maandag 21 april 2025

De paus en de 'armen en verdrukten'


Koppig en onvoorspelbaar
      Ik zette gisteren – Pasen –  de radio aan en de eerste zin die ik hoorde was: ‘De man is koppig en onvoorspelbaar.’ Ik dacht dat het over Trump ging, maar het ging over Paus Franciscus (1936-2025)*. 

De mensenrechten
     ‘Franciscus koos radicaal voor de mensenrechten,’ schrijft De Standaard. In ons eigen land hebben we professor Elchardus die pleit tegen het ‘mensenrechtenfundamentalisme.’ Wie heeft er gelijk? Hebben we hier te maken met het verschil tussen moraalpolitiek en realpolitiek? Met het verschil tussen het evangelie en het militair reglement, zoals Julien Benda het uitdrukte. Benda is voor een radicale scheiding tussen moraal en politiek. De moralisten moeten aan moraal doen en de politici moeten aan politiek doen, en zich van elkaar niets aantrekken.
     Ik schrik terug voor Benda’s radicalisme, maar ik zie er wel de verdienste van. Er is niets mis met een paus die in 1935 oproept tot pacifisme en ontwapening, maar Engelse politici deden er beter aan om die oproep te negeren. Er is niets mis met een paus die de morele argumenten inroept voor een open grenzen-beleid, maar vandaag zitten we opgescheept met een Conventie van Genève die is afgesproken in een ander tijdperk en in een Europa waar massa-migratie uit het Zuiden nog niet bestond.

De armen en verdrukten
     Ook op de radio gisteren hoorde ik een priester vertellen dat het Evangelie oproept om ‘voorrang te geven aan armen en verdrukten.’ Die oproep tot ‘voorrang’ vind ik wat raar. Het is alsof bij het zinken van een schip niet alleen de vrouwen en kinderen, maar ook de ‘armen en verdrukten’ het eerst tot de reddingsbootjes moeten worden toegelaten. Maar mijn vergelijking verheldert boodschap van Franciscus niet. Ik geef een te krappe definitie aan het woord ‘voorrang’. John Rawls heeft een systeem bedacht waarin ‘voorrang geven aan de armen’ het uitgangspunt is van een rechtvaardige maatschappij. Dat is een knap staaltje van politieke filosofie, al voel ikzelf meer voor de weerlegging ervan door Nozick.
     Wat mij meer stoort is het automatisch bij elkaar plaatsen van ‘arm’ en ‘verdrukt’. Uitkeringstrekkers bijvoorbeeld zijn meestal arm. Maar is die armoede ook een gevolg van ‘verdrukking’ of van, wat je ook vaak hoort, ‘uitbuiting.’ Wie dat zou willen beweren, en beargumenteren, die moet wel een heel lange ideologische omweg maken.
      Maar er zijn andere ‘armen’ die je met een veel kortere omweg bij de ‘verdrukten’ kunt onderbrengen. Paus Franciscus was erg begaan met het lot van illegale immigranten. Hij gebruikte het woord niet, maar hij was eigenlijk een prediker van 
open grenzen. Mensen uit de arme landen die wilden verhuizen omdat ze in een ander land rijk wilden worden**, mochten van hem niet aan de grens worden tegengehouden, of uit dat land worden gezet, alleen omdat ze niet onder de criteria van ‘asiel’ vielen.
      Aangezien die mensen met dwang worden tegengehouden of met dwang het land worden uitgezet, zou je in dat geval wel van ‘verdrukking’ kunnen spreken. Een kleine omweg langs het concept van onvoorwaardelijke naastenliefde volstaat om tot die conclusie te komen. Alleen kun je je afvragen of zulke zaken niet in de eerste plaats aan Caesar toekomen. Redde Caesari quae sunt Caesaris. Het is goed dat de kerk, onafhankelijk van de staat en de politiek, opkomt tegen verdrukking. Maar alles wat tegen onvoorwaardelijke naastenliefde ingaat bij ‘verdrukking’ rekenen gaat wat ver. 

* Over de Paus en de klimaatopwarming, zie mijn stukje hier. Over zijn standpunt over abortus, zie mijn stukje hier.

** Volgens sommige economen werkt die verrijking ook echt. Iemand die vanuit een Derde Wereld-land naar de VS of Europa immigreert ziet zijn inkomen met gemiddeld 400 % stijgen. 

zondag 20 april 2025

Waarom stukjes schrijven?

Overtuigen
     Veel van de blogstukjes die ik schrijf behoren tot wat ik in de klas het ‘persuasieve’ genre noemde. Dat wil niet zeggen dat ik iemand wil overtuigen. Iemand die ontkent dat Rusland Oekraïne is binnengevallen, of iemand die dat binnenvallen toejuicht, zo iemand heeft van zichzelf al een overtuiging die tegen een stootje kan. Daar kan ik niet tegenop. En iemand die beweert dat Trump het fascisme voorbereidt door de rechterlijke macht in zijn land buiten spel te zetten, weet wellicht meer af van de trias politica in de VS dan ik. Of misschien ook niet, maar dat neemt niet weg dat ik er ook niets van ken.
      Ook wil ik niemand overtuigen van een van mijn voorkeuren: voor of tegen meer groen, voor of tegen meer parkeergelegenheid, voor of tegen een appartementstoren in Blankenberge, voor of tegen hoogbouw naast de Thermae Palace, voor of tegen een gemoderniseerde Boerentoren. Soms heb ik wel zo’n voorkeur, maar het staat mij tegen om die op te dringen.
     Het enige waar ik graag mensen van overtuig, is dat een zekere bewijsvoering voor een bepaalde opvatting ondeugdelijk is. Daarmee heb ik dan de opvatting zelf niet ‘weerlegd’, maar alleen de bewijsvoering die ervoor wordt aangewend. De opvatting zelf kan altijd nog worden geschraagd door een betere bewijsvoering waar ik niet tegenop kan.
      Ondertussen ben ik, toegegeven, partijdig in mijn keuze van onderwerpen. Ik weerleg liever een ‘rechtse’ dan een ‘linkse’ bewijsvoering. En ik zal makkelijker iets tegen woke schrijven dan tegen het rechtspopulisme.
      Dat komt niet, ik zeg het er even bij, omdat ik het ene ‘gevaarlijker’ vind dan het andere. Hoe zou ik zoiets kunnen weten? Wat is er gevaarlijker: een maatschappij waarin het taboe is om over intelligentieverschillen te spreken, of een maatschappij waar het IQ op je identiteitskaart moet worden vermeld? De dystopische roman Waanzin van Lionel Shriver gaat over die vraag, en er komt geen antwoord op.

Ongelukkig maken en zijn
     Met mijn stukjes maak ik mensen soms ongelukkig.
.
      Neem Trump bijvoorbeeld. Als ik over hem iets schrijf, vindt men dat ik Trump te veel verdedig, dat ik hem te weinig verdedig, dat ik mij moei met zaken die mij niet aangaan, of dat ik altijd hetzelfde schrijf. 
     Die laatste kritiek komt hard aan, omdat ik dat probeer te vermijden. Maar ik begrijp het wel. Men kijkt naar de
 bottomline, trekt daar een eigen conclusie uit en wonder boven wonder is dat altijd dezelfde. Terwijl ik er op mijn leeftijd meer in op gebrand ben om mijn gedachtekronkels rond een bepaald onderwerp – mijn monologue intérieur – onder woorden te brengen, zelfs als die niet tot een bottomline leiden.
      De andere verwijten – verdedigen, niet verdedigen, bemoeizucht –  komen ook hard aan omdat zij indirect een oordeel uitspreken over mijzelf als moreel wezen.
     Zo zijn we allemaal ongelukkig, mijn critici en ikzelf.

Egotripperij
     Een maand geleden schreef ik een wat langer stuk over het defensiebudget. Ik kreeg daar op mijn blog een korte commentaar op van R.V. ‘Dag Philippe. Ik vind je gezeur wat efficiëntie missen. Vooral bezig met jouw ego …’
      Dat was natuurlijk de zuivere waarheid, en op verschillende niveau’s. Iemand die schrijft voor een publiek, zij het een heel beperkt publiek, is altijd wel behept met een zekere ijdelheid. Voor mij geldt dat zeker.
 
    Kijk, ik lijd niet aan zelfoverschatting. Ik weet dat de meeste mensen dingen kunnen die ik niet kan: windsurfen, een trap timmeren, zelf elektriciteit leggen, wiskunde begrijpen, accentloos Engels spreken. En ondanks al die dingen die ik niet kan, voel ik geen neiging om nederig te zijn. Het ligt niet in mijn karakter.
      Zo ben ik ijdel genoeg om mijn ego tot onderwerp van mijn stukjes te maken*. Het lijkt alsof ze gaan over het defensiebudget,
  maar eigenlijk gaan ze over mijn ego. Dat heeft R.V. goed gezien. Ze zijn een poging om de monologue intérieur, waaraan ik lijd sinds ik een kind was, op schrift te stellen. Naar het schijnt lijdt 30 tot 50 procent van de mensen aan het monologue intérieur-syndroom.     
     Dat op schrift stellen is op zich al een aardige manier om je tijd door te brengen, maar je voelt je nog meer in je nopjes als je weet dat iemand anders de moeite zal doen om datgene wat je schrijft ook nog eens te lezen, het liefst met enig plezier. 
     Ik kan natuurlijk niet willen dat iederéén die stukjes met plezier leest. Er is zoveel om je aan te storen. Ze zijn te lang, ze brengen niet de gewenste boodschap, ze draaien rond de pot, ze zijn te kil, ze zijn te opzichtig, ze zijn te opschepperig. Ik heb dat stukje over het defensiebudget herlezen en ik geloof dat R.V. er alle genoemde kenmerken in heeft teruggevonden.
 

* Ik heb mij nog net kunnen inhouden zodat ik mij hier niet met Montaigne vergelijk.

zaterdag 19 april 2025

Kortjes allerlei

Michaël De Cock en Madame Bovary
     KVS-directeur Michaël De Cock heeft het libretto geschreven voor een opera rond Madame Bovary. Een zinnetje viel mij op in het interview dat hij daarover gaf (DS 11/4): Emma Bovary is ‘een erg mannelijke projectie van Flaubert: een beschikbare vrouw die wil neuken.’
    Is dat zo? Ze is in elk geval mijn type niet. Een van mijn leerlingen die een presentatie  gaf over Flaubert noemde Emma Bovary ‘een beetje een bitch.’  

All That Jazz
     Ik las laatst ergens een uitspraak van Stanley Kubrick over de film All That Jazz: ‘I think it’s the best film I have ever seen.’ Die uitspraak doet mij geweldig veel plezier. 

Overlijdensberichten
     Als mijn vrouw zegt dat die of die overleden is, laatst bijvoorbeeld Mario Vargas Llosa of Danny Verbist, dan is mijn eerste vraag altijd hoe oud die geworden is. Is het antwoord een getal dat boven de 90 ligt, voel ik mij veilig. 80 kan er ook nog mee door. 70 geeft al een vervelend gevoel. Ik word volgende maand 70.

Begrip
     Ik heb geloof ik meer ‘begrip’ voor Poetin – en dat is niet veel – dan de doorsnee linksliberaal voor Trump. 

De humor van Herman De Croo
     Politici en humor … Je denkt aan Winston Churchill, Ronald Reagan, Bart De Wever. De Nederlandse zanger Joop Visser heeft een lied over Joop den Uyl die ‘ook gevoel voor humor had / nou ja, veel lachte.’ 
     Bij dat laatste moet ik aan Herman De Croo denken. Die lacht ook veel. Ik herinner mij een snedige uitspraak van hem. ‘Binnen twee generaties is de burgemeester van Antwerpen Turks, Marokkaans of zwart. Bye bye De Wever.’ De eerste zin is een vastelling. Met zijn tweede zin geeft De Croo er een humoristische draai aan. Humoristisch,
 nou ja, zoals Joop Visser zingt.

Monty Hall en de sleutels in de jaszak
     Als je in een spelprogramma moet kiezen tussen drie deuren – A, B, C – en achter een van die deuren staat een auto die je mag meenemen als je juist gokt, dan mag je gelijk welke deur kiezen. Je kiest bijvoorbeeld A en je hebt 33,33 procent kans dat je de auto krijgt. Maar als de spelleider, laten we hem Monty Hall noemen, om je te helpen daarna deur B openmaakt, waar geen auto staat, dan moet je als de bliksem je keuze veranderen in C: die verandering biedt 66,6 procent kans op succes. ’t Is een logisch probleem voor gevorderden, maar het klopt.
     Maar nu iets anders. Je jas hangt in de kast, en je sleutels zitten in een van de twee jaszakken. Je kiest één van de jaszakken in de hoop daar je sleutels te vinden. Hoeveel kans is er dat je de juiste jaszak gekozen hebt? Ik schat: 15 procent. Het beste is om de jas uit de kast te halen, aan te trekken en dan gelijktijdig je twee zakken af te tasten. 

Nieuwsgierig
     Ik ben heel nieuwsgierig. Vertelt iemand mij iets over een kelner die een bord soep liet vallen, dan wil ik weten welke soep dat was. Mijn zoon wordt dan ongeduldig. ‘Wat kan het iemand schelen welke soep het was? Daar gaat het verhaal toch niet over. Het was erwtensoep. Nu tevreden?’

Geheugen
     Ik heb het hoe langer hoe moeilijker om mij namen te herinneren. Gisteren zocht ik de naam van de onze huidige minister van Defensie. Zij voornaam was Theo, maar wat was zijn achternaam? En omgekeerd zijn er namen die ongevraagd plots opduiken. Ik zat gisteren op restaurant met mijn broer en het gesprek kwam, om begrijpelijke redenen, op de film La Grande Bouffe (1973). ‘Met Philippe Noiret, Michel Picolli en Marcello Mastroianni,’ zei mijn broer. ‘En Ugo Tognazzi,’ voegde ik eraan toe. Ugo Tognazzi, waar kwam die naam nu plots vandaan?

Oorlogsverklaring
     Als Willem Elsschot niet loog, was hij op 7 september 1939 in een Ardense slagerij om een ham, nee, hammen verduiveld, te kopen. Over de radio hoorde hij dat de Engels-Franse oorlog tegen Duitsland begonnen was. Mijn moeder was op hetzelfde moment met haar ouders in een winkel in Brussel om rolschaatsen te kopen. Ook daar vernam men over de radio dat de oorlog begonnen was. Oorlog, dat veranderde alles. Er werd ter plaatse beslist om geen rolschaatsen te kopen. Toen een paar maanden later bleek dat er niet zoveel meer geschoten werd, kreeg mijn moeder die rolschaatsen alsnog. 

Grotere TV
     Als mijn moeder de tv aanzet is het vooral om concerten, opera of ballet te volgen. Omdat ze slecht ziet heeft ze nu een grotere TV, maar dat komt met een nadeel. Ze hoort nu niet alleen de muziek, maar ze ziet ook de modernistische decors en dansstijlen die vandaag gangbaar zijn. ‘t’ Is affreus, zegt ze dan, gelukkig zingen ze mooi.’ En bij solisten heeft ze niet graag dat ze teveel met hun lichaam bewegen. Haar vader, mijn grootvader, had altijd gezegd: ‘Dat heeft niets met muziek te maken.’ 

Citeren
     In gezelschap was mijn vader niet echt zwijgzaam, maar zijn anekdotes werden niet uitgesponnen. Ze waren kort, en ze eindigden meestal met wat iemand toen of toen gezegd had. En toen zeiden ze: ‘Where are you from?’ En toen zei hij: ‘Mais ce n’est pas une grande ville.’ En toen zei ze: ‘Der Raimund ist sehr fromm.’ En toen zei ik: ‘Wie denk jij wel dat je bent.’ En toen zei ze: 
No money, no money, en daarop begonnen de anderen te roepen Kein Geld, kein Geld!

Dad Jokes
     Grappig zijn in een conversatie wordt almaar moeilijker. Vroeger had je flauwe moppen, schuine moppen, sarcastische moppen, woordspelingen, raadseltjes, historische anekdotes of oneliners, etc. Dat zijn nu allemaal ‘dad jokes’ geworden. De schuine moppen zijn vervangen tekeningen van Peter van Straaten, de woordspelingen zijn vervangen door Star Trek-memes, de sarcastische moppen zijn vervangen door ‘classic art memes’ – allemaal genres die slechts werken met een illustratie als ondersteuning.
      Vooral jonge mensen zijn erg streng geworden. Ik probeerde ooit de volgende mop te vertellen aan mijn zoon. ‘Wist je dat de CIA om de Russen te overbluffen in juli 1969 een in scène gezette maanlanding hebben uitgezonden? Men vroeg Stanley Kubrick werd om het geheel te verfilmen omdat hij de ruimtevaart in 2001, A Space Odyssee zo realistisch in beeld had gebracht. Kubrick stelde  maar een voorwaarde: hij wou alles op locatie opnemen.’
     Mijn zoon keek mij vernietigend aan. 

Toneelrecensies
   Ik lees in de krant er een recensie over het toneelstuk Sitcom. Ik heb dat stuk gezien anders zou ik niet weten waar het over gaat. Maar alles wat in de recensie staat is waar, over ironiseren en emotie en existentiële kwesties zonder gedeprimeerd gevoel. Het leukste thema vond ik de generatiekloof. Het stuk gaat over het maken van een sitcom. De jongere generatie heeft de regie in handen, de oudere generatie moet acteren. Het gevoel voor humor van die twee groepen is heel verschillend. Ik herken dat. Veel van wat mijn generatie grappig vond, gaat vandaag door voor dad-jokes. Een mop zonder meme erbij is per definitie een dad joke.

Proteïne-dieet
     Ik ben 15 jaar geleden 20 kilogram afgevallen toen ik meer proteïnen en minder koolhydraten begon te eten. Nu is het een hype aan het worden. Je ziet overal producten in de rekken liggen met de vermelding ‘Met proteïne’ of ‘Met extra proteïnen’ of ‘Met speciale proteïnen’. De lezer begrijpt het al, de factcheckers in de media roken hun kans. ‘Zijn die proteïnes die het dieet voorschrijft zoveel beter om af te vallen,’ blokletterde De Morgen. Ik heb het artikel niet gelezen, maar, nee, waarschijnlijk zijn die proteïnen niet nodig. Maar je moet toch iets eten als je de koolhydraten op je bord laat liggen. Ik wil wel diëten, maar ik wil geen honger lijden.

Trump en zijn fellowtravellers
     De redenen die Trump opgeeft voor zijn beleid zijn meestal van een kinderachtig niveau. Kort daarop volgen analyses van commentatoren die verklaren dat zijn echte redenen veel verfijnder zijn dan je zou denken. Die analyses móeten wel waar zijn, of toch gedeeltelijk, want zó dom kan Trump niet zijn, en de redenen die hij opgeeft zijn wellicht meer als entertainment en intimidatie bedoeld dan als redelijke uitleg.
      Mij doet die toestand echter denken aan de communistische landen en de sympathiserende fellowtravellers van vroeger. De leiders van communistische landen hadden vaak kinderachtige verklaringen voor hun wangedrag. Men moest bijvoorbeeld trotskisten doodschieten omdat Trotski een geheim agent van de nazi’s was. En dan had je fellowtravellers die op hun eentje een veel verfijndere uitleg bedachten waarom die Trotski niet deugde.

Lachen om de handelsbalans
     Op de FB-pagina van Pieter Auwaert staat er vaak iets wat mij aan het lachen brengt. Dit bijvoorbeeld. ‘Ik heb vorige week voor € 240 goederen gekocht van Delhaize. Delhaize daarentegen heeft NUL EURO van MIJ gekocht! Dit onrecht MOET stoppen, en daarom heb ik beslist om mezelf vanaf nu elke keer 50€ extra aan taksen aan te rekenen bij elk bezoek aan Delhaize. Met die extra inkomsten zal ik dan meer komkommers en diepvriespizza kunnen kopen, voila! Komt helemaal goed… Volg mij voor meer tips.’
     En dat allemaal zonder er Adam Smith (1723-1790) of David Ricardo (1772-1823) bij te halen, of moeilijke woorden als ‘comparatief voordeel’.

Staking
      Omdat ik voorlopig weinig met de trein reis, heb ik het aantal stakingsdagen niet geteld. Het zijn er veel. En ze lijken weinig indruk te maken op de regering. Toch zou ik de stakers een hart onder de riem willen steken. Je mag nooit opgeven. In 1906 was er in ons land een grote betoging tegen de ‘velotaks’ en kijk, in 1991 is die taks afgeschaft. Een actievoerder moet nooit wanhopen.

Mierensmokkel
     Twee Vlaamse jongens, David L. en Seppe L., worden in Kenia vervolgd omdat ze 5.000 koninginnenmieren het land wilden uitsmokkelen. Mijn vrouw en ik hoorden het op de radio. Mijn vrouw moest lachen toen ze hoorde dat de advocaten de mierensmokkel voorstelden als een 
uit de hand gelopen hobby.
     Ik moest met iets anders lachen. Een correspondente ter plaatse vertelde 
dat de internationale pers op het proces aanwezig was, met Al-Jazeera op kop. Neokoloniale jongens die met de rijkdommen van een Afrikaans land aan de haal gaan, dat is natuurlijk wereldnieuws. Maar in Kenia zelf, vertelde de correspondente, vinden de mensen het grappig.
      Dat vond ik dan weer grappig. ‘En wat smokkelden die jongens, zeg je?’ ‘Mieren.’ ‘Mieren?’ ‘Ja, mieren.’ Ik zie die Kenianen zo voor mij. Ze lachen hun tanden bloot.



 

 

donderdag 17 april 2025

Socialemediaverbod voor jongeren


Haidt, medium, message
 
     De Netflix-serie Adolescence heb ik gelukkig gezien vóór het verplicht was om ernaar te kijken. Ik las ergens dat de leidster van de Britse conservatieven, Kemi Badenoch, in haar land onder vuur ligt omdat ze toegaf dat ze de serie nog niet had gezien en misschien zelfs nooit zou zien. Dat is blijkbaar héél erg. Maar zelf hou ik niet zo van boeken die je móet gelezen hebben, of films en series die je móet gezien hebben.
 
     Ik heb in een vorig stukje al uitgelegd wat ik goed en realistisch vind aan de serie*. Daarnaast had de reeks ook nuttig kunnen zijn omdat ze de kwestie aanraakt van sociale media voor jongeren. Had kunnen zijn, want zoals de discussie nu gevoerd wordt, lijkt het alleen te gaan over de noodzaak van inhoudelijke censuur.
     Ik beluisterde laatst een interview met Jonathan Haidt die pleitte voor een reeks verbodsbepalingen**. Geen smartphones op school, ook niet tijdens de recreatie – dat is een beslissing die de scholen moeten nemen. Geen smartphone voor kinderen onder de 14 jaar – dat is een beslissing die de ouders moeten nemen. Geen toegang tot sociale media voor jongeren onder de 16 jaar – dat is een beslissing die de wetgever moet nemen. Haidt meent dat de sociale media voldoende
 spyware hebben waarmee ze gebruikers onder de 16 jaar kunnen identificeren en blokkeren.
     Er is een groot verschil tussen de hype rond Adolescence en de benadering van Haidt. De hype concentreert zich op de inhoud, Haidt concentreert zich op de vorm. De hype zou je kunnen zeggen gaat over the message, Haidt spreekt over the medium. De verleiding is nu groot om er Marshal McLuhan bij te halen, maar de waarheid is dat ik zijn beroemde boek over The Medium Is The Message niet gelezen heb. Ik ken hem eigenlijk alleen van die enkele seconden dat hij meespeelt in Annie Hall. Woody Allen staat in een wachtrij voor de bioscoop, hoort een slimmerik achter hem die aan zijn date uitlegt wat de theorie van McLuhan is, en haalt dan vanachter een billboard McLuhan zelf te voorschijn om de slimmerik tegen te spreken***.
     Toch denk ik dat de begrippen van McLuhan, message & medium, de kwestie goed samenvatten. Men maakt zich ongerust over extremistische boodschappen en subculturen die via de sociale media een kwalijke invloed kunnen hebben op beïnvloedbare pubers. Terecht. Maar een veel grotere invloed gaat uit van de vorm van die boodschappen, van de manier waarop die boodschappen bij de jonge mensen terecht komen, van de wijze waarop ze geconsumeerd worden.  Het is niet de aard van de boodschappen, het is het langdurige scrollen zelf  dat de onvolgroeide breinen vormt en misvormt. Die boodschappen – of het nu om foto's, filmpjes of tekstjes gaat – zijn kort, waardoor ze de aandachtsboog verkleinen; als ze te veel tijd vergen, kunnen ze met een vinger worden weggeveegd; ze zorgen, samen met de reacties, voor instant satisfaction, een verslavende dopamine rush die de onmiddellijke behoefte aan een tweede rush in het leven roept; ze nemen de weerstand weg die we als mens moeten overwinnen om een contact te leggen, om een doel te bereiken, en om en passant gelukkig te zijn.
      Er is niets mis met weerstand die weggenomen wordt. Ik typ dit stukje op een klavier, dat minder weerstand biedt dan een stuk papier en een kroontjespen. Maar er moet een zeker evenwicht zijn. Een dominante virtuele wereld zonder weerstand is niet op mensenmaat gemaakt. Dat is ook de les die agent Smith meegeeft aan Neo: in de matrix heeft men de weerstand van de echte wereld nagebouwd omdat de mensen anders lusteloos en wanhopig worden.
      De schade die wordt aangericht door extremistische subculturen kan erg zijn, maar ze is omkeerbaar. Zelf ben ik indertijd gevallen voor de subcultuur van het Europese maoïsme. Ik ben uit die subcultuur gestapt en ben liberaal-conservatief geworden. Veel andere maoïsten zijn binnen de PVDA geëvolueerd naar een wat radicalere versie van sociaal-democratie. Het kan dus. Maar volgens een aantal geleerden is het een onomkeerbare schade die door de sociale media wordt aangebracht aan de kinder- en puberbreinen. En dan hebben we het nog niet over de waardevolle activiteiten die de concurrentiestrijd verliezen, zoals buiten spelen, huiswerk maken en kennis nemen van verhalen door boeken te lezen en films te zien.  

Moreel universum
     Uit die boeken en films haalt Haidt nog een ander argument. Verhalen in boeken en films spelen zich volgens hem af in een ‘moreel universum’ dat afwezig is in de korte filmpjes, foto's, prentjes en tekstjes die op de sociale media worden aangeboden. Dat materiaal is volgens Haidt amoreel of zelfs immoreel – zoals die uitlach-fragmentjes waarin je ziet hoe een medemens zich door zijn eigen stomme schuld lelijk bezeert. 
     Het moge duidelijk zijn dat we ons met deze redenering op aanzienlijk gladder ijs begeven. Toch denk ik dat Haidt ook hier een punt heeft. Volgens Steven Pinker heeft de opkomst van de verhalende roman gezorgd voor wat de muziek verondersteld werd te doen: het verzachten van de zeden. Het lezen van verhalen bevorderde de empathie en het vermogen om moreel te oordelen. Verhalen bleken voor dat doel zelfs beter dan godsdienstige tractaten.
      Bomans illustreerde dat ooit met Anna Karenina. Tolstoj beschrijft het overspel van Anna zonder het te veroordelen, maar het boek verliest zijn betenis als de lezer niet aanvoelt dat met dat overspel iets niet helemaal in de haak is. Hij moet tijdens het lezen in een wereld leven waarin goed en kwaad bestaat, met veel grijze zone daar tussen. En wat voor de romans van Tolstoj geldt, gaat waarschijnlijk ook op voor minder duidelijke gevallen als de verhalen van Tom Wouters op Facebook, de Justine van Markies de Sade, de Jeeves-perikelen van P.G. Woodhouse, de Lolita van Nabokov. Is het niet juist Nabokov die literatuur omschrijft als de ‘irrational belief in the goodness of man’? 
    En de sociale media? Het hangt er natuurlijk van af hoe je ze gebruikt. Zelf kijk ik veel naar Star Trek-memes, strips van Casper en Hobbes, tekeningen van Peter van Straaten en Vlassic Art Memes. Die Casper en Hobbes, Classic Art Memes en Peter van Straaten-tekeningen spelen zich af binnen een moreel universum, die Star Trek-memes niet. Maar ik zou morele training missen mocht al mijn tijd opgaan aan Casper, Hobbes, Peter van Straaten en Star Trek-memes. En dat is wat bij jongeren zou kunnen gebeuren: alleen snoep en snelle suikers – zij het van een andere soort dan de mijne – en geen degelijke kost met vezels, koolhydraten en eiwitten. En dat moet daarom geen zwáre kost zijn. Het mag gerust licht vertier zijn zoals Charles Dickens, Walt Disney, Harry Potter en How I Met Your Mother.
     Wie nu opwerpt dat de moreel-universum-redenering onvoldoende is om een wettelijk verbód op sociale media in te voeren, heeft gelijk. Het is hoogstens een reden om het gebruik ervan te beperken, wat typisch een rol van de ouders is. Verbieden kan slechts als de veronderstelling van onomkeerbare hersenschade wordt aangenomen. 

Caroline Gennez
     Bij het voorstel van Caroline Gennez om de toegang tot sociale media voor kinderen te verbieden, word ik een egel die zijn stekels wil opzetten. Gennez is een socialiste, dat is al een begin. Verder ben ik van nature geen cultuurpessimist die gelooft dat elke nieuwe uitvinding of trend ons regelrecht naar de afgrond voeren. De maatschappij is niet ingestort toen de boekdrukkunst, de koffiehuizen, de operette, de goedkope romannetjes, de cinema, de TV, de balpen, de rock-‘n-roll muziek, en de videogames hun intrede deden. Ik ben anderzijds ook geen dogmatische cultuuroptimist. Zelfs als vorige trends niet de catastrofale gevolgen hebben gehad die werden voorspeld, kan niet worden uitgesloten dat een nieuwe trend die gevolgen wél kan hebben.
     Als libertair ben ik tegen verbieden. Men mag alleen dat gedrag verbieden waarmee je iemand anders schade mee toebrengt, niet het gedrag waarmee je – misschien-eventueel-je-weet maar nooit – jezelf schade toebrengt. Maar nooit is bij mij de gedachte opgekomen dat dat beginsel ook van toepassing is op de opvoeding van kinderen en jongeren. Ik heb mijn zoon indertijd ten strengste verboden om tijdens het schooljaar naar de zolder te gaan om videogames te spelen. Huiswerk, voetbal, en als er tijd over was een film, dat was het Spartaanse regime dat ik oplegde.
     Tijdens de vakantie echter vierde ik de teugels. Hij zat dan uren
 Grand Theft Auto of Fifa te spelen. Ik had liever gehad dat hij wat vaker een boek las. Ik schrok van de karakterverandering die optrad na enkele uren spelen, een prikkelbaarheid die anders alleen optrad als hij met zijn ploeg een competitie-match verloren had****. Ik ben nog altijd blij dat ik hem niet onbeperkt heb laten spelen. Nu is hij arts, dankzij dat vlijtige huiswerk. Maar zelf vertelt hij graag dat hij van elke superviserende chirurg waar hij mee heeft samengewerkt altijd als eerste vraag krijgt: ‘En Jan, hoe zit het met de oog-handcoördinatie? Hopelijk veel videogames gespeeld toen je klein was?
     Gennez wil de sociale media verbieden vanwege de gevaarlijke en extremistische inhoud. Ze heeft gelijk over dat extremisme want mensen met extreme gedachten, links of rechts, voelen een bovengemiddelde drang om de wereld van die gedachten op de hoogte te stellen en de sociale media daarvoor in te zetten. Maar ’t is een slechte reden voor een verbod. Het is niet aan Gennez om te bepalen wat gevaarlijke en extremistische inhoud is, en met een algemeen verbod zou ze ook interessante en en heilzame inhoud kunnen verbieden.
     Een en ander brengt mij tot een paradoxale conclusie. Mocht ik in het Vlaamse parlement zetelen, dan zou ik het voorstel van Gennez goedkeuren, hoewel ik haar redenen verwerp. Het zou een voorbeeld zijn van conservatief-liberaal-socialistische frontvorming. Ik zou mij in een korte tussenkomst beroepen op de neurologische redenen van Haidt. Maar dan zou ik zijn boek natuurlijk eerst moeten lezen. 

Celia Groothedde
     In zo’n zware discussie ben ik graag ook op de hoogte van wat de tegenstanders beweren. Celia Groothedde, parlementslid van Groen, schreef in De Standaard (16/4) een opiniestuk tegen een ‘lui socialemediaverbod’. Haar argumenten overtuigen mij niet, maar als iemand betere argumenten heeft, houd ik mij aanbevolen.
      Ik word in elk geval meteen humeurig als ik vaststel dat Groothedde het verbod verwerpt in naam van de kinderrechten. In mijn kindertijd bestond er in elk geval geen kinderrecht om met lucifers te spelen. Verder vind ik vervelend dat ze de beperkte discussie over de sociale media wil vervangen door een bredere discussie over het welzijn van jongens en mannen: dat ze te weinig medische hulp vragen, dat ze school niet afmaken, dat ze verkracht worden als ze in de gevangenis komen, dat ze worden verdacht gemaakt als ze van een uitkering leven. Dat zijn allemaal ernstige zaken die een maatschappelijk dialoog verdienen, maar een socialemediaverbod verdient dat ook.
      Wat mij evenmin bevalt is dat ook Groothedde de discussie herleidt tot de ‘gevaarlijke’ inhoud die de sociale media verspreiden. Daarmee maakt ze dezelfde fout als Caroline Genez met wie ze nochtans een polemiek aangaat. Maar binnen die beperkte discussie heeft ze natuurlijk gelijk, namelijk dat die gevaarlijke inhoud ook langs andere kanalen kan worden verspreid. Haar remedie echter is gruwelijk: censuur, verwijderen van accounts en meer moderatie. Dat zijn maatregelen die niet alleen de jongeren maar iedere gebruiker van de sociale media treffen.
     Groothedde haalt ook aan dat tieners via sociale media en gsm’s 
gemeenschap, steun en liefde vinden, vooral als ze het moeilijk hebben.’ Dat is ongetwijfeld waar, maar daar hebben ze de sociale media niet voor nodig. Die steun en liefde zouden ze ook kunnen geven en krijgen door sms’jes uit te wisselen met een dumb phone na de schooluren, zoals ze die trouwens ook zouden kunnen gebruiken voor cyberpesten.
     Moeilijker voor mij is het om te antwoorden op Grootheddes verwijzingen naar het wetenschappelijk onderzoek. 

Een nieuwe metastudie over gsm’s op school gaf inzake leerwinst bij een verbod soms een beetje vooruitgang aan, soms wat achteruitgang, bij de meeste kinderen break-even. Cyberpesten werd bij een verbod soms iets minder, maar meestal juist erger … *****

     Maar zo diep onder de indruk ben ik nu ook weer niet. Tja, die metastudies, dat ken ik. Men neemt een 20-tal studies die allemaal iets anders hebben gemeten, met telkens een andere methode, en dan besluit men dat er verder onderzoek nodig is om definitieve conclusies te trekken. Behalve als het over pedagogie gaat. Dan zegt men hetzelfde, maar met met meer modieuze woorden. 
     Of, ook leuk, men vraag het aan de betrokkenen. Er is geloof ik een PEW-onderzoek in de VS gedaan, waarbij 72 procent van de leraars zeggen dat gsm’s een slechte invloed hebben op de leerresultaten, terwijl 45 procent van de leerlingen zeggen dat ze dankzij de gsm beter studeren. Ik vind die cijfers trouwens heel laag. Ik zou denken dat 99 procent van de leraars zeggen dat gsm’s een slechte invloed hebben, en dat 80 procent van de leerlingen zeggen dat ze een goede invloed hebben.
     Tot slot. Groothedde vergeet natuurlijk niet om naar Adolescence te verwijzen. Hoe vaak is de serie nu al vermeld op de opiniepagina’s van onze kranten? Ze heeft daarbij een eigen invalshoek:

Zo verspreidde extreem-rechts het broodjeaapverhaal dat de hoofdrolspeler een jongen van kleur had moeten zijn en dat dit ‘politiek-correcte’ casting was. Klopt niet: de meeste gewelddaden door radicalisering in de manosphere worden wel degelijk door witte jongens begaan.

      Aangezien Adolescence naar mijn smaak niet over de manosphere of over incels gaat, maar over de puberteit, zoals de titel zegt, kan het mij niet veel schelen of de jongen blank is of van kleur. Maar als de serie geïnspireerd is door het messengeweld in Groot-Brittannië, zoals de makers beweren, dan hebben zij met een blanke jongen van 13 inderdaad geen typisch voorbeeld genomen. Groothedde spreekt over ‘de meeste gewelddaden in de manosphere.’ De meeste, akkoord, maar dat zullen er allemaal samen niet zo heel veel zijn, geloof ik. Het messengeweld, speelt zich niet af in de blanke subcultuur van manosphere of incels,  maar in een heel andere subcultuur, die van de zogenaamde drill music, een soort gangsta-rap, die vooral aanhang vindt onder jong-volwassenen van kleur.*****

 

 

* Mijn vorig stukje over Adolescence staat hier.

** Voor wie van podcasts houdt: het interview met Haidt kan hier worden beluisterd. In zijn teksten gaat Haidt ook in op de inhoudelijke aspecten van de sociale media, met name de polariserende invloed.  Zie bijvoorbeeld hierDe redeneringen die hij daarrond ontwikkelt vind ik onvoldoende om een socialemediaverbod voor jongeren in te voeren.

*** Het fragment uit Annie Hall met Marshal McLuhan staat hier

**** Dit komt dan in de buurt van Haidts conclusie dat het voortdurende verblijf in de virtuele wereld leidt tot depressieve gevoelens.

***** Waarschijnlijk wordt verwezen naar een zogenaamd scoping review getiteld Evidence for and against banning mobile phones in schools.

****** Meer daarover in een interessante podcast van QuilletteZie hierDe goede mensen van Quillette geven naast het geluidsbestand ook nog een uitgeschreven versie ter beschikking. Het is een voorbeeld dat navolging verdient


Cieltje Van Achter en de sociale media
      Wie kan ik nog berispen? Cieltje Van Achter, Vlaams minister van Media, die nu ook haar mening over de sociale media kenbaar heeft gemaakt*. Ze heeft geloof ik, gezien haar functie,  meer over die materie te zeggen dan Caroline Gennez. Het socialistisch instinct van Gennez zegt: verbieden die sociale media. ‘We gaan het welzijn van onze jongeren toch niet laten afhangen van China of Elon Musk? Als we denken dat het gevaarlijk is, moeten we het verbieden.’  Het N-VA-instinct van Cieltje Van Achter is voorzichtiger: ‘verbieden kan nefast zijn’ , ‘de dam zal niet waterdicht zijn,’ en ‘het zou averechts kunnen werken.’
      Ik hou erg veel van voorzichtigheid, zeker als het over verbieden gaat, maar het betoog van Van Achter is zelf ook niet heel waterdicht. Om te beginnen – ik weet het wel, ik weet het wel, dat mijn verhaal eentonig is – om te beginnen dus spreekt Van Achter over de ‘toxische inhoud’ van de sociale media, en niet over de ‘toxische vorm’. Als ik naar mijn eigen gebruik van sociale media kijk, heb ik van die toxische inhoud weinig last. Veel van wat anderen toxisch vinden, vind ik zelf niet toxisch, en als ik het wel toxisch vind klik ik verder naar het volgende bericht. Of ik maak er een moment van bezinning van: waarom is dat bericht toxisch?
      Goed, ik wil mij hierin niet vergelijken met een min-zestienjarige. Wij zijn daar wellicht verschillend in. Maar in één opzicht gelijken we op elkaar: we scrollen allebei dwangmatig door de berichten. Bij mij lijkt het op de obsessie van een Amerikaanse oma aan een gokautomaat in Atlantic City. Elke keer dat zo’n oma niets wint, is dat een aansporing om verder te spelen, en elke keer dat ze wél wint ook. Bij mij gaat het ook zo. Ik zie bij het scrollen ontelbaar veel boodschappen die mij niet interesseren. Maar ik weet: als ik blijf scrollen, komt er wel iets wat mij wel interesseert. Af en toe, een keer per maand, weeg ik kosten tegen baten af, en dan beslis ik om verder te gaan met dagelijks een of twee uur zoek te maken met scrollen. Het plezier dat ik uit het scrollen haal, is groter dan de frustratie over de verloren tijd die ik op een hoogstaander manier had kunnen doorbrengen. Die scroll-tijd onderscheid ik overigens van de schermtijd die ik besteed aan het lezen van al scrollend ontdekte artikels en analyses. Die zou ik niet graag missen. En die artikels die ik zo bij toeval ontdek, bieden meer bevrediging dan als ik ze zou vinden in een verzameling van allemaal interessante artikels op een degelijke Substack feed. 
     Maar ook al verscrollen ikzelf en de min-zestienjarige allebei een deel van onze tijd, en veranderen we dan voor een paar uur in halve zombies, er zijn alweer verschillen tussen ons. De min-zestienjarige staat minder stil bij leerzame artikels en analyses, hij houdt zich niet een keer per maand bezig met het afwegen van kosten en baten, en vooral, wij hebben een heel ander soort hersenen. Mijn hersenen zijn versteend. Een nieuw pianostuk krijg ik misschien wel in de vingers, maar slechts heel moeizaam in mijn hersenen. De neuronen volgen hun vaste banen en leggen niet zomaar nieuwe verbindingen. De hersenen van de min-zestienjarige daarentegen zijn plastisch. Ze laten zich in een vorm leggen door de activiteit die ze moeten aansturen.
     Zowel pianospelen als scrollen op Instragram laten bij jongeren nieuwe maar blijvende sporen na. Maar de sporen van een pianospel zijn heel andere dan die van instagramgescroll, met onder andere een heel andere aandachtsboog en een heel ander inspanning-beloningsysteem. En nu is het mijn overtuiging dat de verbindingen die in de jonge hersenen tot stand komen door pianospelen, voetballen, een vreemde taal leren, een boek lezen, een Playstationcontroller hanteren, enzovoort beter zijn en gelukkiger maken dan de verbindingen die op jonge leeftijd tot stand komen door roken, drinken, en scrollen op Instagram. 
     Of laat ik het voorzichtiger zeggen. Het is mijn overtuiging dat hersenen die gevormd zijn door pianospelen, voetballen, een vreemde taal leren enzovoort er niet veel moeite mee zullen hebben om, nadat de eigenaar van die hersenen 16 is geworden, te leren scrollen op de sociale media. Maar of hersenen die vooral getraind zijn in scrollen op latere leeftijd gemakkelijk die andere activiteiten zullen aanleren, dat betwijfel ik. 
     Ik heb zojuist langs mijn neus weg de sociale media vergeleken met roken en drinken. Ik deed dat met opzet want Van Achter vindt dat een kromme vergelijking. ‘Alcohol en sigaretten hebben alleen maar schadelijke gevolgen, in het bijzonder voor jongeren.’ Kijk, alleen maar, dat geloof ik niet. Acohol en sigaretten hebben natuurlijk ook voordelen, en die voordelen zijn ongeveer dezelfde voor jongeren als voor volwassenen. Alleen zijn de gevolgen voor jongeren schadelijker, dat is waar. Maar dat geldt ook, denk ik, voor de sociale media.
      Van Achter schrijft dat de online netwerken een reddingsboei kunnen zijn voor een jongere die ‘zich nergens thuisvoelt’ of die ‘zich anders, zoekend of kwetsbaar voelt.’ De online netwerken houden mogelijkheden in ‘voor vriendschap, zelfexpressie, en verbinding.’ Wie zal dat betwijfelen? Maar het is geen reden om de schadelijke gevolgen weg te wuiven. ‘Er is geen duidelijk causaal verband aangetoond tussen gebruik van sociale media en psychische problemen bij jongeren. De impact hangt sterk af van context en individuele kwetsbaarheid.’ Ik geloof dat zo. Maar die eis om een ‘duidelijk aangetoond causaal verband’  klinkt nogal ongelukkig omdat ze indertijd zo vaak werd gebruikt door de tabakslobby. En de opmerking over ‘kwetsbaarheid’ is evenmin goed gekozen, want ze staat in dezelfde alinea als die waar het over kwetsbare jongeren gaat die zoveel voordeel halen uit de sociale media.
     ‘Behandel sociale media zoals we kinderen leren fietsen,’ schrijft Van Achter, ‘eerst een loopfiets, dan met zijwieltjes …’ Dat vind ik een goed idee. Kinderen kunnen al veel vroeger met een dumbphone aan de slag. Mijn zoon had toen hij 15 was zo’n toestel en het was een belangrijk middel om met vrienden contact te houden. Kinderen kunnen ook op de computer het internet verkennen: Wikipedia, ChatGPT, en misschien ook Reddit, Youtube en Pinterest. Een verbod lijkt mij vooral nuttig zijn voor de echte scroll-media als Instagram, TikTok en Snapchat.
     Van Achter verwacht veel van de volwassenen die de jongeren moeten begeleiden. De volwassene moet iemand zijn die ‘mee oplet, uitleg geeft, en opvangt als het fout gaat.’ Het basisonderwijs moet volop inzetten op ‘mediawijsheid’. Ik verwacht daar niet zo veel van. Als vader beperkte mijn begeleiding zich tot ‘Jan, leg die gsm weg.’ Ik heb hem op het hart gedrukt dat hij in zijn eigen belang moest vermijden om sms’jes en chatgroepen te gebruiken voor ruzies en roddel. Omdat hij in de Latijnse klas zat, vatte ik dat samen met de spreuk ‘verba volant, scripta manent.’ En ooit heb ik hem gewaarschuwd dat onbetrouwbare volwassenen zich op het internet soms voordoen als leeftijdsgenoten. ‘Weet ik, papa,’ zei hij, want ondertussen was hij mediawijzer dan ik. Hij heeft Twitter ontdekt enkele jaren voor ik dat deed. Toen Dries Van Langenhove in het nieuws kwam, moest ik aan mijn zoon vragen wie dat was. ‘Hij heeft wel soms goede tweets,’ zei hij, ‘maar ik vertrouw hem niet.’ Wat kon ik daar aan toevoegen?
      Een terloops zinnetje van Van Achter zet mij aan het denken. ‘Als jongeren officieel geen toegang meer hebben, waarom zouden platformen zich dan nog inspannen om hen te beschermen?’ Het is wat onlogisch verwoord, maar de gedachte is duidelijk. Er is veel toxische inhoud waar de overheid, in dialoog met de platformen, ‘paal en perk’ aan moet stellen. Dan is geen socialemediaverbod voor jongeren nodig. Ik zou de redenering willen omdraaien. Als er een socialemediaverbod voor jongeren komt, is er geen censuur op toxisch geachte inhoud nodig.
     Er was een tijd dat Facebook en Twitter censurerende algoritmes toepasten. Facebook had toen een officieel beleid om strenger op te treden tegen ‘discriminerende berichten’ van blanken over zwarten dan tegen die van zwarten over blanken.  Dat was regelrechte, politiek-geïnspireerde censuur**. Jonathan Haidt van zijn kant denkt dat er technische, politiek-neutrale regels kunnen worden ingevoerd die polarisering verminderen zonder de inhoud te beoordelen. Zo zouden de platformen AI kunnen ontwikkelen om berichten van robots te weren. Ik betwijfel of dat nu al kan als ik zie hoeveel moeite FB heeft om naaktschilderijen van pornografie te onderscheiden, maar misschien kan het in de toekomst. Misschien vindt men dan een verfijnder algoritme dan de vraag hoeveel verkeerslichten men op een foto herkent.
      Haidt verwacht ook veel heil van een beperking op het retweeten of delen van berichten***. Het voordeel van zo’n regel is dat hij blind kan worden toegepast. Het nadeel is dat hij … blind kan worden toegepast. Ikzelf, die nooit een polarizerend bericht heb geplaatst, ben herhaaldelijk het slachtoffer geweest van nieuwe beperkingen op de ‘delen’-functie van FB, telkens met een halvering van het aantal lezers, van de ene dag op de andere. Het soort post dat vroeger 5000 lezers haalde – ik kan dat zien op mijn blog – haalt er nu nog 500. Het soort post dat vroeger 1000 lezers haalde, haalt er nu 150. Ik hoop dat Haidt mij mijn gebrek aan enthousiasme voor zijn neutrale regulering begrijpt.
     Er zullen in de toekomst ongetwijfeld nog andere opinies volgen over het socialemediaverbod voor min-zestienjaringen. Ik zal mijn best doen om daar niet op te antwoorden. Ik ben geen zestien meer, mijn vrouw is geen zestien meer, mijn zoon is geen zestien meer, en ik geef geen les meer aan zestienjarigen. Waar moei ik mij eigenlijk mee? Maar regels tegen gevaarlijke inhoud op de sousjels,  dat gaat mij natuurlijk wel aan. Ik ben er tegen. Wie mij dan de vraag stelt of ik Russische trollen hun gang wil laten gaan, die moet ik teleurstellen. Hoezeer ik ook de indruk geef de wijsheid in pacht te hebben, ik heb echt niet op alles een antwoord. Meestal niet zelfs.  

* Het stuk van minister Van Achter staat hier.   

** Over de ongelijke censuurcriteria van Facebook, zie mijn stukje hier. Over censureren met algoritms, zie mijn stukje hier.

** Haidt over sociale media en polarisatie: zie hier.  


17 wetenschappers + 1
     Zeventien wetenschappers schrijven een open brief om een sociale-mediaverbod tot 16 jaar te bepleiten, en nu gaat De Standaard op zoek naar een scepticus: professor digitale cultuur Mariek Vanden Abeele. Dat is niet meteen het beleid dat de krant voert als het over klimaatwetenschap gaat.
     Maar goed. Vanden Abeele zegt verstandige dingen en plaatst de discussie in de juiste context: niet die van de extremistische beïnvloeding, maar die van de verslaving: de sociale-mediaplatformen zijn geëvolueerd naar een soort televisie met een opzettelijk verslavend design. Men zou de op verslaving afgestemde algoritmen kunnen uitschakelen, maar dan kregen de gebruikers saaiere filmpjes. Het is alsof je sigaretten zou maken zonder nicotine.
     ‘Mensen met een hoge verslavingsgevoeligheid moeten zichzelf beschermen,’ zegt Vanden Abeele nog. Ik zou denken dat zowat alle jongeren onder de zestien jaar een verhoogde verslavingsgevoeligheid hebben. Dat is de belangrijkste reden voor het verbod om hen alcohol en sigaretten te verkopen. En jongeren die zichzelf moeten beschermen – ja dat moeten ze leren, stap voor stap. Maar onder de 16 jaar zou ik geen onnodige risico’s nemen.  

François Levrau
     François Levrau wil het sociale-mediaverbod verdedigen (DS 13/5) maar doet de zaak meer kwaad dan goed. Hij heeft gelijk als hij zegt dat de algoritmen inspelen op de kwetsbaarheid van de jongeren, dat hun prefrontale cortex nog in ontwikkeling is [en dus verslavingsgevoelig], dat ouderlijke controle in deze kwestie te vaak zal falen, en dat de schade aan leerprestaties en mentale gezondheid volgens voorlopig onderzoek erg waarschijnlijk is*.
     Maar dan kan Levrau het niet laten om het paternalistische discours – want dat is het – door te trekken van jongeren naar volwassenen. Hij haalt er de ‘positieve vrijheid’ van Isaiah Berlin bij, de ‘nudging’ van Sunstein en Thaler, en vooral de polemiek van Sarah Conly tegen John Stuart Mill: 

In tegenstelling tot Mill … wijst Conly erop dat mensen vaak geen rationele, geïnformeerde keuzes maken. Tal van gedragswetenschappelijke studies tonen aan hoe ons gedrag gestuurd wordt door biases, impulsiviteit en gebrekkige informatie. Daarom is overheidsingrijpen volgens haar niet alleen gerechtvaardigd, maar zelfs moreel geboden wanneer mensen voorspelbaar schadelijke keuzes maken die hun latere vrijheid ondermijnen.

      ‘Dat geldt zeker bij minderjarigen,’ voegt Levrau eraan toe, wat onderstreept dat de redenering ook opgaat voor volwassenen. Het is begrijpelijk dat mensen die liberaler denken beginnen te steigeren bij die redenering. Ive Marx reageert op X.com met ongeloof op een zin als ‘Tijdelijke technologieverboden zijn dan geen inperkingen van vrijheid, maar eerder investeringen in diepere vrijheid.’ Wim Duyck stoort zich aan het voorstel dat de overheid ‘een externe prefrontale cortex’ zou moeten zijn.
     Duyck en Marx lijken te vergeten dat de twee gewraakte passages over min-zestienjarigen gaat, maar het zij hen vergeven aangezien Levrau zelf ook voortdurend dat onderscheid vergeet. Ergens schrijft Levrau over het sociale-mediagebruik ‘Laten we eerlijk zijn: het merendeel van het gebruik gaat op aan vluchtig, inhoudsloos tijdverdrijf.’ Dat is een slecht argument en het is in gelijke mate toepasbaar is op jongeren en volwassenen. Ik kan het weten want ik ben een ervaringsdeskundige. Maar als Levrau mij, als volwassene, dat vluchtig, inhoudsloos tijdverdrijf zou willen afnemen, steiger en hinnik en stamp ik even hard als Duyck en Marx. In mijn filosofie heeft iedereen het recht om zijn eigen fouten te maken. Naar het einde van zijn betoog maakt Levrau nog eens duidelijk hoe nauw verbonden paternalisme en socialisme zijn.

 Waar politiek ernaar streeft mensen te verbinden via wetgeving en sociale bescherming, tonen markt en technologie nauwelijks interesse in individueel welzijn of in het algemeen belang. Hun sturingsmechanismen zijn niet gericht op zorg, maar op winst en efficiëntie. Dat levert geen echte, maar slechts een schijnvrijheid op.

       Ik zou honderden voorbeelden kunnen geven van producten en diensten die mijn individueel welzijn (en eigenlijk ook mijn ‘positieve vrijheid’) wél bevorderen, ook al zijn ze gemaakt door mensen die gericht zijn op winst en efficiëntie. De laptop waar ik dit stukje op schrijf, is al één voorbeeld. Ook zou ik tientallen voorbeelden kunnen geven waar overheid en politiek de mensen niet verbindt, maar verdeelt. Politiek verdeelt eigenlijk altijd En ze verdeelt niet omdat haar beleid slecht is, maar omdat men per definitie niet goed kan doen voor iedereen.
      Politici kunnen een weg laten aanleggen,  een voetbalveld laten onteigenen, en buslijn laten vervangen door een andere, een belasting verhogen of verlagen, mijn of jouw achtertuin kiezen om een windmolen te plaatsen, enzoverder enzovoort. Telkens zijn er winnaars en verliezers. Het beste dat we kunnen hopen is dat het niet altijd dezelfde verliezers en winnaars zijn, en dat er verstandige compromissen worden gesloten.
     Levrau schrijft dat we goed moeten nadenken over wat we overlaten aan de overheid en wat we overlaten aan de commerciële en technologische machten. Ik zou zeggen: zo weinig mogelijk aan de overheid, behalve als het niet anders kan. Maar ik volg Levrau als hij schrijft ‘elke situatie vraagt om een eigen afweging’. En mijn afweging is dat een sociaal-mediaverbod door de overheid nog zo’n slecht idee niet is. Voor min-zestienjarigen.

* Over het sociale-mediaverbod voor jongeren, zie ook mijn stukjes hier. De opinies van Levrau prikkelen mij wel vaker om te reageren. Zie hierhier en en hier.


woensdag 16 april 2025

De humor van Bart De Wever


     La libre Belgique heeft een mooie reeks gepubliceerd over de voorbije regeringsonderhandelingen: Les coulisses d’Arizona. De nadruk lag op de menselijke kantjes van het verhaal en dat heb ik graag. Veel is anders verlopen dan ik mij het had voorgesteld. Mooi is het staaltje blufpoker dat gespeeld wordt op 14 augustus, wanneer Bart De Wever plechtig zijn Best And Final Offer voorstelt. Vooral Bouchez en Rousseau zijn mistevreden, om tegenovergestelde redenen. 

Rousseau en Bouchez spelen een spelletje poker. De socialist blijft onbewogen, verbergt een deel van zijn gezicht in zijn handen, ellebogen op tafel. De Wever wordt ongeduldig. Bouchez springt op en neer in zijn stoel. Hij ziet dat de Vlaamse nieuwssites bijna live publiceren wat er achter gesloten deuren van de onderhandelingen gebeurt. Hij wordt er gek van. Hij barst. Hij verwijt Rousseau ‘des comportements de gamins’ en begint op te sommen wat hij alemaal slecht vindt aan de nota … Rousseau gaat rechtop zitten en kijkt De Wever aan met een blik: ‘Niet ik maar hij heeft nee gezegd.

     Schitterend gespeeld van Rousseau: eerst wat pesten en daarna zwijgen; zwijgen kan niet verbeterd worden. En dan bederft Frank Vandenbroucke helaas de meesterzet van zijn voorzitter. Om de bereidwilligheid van de socialisten te onderstrepen, in tegenstelling tot de onwil van de MR, zegt hij nu dat de supernota ‘helemaal oké’ is voor zijn partij en dat hij bereid is om ‘die 100 procent te verdedigen’. Dat was nergens voor nodig. Ten eerste had iedereen door dat hij loog, en ten tweede zou men die woorden nog vaak tegen hem gebruiken bij latere onderhandelingen toen hij allerlei punten plots niet meer ‘100 procent wou verdedigen.’
     Ik verneem verder dat de onderhandelingen grotendeels in het Frans gebeurden, waardoor De Wever veel nieuwe woorden en uitdrukkingen oppikte die hij dan graag zelf ook gebruikte. En zoals dat gaat in zulke besprekingen duiken dan onvermijdelijk enkele Nederlandse woorden waar de Franstaligen geen goed woord voor hebben. Knelpunten was zo’n woord. ‘Il reste encore quelques knelpunten.’ Bij het advocatenkantoor waar ik vroeger werkte had men een richtlijn voor de medewerkers: 
Ne pas être wereldvreemd.
      La libre raakt ook niet uitgepraat over de convivialité en de humour waarmee De Wever de conflicten wegmasseerde. Ik stel mij voor dat niet iedereen voor die humor even gevoelig was. Staat Rousseau open voor humor? Het zou mij verwonderen. De Franstaligen daarentegen konden maar niet genoeg krijgen van die onderkoelde spot waar ze minder vertrouwd mee zijn, vooral als bijtende spot gecombineerd werd met al even bijtende zelfspot. De krant schetst de discussies over het unitaire College van procureurs-generaal. Er komt uiteindelijk een compromistekst uit de bus in schabouwelijk Westratees, waarop De Wever een volledige sketch bij elkaar improviseert. Face à lui, schrijft de krant, Bouchez et Prévot pleurent de rire.
     Zelf heb ik trouwens ook moeten lachen, weliswaar zonder tranen, toen La libre het had over Sven De Neef, de jonge snaak die altijd achter De Wever aanloopt. Hij werd een éminence grise genoemd.