zaterdag 11 juli 2026

De leek, de kritikaster en Demir, e.a.

 


De leek, de criticaster en Demir
     
Voor wie zich op de sociale media begeeft om maatschappelijke commentaar te geven staan verschillende wegen open.  Een frisse scheldpartij kan deugd doen aan het hart. Een kreet van verontwaardiging kan de ziel tot rust brengen. Met fijne ironie kan het gevoel van eigenwaarde een boost krijgen. Voor mezelf helpt het om wat scherper na te denken over zaken waar ik toch vanzelf al over nadenk. En dat nadenken doe ik uitdrukkelijk als de leek die ik ben. Ik wil wel iets lezen over een kwestie, een paar cijfers memoriseren, een paar drogredenen weerleggen, maar ik moet daarbij altijd oppassen dat ik niet te hoog van de toren blaas.
     Als je te hoog van de toren blaast, word je al snel, zoals onze hoofdartikelschrijvers, een criticaster of, wat ongeveer hetzelfde is, een pseudo-expert. Ik ben voor een republiek der letteren waarin de leek en de expert de degens kruisen, maar ieder in zijn rol, en met wederzijds respect. De leek moet kennis nemen van wat de expert te vertellen heeft, en de expert moet zich af en toe uitdrukken in de taal van de leek. Dat is wat vaak fout liep tijdens de corona-discussies. Leken gebruikten de experts als omgekeerd kompas, en experts drukten zich uit in de taal van de kleuterjuf.
     Voor de leek is het al veel als hij beseft hoe complex de problemen zijn. Ik las laatst op een FB-pagina een vrij redelijk stuk over de federale subsidies. Die waren te hoog, vond de leek van dienst. 66 miljard euro, dat kon gerust met 10 miljard minder. Ik denk dat die leek gelijk heeft. Hij wilde ook wel eens nadenken op welke posten er kon worden bespaard. Op onderzoek en ontwikkeling kon men beter niet besparen, maar onderwijs, dat moest toch goedkoper kunnen. Met enkele krantenknipsels in de hand had de leek vanuit zijn keukentafel, op de achterkant van een gebruikte enveloppe, uitgerekend dat 0,7 tot 1,5 miljard kon worden bespaard door onder andere een rationalisering van parallelle netten en administratie.
     Ik geloof dat de logica van dat commentaar juist zit, en de achterkant-van-de-enveloppe-cijfers lijken mij ook plausibel. Wellicht moeten we die richting uit. Wat me dan weer minder bevalt is dat ik bij dezelfde auteur de volgende uitval tegen Zuhal Demir aantref:

Op onderwijs gedraagt Demir zich als een olifant in een porseleinenwinkel. In snel tempo volgen nieuwe hervormingen, ingrepen, schaalvergrotingen en besparingsoperaties elkaar op … Alles moet efficiënter, strakker en beter meetbaar.  … Achter termen als “flexibilisering” en “efficiëntere organisatie” ziet het onderwijsveld vooral harde besparingen. Grotere klasgroepen, graadklassen en schaalvergroting betekenen in de praktijk minder individuele aandacht voor leerlingen.  … Levensbeschouwelijke vakken zijn vaak één van de laatste plaatsen waar nog ruimte bestaat voor gesprekken over twijfel, geweten, verantwoordelijkheid, dood of zingeving. Dat net die ruimte wordt afgebouwd, is bijzonder zorgwekkend.

      Zo is het nooit goed. Zelfs een elementaire rationalisering van de levensbeschouwelijke vakken wordt van tafel geveegd met algemeenheden die naast de kwestie zijn aangezien niemand de vakken wou afschaffen. Maar hoe kun je langs je neus weg de afschaffing van de parallelle netten voorstellen en tegelijk vasthouden aan de absurde toestanden van klassen met één leerling die het vak Protestantse Godsdienst volgt. Ik heb ooit lesgegeven in een kleine Atheneum waar ik voor Nederlands een klas van 36 leerlingen had, dat wil zeggen het volledige vierde jaar. Ik ben vergeten in hoeveel groepen die klas uiteenviel voor levensbeschouwing, maar het waren er veel.
     En dan: grotere klasgroepen is volgens onze leek ook al geen goed idee. Misschien heeft hij gelijk. Maar aangezien hij de hoge kostprijs van het Vlaamse onderwijs graag afzet tegen andere landen waar het zuiniger toegaat, mag er ook eens gewezen worden op de grotere klassen die in die andere landen gangbaar zijn.
     Ik zeg niet dat dat FB-stuk dat op Demir afgeeft onredelijk is, al valt het niet goed te rijmen met wat de auteur elders schrijft over efficiëntie, rationalisering en besparing. Op zich echter vat het stuk goed samen wat andere criticasters in het onderwijs en in de pers tegen Demir inbrengen. Alleen heb ik iets tegen stukken waarvan je voelt dat de auteur op geen enkel moment de andere kant van het verhaal heeft overwogen en gewoon alles overneemt wat in zijn polemisch kraam past. Of in dit geval: nogal gemakkelijk aanneemt dat er geen andere kant bestaat omdat die in de pers niet aan bod komt.
      Zo schrijft de auteur ook: ‘Scholen, leerkrachten en directies krijgen almaar minder ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken.’ Dat geeft de zaak verkeerd weer, en ik spreek dit keer niet als leek en buitenstaander, maar als gewezen leerkracht. In werkelijkheid is de ‘ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken’ gedurende eerdere decennia afgebouwd, en werd éénzelfde nefaste pedagogische keuze opgelegd door ministerie, koepel, en inspectie, vaak met de medeplichtigheid van directies. Dat Demir nu ruimte creëert voor een ándere pedagogische keuze maakt haar voor mij de beste Onderwijsminister van de laatste 50 jaar.  


Israël: feiten en cognitieve dissonantie
     Raar is het wel dat er over Gaza zo bitter geruzied wordt terwijl de grote feiten door niemand worden ontkend. Op 7 oktober werden bij een raid ongeveer 1.200 Israeli’s gedood en ongeveer 250 Israëli’s gegijzeld. Op 8 oktober lanceerde Israël een oorlog waarbij 70.000 Palestijnen omkwamen, waarvan ongeveer 2/3 burgers, en waarvan 1/3 minderjarigen. Ik ken weinig Israël- of Palestina-mensen die déze feiten betwisten. Er wordt veel gespeculeerd over de motieven, bijvoorbeeld of het Israëlisch leger een speciaal beleid had om zoveel mogelijk kinderen dood te schieten, maar dát er veel kinderen doodgeschoten zijn, wordt door iedereen aangenomen.
      Natuurlijk zijn er ook meningsverschillen over de feiten zelf. Zo geloof ik niet, in tegenstelling tot mijn vriend M.L., dat het Israëlisch leger waterputten vergiftigd heeft. Of, belangrijker, ik geloof niet dat er een massaal voedseltekort geweest is met duizenden hongerdoden tot gevolg. Maar dat zijn, vergeef mij de uitdrukking, details in het grote geheel. Wat de feiten betreft, geloof ik ongeveer hetzelfde als M.L., F.D., Y.D. en P.V.O.
     De grote feiten worden dus door niemand ontkend. Iets anders is echter de neiging om bepaalde feiten te negeren of onbewust te vergeten. Dat doet men om cognitieve dissonantie te voorkomen als die feiten het eigen verhaal zo flagrant tegenspreken dat je ze geen plaats kunt geven. Zelf krijg ik vaak het verwijt dat het anti-Palestijns geweld op de Westbank niet verenigbaar is met mijn geloof in Israël als liberale democratie. Ik zie echter geen tegenspraak. Een land kan best vrije verkiezingen hebben en de burgerlijke vrijheden respecteren en tegelijk optreden als een schurk buiten de eigen grenzen.
     Voor de cognitieve dissonantie in het Palestina-kamp kijken we eerst naar de slachtpartij van 7 oktober en de ideologie van Hamas. Dat zijn inderdaad zaken waar de Palestina-mensen niet graag over spreken en die ze liever zouden negeren. Maar ik veronderstel dat de meesten van hen die feiten zonder al te veel moeite in hun algemeen beeld kunnen integreren. Zij kunnen die feiten wel degelijk ‘erkennen’ als ze er maar niet te veel over moeten nadenken. Bijvoorbeeld: ‘Ja, Hamas is ook slecht, maar dat is geen verantwoording voor de veel grotere misdaden van het Israëlisch leger.’ Die redenering moet voor veel Palestina-mensen volstaan om er weer tegenaan te kunnen.
       Er is iets anders wat veel moeilijker integreerbaar is. Wat de Gaza-oorlog verder ook moge geweest zijn, het was óók een oorlog, dat wil zeggen een gewapend conflict tussen twee strijdmachten: het Israëlisch leger en de Hamas-milities.  Ik ken weinig Palestina-mensen die dat onder ogen willen zien. Ze beginnen onmiddellijk over iets anders, zonder het feit zelfs maar te erkennen. Ik heb één iemand gekend die het feit gewoon ontkende: hij had op televisie nog geen enkel beeld van gevechten gezien.
      Slechts heel af en toe kom je een flauwe poging tegen om de cognitieve dissonantie in dit verband weg te werken. Ik vond er een bij de Italiaanse historicus Enzo Traverso*:

Gezien de ongelijkheid tussen de IDF (het Israelische leger) en Hamas hebben we hier niet te maken met twee legers, maar met beulen en slachtoffers, een leger en een burgerbevolking – precies de omstandigheden die gepaard gaan met genocide. 

     Die redenering berust op een flagrante non sequitur:          

  1. Het leger van Hamas was militair zwakker dan dat van Israël
  2. Dus het leger van Hamas was geen leger
  3. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking 

    Dan levert het negeren van het militaire karakter van de oorlog een betere redenering op.

  1. (Er wás helemaal geen oorlog tegen Hamas-milities**)
  2. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking***. 

    Alleen kun je de eerste stap van de redenering niet uitspreken, niet neerschrijven, en liefst ook niet dénken. 

* Enzo Traverso’s boek Gaza Faces History wordt, samen met andere Palestina-propaganda, besproken door Matti Friedman, ‘Introduction tot Gazology’, gepubliceerd op 21 april 2026 op Thefp.com. Een vertaling vindt men op de FB-pagina van Geraard Goossens.

** Ook mooi is natuurlijk de kettle logic in dit verband. Er wordt niet gevochten tegen Hamas-milities en bovendien worden de Hamas-milities juist sterker als reactie op de Israëlische agressie. 

*** Ten overvloede: ik wil hier niet die conclusie – het IDF voerde oorlog tegen de burgerbevolking – weerleggen; ik wil alleen de redenering tegenspreken die tot die minstens eenzijdige conclusie leidt.

 


Subsidies voor naaktloperij
     Het is niet makkelijk om in de staatsuitgaven te bepalen wat subsidies, investeringen, structurele uitgaven enzovoort zijn. De federale overheid, zegt men, geeft 66 miljard euro aan subsidies. De Vlaamse overheid geeft 18 miljard. Met een iets andere definitie, krijg je grotere en kleinere bedragen. Voor een libertair als ik mogen de meeste van die subsidies eigenlijk verdwijnen. Maar ik kan er niet goed tegen dat anderen het voorstellen of zoiets slechts een kwestie is van vijf minuten politieke moed.
      Van de week zag ik op de sociale media voortdurend dat bedrag van 18 miljard Vlaamse subsidies voorbijkomen, gekoppeld aan een filmpje van twee naakte dansers op de dijk van Oostende. Het was geloof ik een culturele protestactie tegen koning Leopold II (1835-1909) en ze was georganiseerd door het kunstencentrum KAAP. Als je dat bedrag en die dansers naast elkaar ziet, denk je eerst dat het optreden 18 miljard gekost heeft, en daarna dat die 18 miljard wel allemaal naar vergelijkbare optreden is gegaan. Dat is geloof ik niet zo. KAAP ontvangt 2 miljoen subsidies per jaar. Hoeveel daarvan zou naar die naakte artiesten gegaan zijn? Een paar honderd euro?
     Ik ben best bereid een voorzichtig protest tegen deze vorm van openbare zedenschennis te laten horen, maar aan die paar honderd euro wil ik niet te zwaar tillen. Ofwel schrap je alle subsidies voor alle kunstencentra, en dan spaar je inderdaad vele miljoenen, maar haal je je de woede van allerhande kunstliefhebbers op de hals. Ofwel stel je extra controleurs aan om onzinnige, zedenschennende projecten te schrappen, en dan zal je vele miljoenen extra moeten betalen. 


Van Dalsum en Bette Davis 
   
 De beroemde Nederlandse acteur Albert van Dalsum (1889-1971) ken ik alleen omdat Karel van het Reve hem ergens ter sprake brengt. Karel schrijft dat hij een bepaalde vondst van Annie M.G. Schmidt nog nooit ergens in de wereldliteratuur is tegengekomen: dat een personage gespeeld door een acteur iets zegt … over die acteur. 

Dus laat ons zeggen een Nederlands stuk uit 1950, waarin als het doek opgaat Jansen, gespeeld door Albert van Dalsum, met zijn vrouw uit de Gijsbrecht thuiskomt en bij het uitrekken van zijn jas zegt: ‘Hoe vond jij die Van Dalsum nou? Ik vond dat hij het er wel erg dik op lei.

    Ik ken de hele wereldliteratuur niet, maar ik weet wel dat het in één geval niet veel gescheeld heeft of die vondst had zijn weg naar het repertoiretoneel gevonden. Sommige van mijn lezers herinneren zich misschien de eerste replieken uit Who’s Afraid of Virginia Woolf

  • Martha: What a dump. Hey, what’s that from? ‘What a dump!’
  • George: How would I know what …
  • Martha: Aw, come on! What’s it from? You know …
  • George: … Martha …
  • Martha: What’s it from, for Christ’s sake?
  • George: What’s what from?
  • Martha: I just told you; I just did it. ‘What a dump!’ Hunh? What’s that from?
  • George: I haven’t the faintest idea what …
  • Martha: Dumbell! It’s from some goddamn Bette Davis picture  … some goddamn Warner Brothers epic …
  • George: I can’t remember all the pictures that …
  • Martha: Nobody’s asking you to remember every single goddamn Warner Brothers epic … just one. Bette Davis gets peritonitis, and she’s married to Joseph Cotton or something …      

     De hilarische dialoog gaat nog even door, over Bette Davies die  ‘comes home from a hard day at the grocery store’ en Bette Davis die ‘walks into the modest living room of the modest cottage modest Joseph Cotton has set her up in.’  De lezer heeft het ondertussen begrepen. Het heeft niet veel gescheeld of het was Bette Davis die de rol van Martha had gespeeld in de film en die dus zou blijven zeuren zijn over Bette Davis. De auteur had het heel graag gewild, en Bette Davis zelf ook. Maar het werd Elizabeth Taylor.


Derde Wereldoorlog
     Jo Komkommer vertelt in een autobiografisch stukje over een gesprek tussen zijn vader en garçon Vincent van restaurant De Linde.

Op een keer dwaalde, tijdens het opnemen van de bestelling, het gesprek af en kwam de oude vader van Vincent ter sprake. “Die man heeft toch veel meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog,…” Mijn vader – die hoopte dankzij de Russen alsnog het einde der tijden te mogen meemaken – voegde er triomfantelijk aan toe: “En binnenkort de Derde Wereldoorlog!” Vincent noteerde de bestelling van de avond en antwoordde bedachtzaam: “Als alles goed loopt natuurlijk, meneer Komkommer…”’     

Annie M.G. Schmidt maakt een vergelijkbaar grapje in háár autobiografie.

Toch vind ik het interessant om zo’n groot stuk eeuw te hebben meegemaakt. Twee wereldoorlogen en als ze een beetje opschieten nog een derde.

     Er bestaat geloof ik een beperkt areaal aan mogelijke grappen, die dan door verschillende mensen op verschillende tijdstippen zelfstandig ontdekt worden. Gelukkig is de taal zo soepel dat die grappen iedere keer weer een lichtjes ander kleedje dragen.


Fietsslot 
   Ook al staat mijn fiets in Oostende in een gesloten fietstalling, toch doe ik hem voor de zekerheid op slot. Als ik mij voorover buig om het slot los te maken denk ik altijd heel even aan de film Barney’s Version (2010), meer bepaald aan een vroege scène met Barney en zijn vrienden op een caféterras in Italië. Ik geloof nochtans niet dat er in die scène een fiets, een fietsslot of een fietsstalling voorkomt. 

 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten