zondag 18 oktober 2026

De PVDA en de straatrellen: een historiek


 
   Ik schreef vorige week een kort, frivool stukje over de houding van Raoul Hedebouw tegenover de straatrellen. Daar kreeg ik een aantal reacties op. Een lezer dacht dat ik mijn eigen verleden bij de PVDA probeerde ‘weg te lachen’, maar dat is een misverstand. Ik benadruk graag de belachelijke kanten van dat verleden, maar dat is niet hetzelfde als ‘weglachen’. Het communisme is als praktijk en als leer niet alleen wreed, maar in veel opzichten ook bespottelijk.
     Anderen vonden dat het naïef van mij was om te beweren dat de huidige relschoppers in Luik en Brussel géén PVDA-militanten waren. Rellen behoorden immers tot de ‘revolutionaire methodologie’ van de PVDA. Of nog: de relmakers kregen misschien ‘geen direct, natrekbaar order’ van de partijleiding, en waren ook ‘zeer waarschijnlijk geen partijmilitanten’, maar dat neemt niet weg dat ze als ‘nuttige idioten’ werden ingezet om een ‘revolutionair élan’ te creëren, als ‘oefening’ voor een grotere opstand. Ik onderschatte de ‘urgentie van de toestand’ en hield de PVDA uit de wind met ‘een juridisch-formalistisch betoog.’

                                                                                *** 

`     Laat ik met dat laatste beginnen. Ik ben een groot voorstander om zo lang mogelijk vast te houden aan het juridisch formalisme. Een van mijn grootste bezwaren tegen de communisten is dat ze als het hen uitkomt zo snel mogelijk alle juridisch formalisme overboord willen gooien. Dat neemt niet weg dat er zich inderdaad situaties kunnen voordoen die uitzonderingsmaatregelen vergen. 
     ‘De urgentie van de toestand’ inschatten is in de eerste plaats de taak van regeringen, inlichtingendiensten en ordehandhavers. Minister Theo Francken wil vanwege die urgentie van het straatgeweld een politie-onderdeel opgericht zien dat zich specialiseert in het beteugelen van rellen. Hij heeft gelijk. Hij vindt dat bij erge rellen FN303-geweren moeten worden gebruikt, een persluchtwapen waarmee je impactprojectielen kunt afvuren die efficiënter, veelzijdiger en minder gevaarlijk zouden zijn dan de klassieke ‘rubberkogels’. Ik heb daar geen bezwaar tegen op voorwaarde dat die proportioneel worden ingezet. Men gebruikte zulke projectielen-met-niet-dodelijke-impact al in 1979 toen in mijn geboortestad Wervik een verboden flamingantische betoging plaatsvond.
 
     Of die inzet in Wervik proportioneel was, weet ik niet. Daarover werd in het Parlement gediscussieerd. Maar het principe in een liberale democratie zou moeten zijn: de hevigheid van de politie-repressie wordt alleen bepaald door de hevigheid en redelijkheid of onredelijkheid van de relschoppers, en niet door de Zaak die als reden of excuus voor de rellen wordt naar voren geschoven, zoals daar zijn: de Covid-maatregelen, een nieuw asielcentrum, pijnlijke besparingen, of Trump die zijn verkiezingsnederlaag niet wil toegeven. 
  
    Als law abiding citizen kijk ik met afgrijzen maar zonder paniek naar wat er zich dezer dagen in Luik en Brussel afspeelt. Mijn vrouw moest zich vorige week vrijdag tussen het traangas een weg zoeken van het Centraal Station naar haar werk. Ook zij was niet in paniek. Maar van de beelden uit Frankrijk, waar het stadhuis van Limoges werd bestromd en in brand werd gestoken, word ik stil. Wat wordt dat als er bij de komende verkiezingen geen geloofwaardige kandidaat van het centrum opstaat en de electorale strijd wordt uitgevochten tussen Le Pen en Mélenchon? We weten wie die strijd zou winnen – Le Pen – maar we weten niet hoe hevig de reactie van de straat zou zijn.
     Aangezien ik niet in Brussel, Luik, Limoges of Parijs woon, ben ik niet al te bang dat ikzelf, mijn fiets of mijn auto het slachtoffer wordt van straatgeweld. Ik moet meer de algemene gevolgen vrezen. Bestaat het gevaar dat een linkse demagoog als Hedebouw of Mélenchon aan de macht komt in de slipstream van de rellen? Ik denk het niet. Bestaat het gevaar dat de rellen worden gebruikt als voorwendsel voor een rechtse staatsgreep? Dat gevaar is groter, maar het is geen noodzakelijk gevolg. Er zijn in het verre en recente verleden grote onlusten geweest zonder dat er een linkse of rechtse dictatuur uit voortkwam: de Long Hot Summer in de VS (1967: 80 doden), de rellen in Los Angeles rond de mishandeling van Rodney King (60 doden), de rellen in de Parijse voorsteden (2005 en 2023: 20.000 auto’s in brand), enzovoort.
       Om het gevaar van links en rechts extremisme in te dammen is het noodzakelijk om straatrellen de kop in te drukken met arrestaties, traangas, waterkanon, wapenstok en desnoods impactprojectielen. In theorie kan het ook nuttig zijn om organisaties die rechtstreeks bij die rellen betrokken zijn te verbieden, alhoewel ik daar weinig praktisch voordeel in zie, en veel democratisch-juridisch nadeel. In de huidige omstandigheden bijvoorbeeld lijkt het mij dat strafmaatregelen tegen de PVDA niet gerechtvaardigd kunnen worden aangezien er geen juridisch bewijs van directe betrokkenheid bestaat. Zelfs tijdens years of the troubles liet men Sinn Fein in Noord-Ierland min of meer als legale partij functioneren omdat haar betrokkenheid bij IRA-aanslagen, waarvan heel sterke vermoedens bestonden, juridisch niet kon worden bewezen.

                                                                            *** 

       Mijn laatste alinea hierboven kan door sommigen worden gelezen als een vergoelijking van de PVDA. Dat is niet mijn bedoeling. De PVDA faciliteert de straatrellen en neemt een dubbelzinnig standpunt in tegenover confrontaties met de politie. Ik kom daar in een volgend stukje op terug. Maar ondertussen wil iets zeggen over de periode dat de PVDA een ondubbelzinnig standpunt innam tegenover dergelijke confrontaties, en dat in gunstige zin. Dat is de periode die ik het best gekend heb omdat ik ikzelf sympathiserend en later militant lid van de organisatie was. Het is ook de periode dat de partij met enthousiasme de doctrine predikte van het ‘gerechtvaardigde massageweld.’

                                                                               ***

     Mijn zoon – die moeilijk kan geloven dat zijn libertaire vader ooit communist was – ontdekte onlangs op zolder de brief waarmee ik als partijlid geschorst werd. De brief dateert van 14 april 1987 en begint met de woorden ‘Devant ta silence suite à notre note du mois de février …’ Ik denk niet dat er daarna nog een officieel ontslag is gevolgd, maar het is in elk geval niet meer goed gekomen.
 
     In de tijd van mijn lidmaatschap was de partij nog uitdrukkelijk communistisch, in de leninistische betekenis van het woord, en dat hield in dat revolutionair geweld een geloofspunt was. Communisten kwamen aan de macht met geweld, en dat was nog maar het begin. De echte geweldorgie begon meestal nadát men de macht had overgenomen, met de instelling van de ‘dictatuur van het proletariaat.’ Ik geloof dat de Vietnamese revolutie een van de weinige was, waarvan het geweld vóór de machtsovername dat van na de machtsovername overtrof.
      De communistische rechtvaardiging van geweld was in de eerste plaats rationeel. Geweld werd voorgesteld als een onvermijdelijk antwoord op het geweld van de onderdrukkende klasse. Zelfs Lenins oktoberrevolutie – lees novemberstaatsgreep – werd voorgesteld als een een soort zelfverdediging om een extreemrechtse staatsgreep vóór te zijn. Voor een mystieke verdediging van politiek geweld moet je bij Sorel, Fanon of Marinetti zijn, alhoewel je aanzetten daartoe vindt bij Lenin, Mao en zelfs Marx met zijn ‘geweld als vroedvrouw van de geschiedenis.’
     Ik behoorde niet tot de hogere regionen van de partij, maar ik geloof niet dat er daar in mijn tijd concrete plannen werden gesmeed om de gewapende revolutie voor te bereiden. Die zou pas binnen 10-15-20-jaar plaatsvinden, wat voor de tieners, twintigers en dertigers die toen de partij uitmaakten oneindig lang leek. (Ik zag onlangs op Manifiesta een aantal van de stichtende leden, nu tachtigers, voorbijschuifelen).
     In die tijd werd partijleden aangeraden om hun legerdienst bij de paracommando’s te doen om op die manier militaire kennis op te doen, maar dat was dus met het oog op de verre toekomst*. De partij bereidde zich wel voor op een bestaan in de clandestiniteit. Leden gebruikten schuilnamen, partijrichtlijnen moesten gelezen en daarna verbrand worden, en er waren ongetwijfeld andere maatregelen waar ik niet van op de hoogte was, met onderduikadressen etcetera.
     Door haar orthodox leninistisch-maoïstische standpunten over het revolutionaire geweld, nam Amada-PVDA binnen de extreemlinkse ecologie een heel eigen positie in. Men bakende zich in de eerste plaats af van de Kommunistische Partij omdat die het integrale socialisme langs parlementaire weg wilde bereiken. Dat was de ergst mogelijke afwijking, dat was revisionisme.
     Daarnaast had je het trotskisme dat weliswaar een buitenparlementaire machtsovername nastreefde, maar het militaire aspect ervan minimaliseerde. Ik herinner mij een meeting in het het partijlokaal van de trotskistische Revolutionaire Arbeidersliga. Men had een spreker van de maoïstische concurrentie uitgenodigd voor een tegensprekelijk debat – wat omgekeerd ondenkbaar was. Aangezien ik een das droeg, kwam een van de organisatoren mij vragen of ik misschien de spreker van Amada was. Vous n’êtes pas l’orateur d'Amada par hasard? Nee, dat was ik niet, en wat later kwam Ludo Martens binnen om vanaf hun eigen podium die trotskisten duidelijk te maken hoe échte communisten de revolutie zagen verlopen. De trotskist die naast mij in het publiek zat zei achteraf: ‘Eh bin, vous autres, vous êtes vraiment des militaristes, hein?’ Aangezien ik toen nog paracommando was, had ik moeten antwoorden: ‘Vous ne croyez pas si bien dire.’ Of misschien had ik moeten vragen: 
‘Et le commandant-en-chef Trotski, il n’était pas militariste, lui?’ Maar ik heb niets gezegd.
     Naast het revisionisme van de KP en het trotskisme van de RAL, had men nog het ‘foquisme’ dat in ons land weliswaar niet door een politieke groupuscule was vertegenwoordigd, maar dat als leidraad gold voor veel Zuid-Amerikaanse guerrilla-bewegingen. Het foquisme van Che Guevara en Régis Debray leerde dat je niet moest wachten tot de massa’s revolutionair bewustzijn hadden, maar dat je hun bewustzijn kon stimuleren door zelf militaire acties te initiëren, zogenaamde ‘brandhaarden’.  Amada-PVDA noemde die werkwijze ‘kleinburgerlijk**’ en stelde daartegenover de strategie van Mao’s volksoorlog, waarbij het Rode Leger eerst de boeren politiek bewustzijn bijbracht, om daarna pas tot omsingeling van de steden over te gaan. Voor een buitenstaander moet die discussie belachelijk overgekomen zijn. Hoe kon je de Boliviaanse jungle of het Chinese platteland met de Belgische kust, polders, leemstreek, Condroz of Ardennen vergelijken? Partijleider Ludo Martens zou op die vraag hebben geantwoord dat het niet ging om de concrete geografische en urbanistische omstandigheden, maar om de universele principes: eerst politieke bewustwording, dan pas militaire actie.
     Wél actueel in het geïndustrialiseerde Europa van de jaren 70-80 was het linkse terrorisme van de Baader-Meinhoff Gruppe in Duitsland, van de Brigate Rosse in Italië, van Action Directe in Frankrijk en van de Cellules Communistes Combattantes in België. De PVDA veroordeelde dat terrorisme als een ‘verkeerde strategie’. Het geweld was om te beginnen te kleinschalig. Revolutionair geweld moest niet komen van individuen of kleine groepjes, maar van de grote massa. Met dat kleinschalige, ‘individuele’ geweld konden de revolutionairen zich alleen ‘isoleren’ van de massa’s. Ten tweede was het geweld voorbarig. Eerst moest er een revolutionair klimaat zijn, met politiek bewuste massa’s en een sterke organisatie die leiding kon geven. In elke andere context was het geweld ‘zinloos’. Bovendien, en daarmee samenhangend, kon voorbarig revolutionair geweld in het voordeel uitdraaien van de 
‘fascistische’ krachten binnen de bourgeoisie. Die konden het linkse geweld aangrijpen om de politie te versterken, repressieve wetten goed te keuren en linkse organisaties te verbieden. De PVDA was er dan ook van overtuigd dat de links-terroristische groepen achter de schermen werden gemanipuleerd door de CIA om een tegenreactie uit te lokken.
     De lezer zal opmerken dat de PVDA bij dat alles vergat om het geweld als dusdanig te verwerpen. Dat geweld was alleen slecht als het geïsoleerd, voorbarig of gemanipuleerd was. Dat verklaart waarom de PVDA wel met sympathie keek naar andere vormen van terrorisme zoals de bomaanslagen door de IRA, en de gijzelnemingen door Palestijnse organisaties als het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina onder leiding van George Habash en het Democratisch Volksfront voor de Bevrijding van Palestina onder leiding Nayef Hawatmeh, twee organisaties die zich op de maoïstische volksoorlog-theorie beriepen. Wie het verschil wil weten tussen die twee Volksfronten zij verwezen naar de uitleg die Monty Python daarover geeft in Life of Brian***.

                                                                    ***

     Nu, al die ‘standpunten’ over de gewapende-revolutie-binnen-20-jaar, over het foquisme van Che Guevara en over links-terrorisme behoren tot de ‘theorie’, die werd uiteengezet in de partijkrant, interne studieteksten en vormingsvergaderingen. Hoe zat dat in de praktijk? Dat is een moeilijke kwestie. Het zou een mooi onderwerp zijn voor een masterproef in de Geschiedenis of de Politicologie.
     Bij rellen in de marge van stakingen en betogingen was de partij een groot voorstander van ‘radicalisering’, en een belangrijk onderdeel daarvan was – naast het vasthouden aan het ‘eisenprogramma’ en het verwerpen van compromissen – het gebruik van ‘gerechtvaardigd massageweld.’ Je kon dat niet forceren. Als West-Vlaamse textielarbeiders een brave staking ondernamen, dan moest je hen niet oproepen om de boel kort en klein te slaan. Had je daarentegen onder de stakers een grote groep – zij het nog altijd een minderheid –  die bereid was om geweld te gebruiken, dan was de partij daar heel enthousiast over en riep op tot meer van dat. Dat gold zeker als het om mijnwerkers of havenarbeiders ging, maar een boerenbetoging zoals die die in 1971 een spoor van vernieling door Brussel trok was ook goed.
     Een belangrijk moment in de geschiedenis van de partij was de havenarbeidersstaking in 1973. Dat de vakbonden de staking niet organiseerden of erkenden maakte de weg vrij voor extreemlinks om de staking te recupereren. Daarbij was er hevige concurrentie tussen de traditionele Kommunistische Partij en de recent ontstane Amada-partij. De KP riep op om in ‘kalmte en waardigheid’ op straat te komen, zodat zoveel mogelijk mensen binnen de syndicale en politieke wereld de staking zouden steunen. Amada richtte haar inspanningen op de radicale groep onder de dokwerkers, riep op tot verboden betogingen en stuurde aan op confrontaties met de politie. Uiteindelijk werden heel wat Amada-leden veroordeeld tot gevangenisstraffen, voor hun deelname aan gewelddadige incidenten, zoals de vernieling van een politiewagen, maar in werkelijkheid vooral omdat ze tot dat soort gewelddaden hadden aangespoord via pamfletten en megafoon.
  
     Bij alle gewelddadige incidenten – of het nu om arbeiders, scholieren, studenten of boeren ging – nam de partij het altijd op voor de relschoppers en tegen de politie en rijkswacht. Het geweld van de actievoerders werd voorgesteld als wettige zelfverdediging; over vernielingen van geparkeerde auto’s, frietkramen, en winkelruiten werd liever gezwegen. Dat was een verschijnsel in de marge, begrijpelijke uiting van frustratie, of het werk van politieprovocateurs. Het was beter om daarop niet te veel kritiek te geven zodat de radicale en opgewonden sfeer niet bedorven werd door kleinzielig gezeur.
     Het was overigens uitzonderlijk dat partijleden, zoals in de havenarbeidersstaking, het voortouw namen in de rellen. Veel partijleden waren buitenstaanders die niet zelf in de mijn, aan de haven of op de scheepswerven werkten. Ze bevonden zich op vreemd terrein en dan is het niet zo makkelijk om haantje de voorste spelen. Als de partijleden daarentegen wel arbeiders van het stakende bedrijf zelf waren, dan moesten ze extra voorzichtig zijn zodat ze niet door de politie werden opgepakt, en zodat ze verder hun ‘opvoedende’ of ‘organiserende’ taak konden uitvoeren.  Dat was een goede reden om bij gevechten op de achtergrond te blijven.
     Dat was niet de enige reden. Veel partijleden in de jaren 70-80 waren jongens en meisjes uit brave gezinnen die aan de universiteit het revolutionaire licht hadden gezien, en die nog nooit op café of in een duister straatje hadden gevochten. Het waren, als het op geweld aankwam, van nature bangeriken. De partij heeft tussen 1975-1980 geprobeerd er wat meer flinkheid in te krijgen. Het was de tijd van de confrontaties met extreem-rechts door het organiseren van tegenbetogingen. Partijleden werden verplicht om een motorhelm te kopen en die in een plastic zak mee te dragen bij dat soort acties, zodat dat die op het gepaste moment konden worden opgezet. Er werden intern karate-oefeningen georganiseerd. Er werd aangeleerd om brutaal te zijn tegen de politie. Ik hoorde ooit een partijleider luid roepen tegen een politie-agent: ‘Je hebt zeker nog nooit slaag gekregen van een van Amada.’
     Maar die hevige periode duurde maar enkele jaren. De motorhelmen verdwenen. Het geweld moest van de massa’s komen, en niet van de partijleden. ‘Bij zulke stakingen als die van Zwartberg in 1966’ zei Ludo Martens tegen de partijleden, ‘denkt elke arbeider die thuis een geweer heeft maar aan één ding: dat geweer gaan halen en op de politie schieten. Maar als een van jullie door iemand een geweer wordt aangeboden, dan mag je zeker zijn dat je met een politie-provocateur te maken hebt.’
 
     Het begrip massa’s werd door de partij overigens breed, en soms met de nodige ironie geïnterpreteerd. Ik herinner mij een actie aan de poort van een universitaire aula. Binnen zou een meeting doorgaan van ‘extreem-rechts’, en het Antifascistisch Front had volk opgetrommeld om dat te beletten. Een student, die geen lid was van de partij en die geloof ik later iets hoogs zou worden in de diplomatie, was bezig een raam te bewerken met een ijzeren staaf. Een partijkader stootte mij aan en zei met een brede glimlach : ‘Kijk, dat is nu wat ik noem gerechtvaardigd geweld van de massa
’s.’
     Bij dat alles bestond de partijstrategie, op enkele uitzonderingen na, niet uit het oproepen tot of het  organiseren van geweld. De truc was om op te roepen tot acties waarbij geweld van de ordediensten verwacht kon worden zodat tegengeweld noodzakelijk leek. In Leuven heb ik dat van dichtbij meegemaakt. Als een betoging verboden was, werd opgeroepen om tóch te betogen. Als een betoging overdag wél toegelaten was, werd opgeroepen om ’s avond een fakkeltocht te houden. Als een bepaald parcours was opgelegd, werd opgeroepen om een ander parcours te volgen. En het beste was natuurlijk om iets te bezetten want dat was altijd illegaal.
 
     Ik heb nog vage herinneringen aan een gevecht op de trappen van het studentencentrum ’t Stuc in Leuven waarbij ik mij volgens een grote foto in Het Nieuwsblad in de frontlinie bevond. Dat was op 20 februari 1980. De rijkswacht was naar ’t Stuc getrokken om de apparatuur van Radio Scorpio, die geen zendvergunning had, in beslag te nemen. Daarop zond de radio een noodoproep uit, en activistische studenten, o.a. van de PVDA, trokken naar het ’t Stuc om de deur te barricaderen, waarop dan weer politieversterking moest aanrukken om de bezetting met veel geduw, getrek en enkele rake klappen ongedaan te maken.
     Bij dat soort acties maakte de PVDA zich geen illusies meer dat er een plaatselijk revolutionair klimaat aan het ontstaan was. Studenten waren geen havenarbeiders, en de partij was zich enigszins aan het bevrijden van haar tunnelvisie. Ze had ‘die Tür zur Realität aufgestoßen,’ zoals de Duitse zusterpartij dat noemde 
– voor ze zichzelf ontbond. Maar ook zonder revolutionair klimaat waren zulke acties van burgerlijke ongehoorzaamheid, met geweld ‘als zelfverdediging’, nuttig. Je kon er mensen de marxistische inzichten mee bijbrengen over de rol van het repressie-apparaat****. Als men bij zulke kleine acties al met politiegeweld te maken had, wat zou dat dan zijn als men echt grote maatschappelijke veranderingen nastreefde! Daar moest men eens over nadenken en er dan de nodige conclusies uit trekken. Mensen die die inzichten verworven en die conclusies getrokken hadden, waren altijd welkom bij de PVDA.

                                                                ***

     Als we de periode van 1970 tot 1987 in zijn geheel overschouwen, tekenen zich enkele krachtlijnen af. De PVDA – en haar voorlopers Mijnwerkersmacht en Amada – droomde openlijk van een machtsovername op termijn van 10-15-20-jaar. Die toekomstige machtsovername kon, als toegeving aan de conventionele moraal, worden voorgesteld als noodzakelijke zelfverdediging tegen de burgerij die anders het fascisme zou installeren. Maar er werden geen of weinig praktische voorbereidingen getroffen om die gewelddadige machtsovername voor te bereiden.
     In de dagelijkse werking van de partij nam het geweld ook al geen grote plaats in. Bij sommige stakingen riep de partij op tot gewelddadig verzet tegen politie en rijkswacht, vooral als zulk verzet kon rekenen op de steun van een belangrijk deel – daarom nog geen meerderheid – van de stakers. Men zag  dergelijke kleinschalige confrontaties ook niet als een 
‘oefening’; daarvoor was het echte werk nog te ver verwijderd in de toekomst. De confrontaties moesten veeleer een voedingsbodem vormen voor het radicale inzicht dat op termijn een Grote Revolutie nodig was om een rechtvaardige socialistische samenleving mogelijk te maken. 
    Bij de gewelddadige confrontaties hielden de partijleden zelf zich veeleer op de achtergrond. Een uitzondering was de periode 1975-1980 toen de leden verondersteld werden het voorbeeld te geven, vooral bij schermutselingen tegen  extreem-rechts dat ‘in de kiem moest worden gesmoord.’ In de mate dat het Vlaams Belang van vandaag de opvolger is van dat extreem-rechts van toen, heeft die strategie niet veel opgeleverd.      

                                                                ***

    Dat was een proeve van historiek. In een vervolgstukje zal ik iets zeggen over het huidige straatgeweld en op de huidige houding van de PVDA.
 


* Eigenlijk zat het met die paracommando-opleiding nog ingewikkelder in elkaar. Gehypnotiseerd door Chinese propaganda was de partij midden de jaren ’70 gaan geloven dat de Russische ‘verraders van het communisme’ op het punt stonden om West-Europa binnen te vallen. De bevolking zou dan heldhaftig weerstand bieden, en de échte communisten moesten van die weerstand de leiding op zich nemen. Zo zouden ze de valse communisten kunnen verjagen en daarna het échte communisme vestigen. Het klinkt (en is) belachelijk, maar met de nodige technische terminologie, de historische verwijzingen en de wilskrachtige retoriek van Ludo Martens klonk het allemaal aannemelijk. 

 

** Bij de orthodoxe marxisten krijgt alles een keurige klassenanalyse. De politierepressie is het geweld van de ‘burgerij’. Het vandalisme was het het werk van het ‘lumpenproletariat’.  Het foquisme is het geweld volgens de ideologie van de kleinburgerij. De volksoorlog is het geweld van het bondgenootschap tussen boeren en arbeiders. Het terrorisme … enzovoort. Enige tijd geleden kwam een van de stichtende leden van de PVDA nog eens op de kwestie terug. Zie hier. 

 

*** Monty Python over de ‘Volksfronten’ zie hier, alhoewel de satire beter toepasbaar is op de extreemlinkse ecologie in het West-Europa van 50 jaar geleden. Toen men ooit Habash de ‘Che Guevara van de Woestijn’ noemde, zei hij dat hij liever de ‘Mao Tse-Tung van de Arabische massa’s’ was. De twee organisaties, het Volksfront en het Democratisch Volksfront bestaan nog altijd en hebben allebei deelgenomen aan de Hamas-raid van 7 oktober. 

**** Over politierepressie en ‘bewustwording’, zie ook mijn stukje hier. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten