Zinzen en Depoortere
Ik heb het Humo-interview met Walter Zinzen en Johan Depoortere eindelijk gelezen, al heb ik er zijdelings al naar verwezen*. De journalisten hebben o.a. kritiek op de VRT omdat
- de commentaar over Oekraïne te eenzijdig is, en te vaak de Russische visie onvermeld laat
- de berichtgeving over Israël te neutraal is, en te veel rekening houdt met het Israëlische standpunt
- de duiding over defensie en leger te positief is
- de interviews met politici en militairen niet kritisch genoeg zijn
- de aanwezigheid van VB-politici op het scherm genormaliseerd is
- Jonathan Holslag te vaak, en de revolutionaire socialist Ludo De Witte te weinig aan het woord komen
Wat die kritische interviews betreft, vind ik dat men niet moet overdrijven. Als men bijvoorbeeld een minister interviewt, moet men hem ook de kans geven om zijn beleid toe te lichten en te verdedigen. De bedoeling is niet a priori om hem te ‘ontmaskeren’. Het beste is om informatieve en kritische vragen af te wisselen. Iemand als Zinzen lijkt ervan overtuigd, en hij straalt het ook uit, dat alleen kritische vragen goede journalistiek zijn. Maar exclusief kritische vragen stellen heeft twee nadelen: het interview kan ontaarden in een tribune voor de journalist en de politicus kan leren hoe hij zichzelf moet redden met vage antwoorden.
In Yes Minister (Sz1, Ep4) wordt minister Jim Hacker op de rooster gelegd door een scherpe televisie-interviewer. De ene na de andere kritische vraag wordt afgevuurd waarop niets dan vage antwoorden komen. ‘How did it go?,’ vraagt Hacker na afloop aan de journalist. ‘I thought I waffled a bit.’ Waarop de journalist antwoord: ‘Oh no, you stonewalled superbly, Minister.’
***
Op de vraag waarom de VRT geen Vlaams Belangers mag interviewen geven Zinzen en Depoortere elk een ander antwoord. Zinzen zegt dat ze te vaak liegen:
Vroeger gold er nochtans een heldere regel: we gaan níét live in debat met het Vlaams Blok of Vlaams Belang, want in een live gesprek kun je hun voortdurende stroom van onwaarheden niet meteen checken en weerleggen.
De Humo-journalist antwoordt gevat ‘Noem mij één politicus die niet liegt.’ Toch zie ik het probleem van Zinzen. Hij ziet een interview als een debat – dat is de functie van de ‘kritische vragen’ – en zo’n debat is gemakkelijker als het zich binnen een welomschreven grenzen afspeelt. Maar als iemand aangaande migratie assertief van andere premissen vertrekt, en niet wil discussiëren over de honderden asielzoekers die geen opvang vinden maar over de duizenden asielzoekers die er elk jaar bijkomen, dan wordt het zelfs voor een verbaal sterke, vlugge geest – en dat is Zinzen – plots veel moeilijker om te ‘checken en te weerleggen’. De vragensteller begeeft zich op onbekend terrein.
Depoortere geeft een ander antwoord:
Dat liegen is niet de kern van het probleem. Je moet Vlaams Belang anders behandelen omdat ze niet democratisch is. Tegenwoordig wordt dat argument opzijgeschoven met een drogreden: ‘Ze halen veel stemmen, dus we kunnen ze niet negeren.’ Zo herleid je de democratie tot een optelsom van de meeste zetels. Maar de democratie is méér dan dat. Het is een ideologie uit de verlichting, met als beginsel: we laten zoveel mogelijk mensen delen in rechten en welvaart. Wie dat beginsel ondergraaft door rechten te reserveren voor zijn eigen groep en anderen uit te sluiten, is een antidemocraat.
Ook dat argument begrijp ik. De liberále democratie is meer dan de wil van de meerderheid. Maar democratie is minstens óók de wil van de meerderheid, en is dus minstens óók de optelsom van de meeste zetels. Slechts monarchisten, anarchisten, fascisten en communisten verwerpen dat beginsel.
De formule van Depoortere zelf om de democratie af te bakenen helpt ook al niet: ‘we laten zoveel mogelijk mensen delen in rechten en welvaart.’ Zoveel mogelijk … wat bedoelt hij eigenlijk?
Als hij vindt dat alle mensen een gelijk deel van de welvaart moeten krijgen, dan is Depoortere een soort radicale socialist wat een respectabel minderheidsstandpunt is. Als hij vindt dat elke migrant die de grens oversteekt gelijke rechten moet hebben als de Belgische burgers neemt hij alweer een respectabel minderheidsstandpunt in**. Maar ik zie geen reden om het democratisch debat te definiëren binnen de grenzen van dat minderheidsstandpunt - zelfs niet mocht dat ontstaan zijn, samen met andere standpunten, tijdens de Verlichting. Iedereen bepaalt natuurlijk zelf met hij hij wel en niet ‘het debat aangaat‘. Men mag daarbij zo exclusief zijn, maar op een overheidszender mag het wat pluralistischer zijn.
* Over de polemiek van Joël De Ceulaer tegen Zinzen, zie hier.
** Als Depoortere niét vindt dat ‘zoveel mogelijk deelnemen aan welvaart en rechten’ een volledige gelijkheid inhoudt, dan wordt het verschil tussen zijn standpunt en dat van Vlaams Belang een kwestie van proporties die binnen het democratisch debat moet worden opgelost. Overigens is het correct dat het vroegere 70-puntenprogramma van het Vlaams Blok elementen bevatte die niet binnen het liberaal-democratisch debat thuishoren. Zie hier.
Zuhal Demir
Hoewel Ben Weyts een N-VA’er is, kreeg hij als minister van Onderwijs niet al te veel kritiek in onze pers. Dat maakte mij ongerust. Vandaag, met Zuhal Demir, moet ik mij geen zorgen meer maken. Ik zie een kop van Knack in mijn mailbox: ‘Niemand durft iets te zeggen’: zwijgen is goud in het Vlaamse onderwijs. Met daaronder een foto van een streng toekijkende Demir. In het stuk zelf gaat het over een klimaat van ‘angst’ in de hogere onderwijsregionen maar een smoking gun tref je er niet aan. Er worden wel heel wat oude koeien uit de gracht gehaald. De uitspraak in de kop komt van een vertegenwoordigster van VVS, de Vereniging van Vlaamse Studenten. In mijn tijd was dat een extreem-linkse organisatie en ik kan alleen hopen dat ze ondertussen geëvolueerd is naar gewoon-links.
Eigenlijk erger ik mij vooral aan de kop. Ik heb er alle begrip voor dat eindredacteurs de aandacht willen trekken met provocatieve uitspraken. Als je zo’n kop ziet in een gedrukte publicatie is dat niet erg. Je overloopt kort de inhoud en je trekt je conclusies. Maar in digitale tijden is dat veranderd. Je wordt op je scherm voortdurend geconfronteerd met die tendentieuze koppen zonder context. Het is alsof je kijkt naar spandoeken in een linksliberale betoging.
Moraliserende fabels
Ter gelegenheid van 1 mei werden enkele oude fabels opgefrist. Jean-Marie De Decker schreef een stuk over de nijvere mieren en de potverterende krekels. De nijvere mieren waren, geloof ik, de ondernemers en de kleine zelfstandigen. JMDD haalde een reeks cijfers aan waaruit bleek hoeveel belastingen die mensen wel niet betaalden – ook op hun inkomsten uit kapitaal. Ik vrees dat die cijfers niemand zullen overtuigen die al niet overtuigd is. Ten eerste zal men vanuit linkse hoek terecht opmerken dat inkomsten uit kapitaal, hoe zwaar belast die ook zijn, nog altijd minder zwaar belast worden dan arbeid. En ten tweede zullen die belastingen in de ogen van linkse mensen nooit genoeg zijn. Zelfs al bedroegen ze 70 procent, dan kunnen ze nog altijd op 75 procent worden gebracht.
Bert Engelaar van het ABVV recycleerde een andere fabel: die van de maatschappij als menselijk lichaam. We leerden die kennen in het tweede middelbaar, toen we De viris illustribus urbis Romae lazen. In het oude Rome gingen de plebejers in staking. Dat was de zogenaamde plebejische secessie. Menenius Agrippa ging naar hen toe en vertelde de fabel van de ledematen die een staking begonnen tegen de maag. Dat was dom van de ledematen, want ook de maag had een functie, al was die niet zo zichtbaar als die van de ledematen. Toen de plebejers dat hoorden gingen ze weer aan het werk.
Engelaar vult de fabel anders in. Onze maatschappij wordt vergeleken met een zieke man die bij de dokter komt. De dokter – ik geloof dat hiermee de staat wordt bedoeld – heeft alleen oog voor het bovenste deel van het lichaam, tot aan de schouders. Dat deel geniet een régime de faveur. Wat eronder komt wordt verwaarloosd. Met die verwaarloosde ledematen en organen verwijst Engelaar naar de werknemers die te weinig verdienen en te veel moeten betalen, naar mensen met een burnout, naar alleenstaande moeders met een uitkering, naar langdurig zieken die gecontroleerd worden, naar de poetshulp met versleten handen, naar de leerkracht met wallen onder de ogen. Die laatste intrigeerde mij, maar in plaats van uitleg kreeg ik een metafoor: ‘De spieren van het onderwijs verkrampen.’ Nochtans heb ik zojuist in Knack gelezen (zie hierboven) dat de collega’s van Demir jaloers zijn op haar omdat Onderwijs bij de besparingen ‘grotendeels wordt ontzien.’
Ook deze fabel zal weinig mensen overtuigen om van mening te veranderen.
Mary Beard
Van Mary Beard las ik niet zo lang geleden het boek Keizer van Rome. Ik kon toen aan mezelf niet uitleggen waarom dat boek mij niet beviel. Vandaag zie ik op FB een citaat van Beard uit een ander boek voorbijkomen: ‘The history of Rome is not simply a story of great men and heroic deeds; it is also a story of conflict, debate and disagreement.’ Ook hier kan ik aan mezelf niet goed uitleggen wat mij in dat citaat niet bevalt. Is het omdat het een cliché is? Maar ik heb helemaal niets tegen clichés.
Eric Röhmer en het marxisme
Mijn zoon kreeg geschiedenis van een lerares van mijn generatie. Hij leerde onder andere dat Marx de grondlegger was van het ‘wetenschappelijke socialisme’. Ze had het een paar keer herhaald: het socialisme van Marx was wetenschappelijk. Wie vijf minuten nadacht over de definitie van ‘wetenschap’ had kunnen weten dat dat onzin was. En wie het marxisme een beetje kende en onafhankelijk nadacht kon zien dat het ‘dialectisch materialisme’ van Friedrich Engels een primitieve metafysica was, en het ‘historisch materialisme’ van Karl Marx in het beste geval een invalshoek van waaruit je naar de geschiedenis kon kijken, niets meer.
Maar in de vroege jaren zeventig was onafhankelijk nadenken over die kwestie niet in de mode. Veel jonge intellectuelen hadden een poster ophangen met een tekst van Mao Zedong Tegen de stroom ingaan is een marxistisch principe, maar zelf lieten ze zich liever met de stroom meevoeren. Je kon in die tijd in een beschaafd gezelschap kiezen tussen drie mogelijkheden: je kon zwijgen over het marxisme, je kon jezelf er een aanhanger van verklaren, of je kon – gevaarlijk – er kritiek op hebben. Maar je kon niet zeggen dat het marxisme geen wetenschap was. Dan was je niet alleen een rechtse hond, je was ook dom.
Je had in die tijd het invloedrijke tijdschrift Cahiers du cinéma. Er wordt een fraai beeld geschetst van de sfeer op de redactie in de film Nouvelle vague. Toen Eric Röhmer zijn film Ma nuit chez Maud had uitgebracht werd hij, die zelf hoofdredacteur van het blad was geweest, geïnterviewd. Geraard Goossens plaatste onlangs een fragment uit dat interview op zijn FB-pagina. Röhmer werd in het interview bekritiseerd omdat hij een marxist ten tonele had gebracht die aarzelde en speculeerde, in plaats van wetenschappelijke analyses te maken.
In een scène uit Ma nuit chez Maud speculeert Vitez over de kansen op de overwinning van het socialisme. Als communist hoort Vitez zich echter te baseren op een wetenschap, het historisch materialisme, dat de komst van het socialisme beschouwt zonder enige weddenschap of speculatie.
Pas op. Het marxisme wedt niet, maar men kan wel op het marxisme wedden. Voor zover het historisch materialisme geen wetenschap is …
Het historisch materialisme is een wetenschap.
Nee. Het is een filosofie. U moet mij niet komen vertellen dat het marxisme een wetenschap is. Dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken, zal niemand ontkennen. Maar het dialectisch materialisme …
Wij zeiden ‘historisch’.
Goed dan, het historisch materialisme — men kan juist de grondslagen ervan ontkennen. Ik bijvoorbeeld ken het geen enkele waarde toe, behalve die van een filosofisch systeem, naast andere. Maar het is geen wetenschap.
De arrogantie waarmee de interviewer tot twee keer toe Röhmer onderbreekt om hem de les te spellen zal ook de jonge lezer opvallen. Maar je moet jaren zeventig gekend hebben om de twee soorten naïviteit te herkennen. De dogmatische naïviteit van de meeloper en de complexloze naïviteit van het kind dat luidop en als enige vaststelt dat de keizer geen kleren aan heeft. Röhmer was misschien geen marxist, maar hij aarzelde geen moment om ‘tegen de stroom in te gaan’, ook al was die stroom breed genoeg om iedereen te omvatten die ertoe deed: de traditionele communist, de verstokte compagnon de route, de ruige maoïst en de modieuze, pijprokende, jazz-minnende intellectueel in rolkraagtrui.
Ik kan mij ongeveer voorstellen welke slechte indruk dat interview op mij zou hebben gemaakt als ik het in 1970 had gelezen, ongeveer het moment dat Ma nuit chez Maud gedraaid werd op het filmforum van mijn college. Iemand die langs zijn neus weg vertelt dat hij aan het marxisme ‘geen enkele waarde toekent’!
Ayn Rand en het marxisme
Ik heb niets met Ayn Rand, al noem ik mijzelf soms een libertariër. Andere libertariërs, waar ik wel iets mee heb, halen wel een deel van hun inspiratie bij Rand. Robert Nozick, die een grondige kritiek op haar ideologisch manifest in Atlas Shrugged formuleerde, noemde haar romans ‘boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend.’ En Charles Muray van wie veel opvattingen ‘at outright odds’ zijn met de Randiaanse filosofie is altijd gefascineerd gebleven door de beschrijving van Galt’s Gulch - de libertaire utopie – net het stuk in Atlas Shrugged dat mij het meeste tegenstaat.
Maar Rand, dat moet ik toegeven, had bepaalde dingen heel goed begrepen. Ik zag een meme voorbijkomen met een Ayn Rand-citaat waarvan ik de authenticiteit niet gecontroleerd heb, maar dat wel de spijker op de kop slaat.
“De marxistische economie is grondig onderuitgehaald, weerlegd en in diskrediet gebracht. Toch verhindert dat niet dat mensen diezelfde marxistische economie blijven verdedigen. Waarom? Mensen hangen het collectivisme niet aan omdat zij een verkeerde economische theorie onderschrijven. Zij onderschrijven een verkeerde economische theorie omdat zij het collectivisme aanhangen. Je kunt oorzaak en gevolg niet omdraaien. Je kunt de oorzaak niet vernietigen door het gevolg te bestrijden. Dat is even zinloos als proberen de symptomen van een ziekte te elimineren zonder de ziektekiemen aan te pakken.”
Hoogstens zou een vijand van het liberalisme de redenering mutatis mutandis kunnen omkeren. Ook zou men kunnen opmerken dat het collectivistische instinct niet helemaal samenvalt met het egalitaire instinct.
Koffiecapsules
Vergeetachtigheid bij oude mensen zoals ik betreft vooral het geheugen op korte en op zeer korte termijn. ’s Morgens is mijn eerste werk het plaatsen van een capsule in de koffiecupmachine. Ik kan dat als de beste. Maar soms treedt er een complicatie op en is het waterreservoir leeg. Dan moet ik eerst nog het water bijvullen. Ook dat werkje is aan mij wel toevertrouwd. Maar nadat ik het water heb bijgevuld, weet ik niet meer zeker of ik wel een capsule in de machine heb geplaatst. Ik moet dan de machine openen, waardoor de capsule in het vergaarbakje valt, waar ik ze dan weer uit moet opvissen.
Vandaag wou ik het anders aanpakken. Het waterreservoir was weer leeg. Ik plaatste een capsule en pauzeerde enkele seconden. Ik liet de handeling goed tot mij doordringen. Als ik dan water had bijgevuld, zou ze mij nog altijd voor de geest staan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen ik het water had bijgevuld wist ik weliswaar dat ik een capsule had geplaatst, maar ik wist niet meer zeker of het er een met koffie of met deca was. Mijn concentratie had niet geholpen. Es war alles umsonst gewesen.
Hail Mary Project
Behalve de scenes met Sandra Hüller had de film Project Hail Mary weinig dat me kon bekoren. De humor was flauw, de spannende scènes waren niet spannend, en er scheelde iets aan de settings, maar ik weet niet goed wat. De alien van dienst, Rocky, had tegelijk iets van een knuffel, een aapje en R2D2. Hij drukte zich met behulp van een vertaalmachine uit in pidgin Engels. Ik ben zeer ontgoocheld dat onze vrienden van woke in het personage geen aanleiding zagen om kolonialistisch-paternalistische clichés over inheemse volkeren te bekritiseren.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten