaar oud, legaal sigaretten kunnen kopen. Zo’n uitdoofbeleid* wordt ingegeven door overwegingen van menselijkheid en efficiëntie. Het zou wreed zijn om de huidige generatie van honderdjarige rokers hun sigaret te ontnemen – ze zouden toch niet gehoorzamen – maar de komende generaties van honderdjarigen, en die zullen door het rookverbod omvangrijker zijn, die zullen nooit weten wat ze missen of niet missen.
Bij ons heeft het ministerie van Volksgezondheid het op de vapers gemunt. De vapes met een vieze tabakssmaak blijven toegelaten, maar die met de heerlijke smaak van kersen of appels komen in de illegaliteit terecht. Men beroept zich geloof ik op een variant van de stepping stone theorie, die 40 jaar geleden in progressieve publicaties achterhaald werd genoemd, maar nu zijn het die progressieve publicaties die achterhaald zijn. Men vreest dat een 18-jarige eerst verleid wordt door exotische vapes met kiwi-passievruchten-guava smaak om dan via een occasionele sigaar te eindigen bij de hard core Marlborough. Of erger.
Mijn zoon heeft dat vapen natuurlijk al lang uitgeprobeerd, maar als arts is hij voorstander van een verbod. Je zou van dat vapen een of andere rare ziekte kunnen krijgen waar ik nog nooit van gehoord heb. Artsen zijn als het over gezondheid aankomt, geen aanhangers van het libertarisme. De mensen moeten beschermd worden tegen zichzelf. Als iets schadelijk is voor de gezondheid moet het verboden worden. Wat kan ik daar tegenin brengen? Dat de Amerikaanse drooglegging van honderd jaar geleden mislukt is? De mensen bleven alcohol drinken, desnoods industriële alcohol die opzettelijk door de staat werd vergiftigd. Dat er zulke mooie foto’s bestaan van schrijvers, artiesten, acteurs en actrices die elegant een sigaret roken? Geraard Goossens postte vroeger vaak dergelijke foto’s met als bijschrift: ‘Omdat het leven meer is dan afwassen en onverdraagzaamheid alleen.’
Eigenlijk zou ik mijn zoon het liefst een kort verhaal in handen stoppen dat ik lang geleden – misschien 50 jaar geleden – gelezen heb in Humo of in een of andere sciencefiction omnibus. Het speelt zich af in nabije dystopische toekomst in de buurt van New York. De overheid heeft alle ongezond voedsel verboden. Er ontstaat een zwarte markt, en er wordt een voedselpolitie opgericht, met agenten in burger die zich voordoen als gretige klanten om dealers en verslaafden in de val te lokken. Het verhaal zoals ik het mij herinner gaat over een verslaafde die in de val wordt gelokt. Ik vroeg aan Grok welk verhaal dat was en de bot suggereerde ‘Lipidleggin’ van F. Paul Wilson, gepubliceerd in 1978. Dát verhaal gaat over boter en eieren, terwijl het in mijn herinnering over boerenbrood en biefstuk ging. Ook de plottwist is anders dan in mijn herinnering.
Maar het is een mooi verhaal. In een later geschreven inleiding verwijst de auteur naar de wetgeving in Californië waar het sinds 2010 verboden is om in restaurantkeukens transvetten te gebruiken. De auteur had niet verwacht dat zijn verhaal werkelijkheid zou worden. In ons land zijn we zo ver nog niet. Vorige week nog aten we friet in een restaurant dat op de kaart vermeldde: ‘Gebakken in ossenwit’. Het was een smaak van mijn jeugd.
* Zo’n uitdoofbeleid doet denken aan de manier waarop de slavernij in sommige Amerikaanse staten werd afgeschaft. Wie als slaaf geboren was - of voor wie dat liever hoort: wie als slaafgemaakte geboren was - bleef slaaf. Maar hun kinderen waren vrij vanaf de geboorte.
Reminiscent of Hemingway
Op de blog van Scott Alexander las ik een interessant stuk over kunst en kunstkritiek. De auteur verwijt de kunstkritiek dat ze zich met bijkomstigheden bezig houdt zoals ‘vernieuwing’ en ‘stromingen’. Het is zoals een culinaire criticus die het vooral heeft over bijkomstigheden zoals de sfeer van het restaurant, de bediening en de presentatie van het voedsel.
Die fixatie op bijkomstigheden komt onder andere door het onderwijs. Ik heb zelf literatuur onderwezen aan kinderen van 16, 17 en 18 jaar. Wat ik vertelde bestond bijna volledig uit bijkomstigheden: de literaire stroming waar een boek toe behoorde, de biografie van de auteur, zijn thematiek, de invloeden die hij ondergaan of uitgeoefend had enzovoort. Ik wist natuurlijk dat dáár de verklaring niet lag waarom we graag Dickens of Flaubert lezen, maar wat moest ik dan wel vertellen? Die bijkomstigheden konden helpen om de belangstelling te wekken, niet meer, maar ook niet minder. In de film Lalaland komt een scène waarin Ryan Gosling aan Emma Stone uitlegt hoe Jazz ontstaan is. De uitleg bestaat uit oppervlakkige plattitudes, maar met enthousiasme gebracht. Sinds mijn zoon die uitleg gehoord heeft, gaat hij wel eens naar een jazz-concert.
Bij één nevengedachte van Alexander ervoer ik een schok van herkenning. Hij vraagt zich af waarom je vandaag niet meer kunt schrijven in de stijl van Homeros en weerlegt de al te gemakkelijke verklaringen. Maar dan schrijft hij dat de hedendaagse Amerikaanse auteurs en critici ervan uit lijken te gaan dat ‘all prose must consist of short and clear sentences vaguely reminiscent of Hemingway.’ Dat is heel mooi gezegd. Er zijn misschien veel Amerikaanse schrijvers die de Hemingway-stijl niét gebruiken, maar het is wel de archetypische stijl van vandaag. Je ziet dat het beste in Hollywoodfilms met fictieve schrijvers als hoofdpersonage. Op een bepaald moment komt er dan scène waarin een heel kort fragment uit een fictieve roman voorgelezen. En zo’n fragment is altijd meer dan vaguely reminiscent of Heminway. Het is positively reminiscent of Hemingway.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten