zaterdag 29 oktober 2016

Paul Magnette en de negen zeemonsters

     Paul Magnette, die volgens Jan op de jonge Marlon Brando lijkt, is van de week veel in het nieuws geweest, omdat hij zich als enige verzette tegen de ondertekening van het Canadees-Europese handelsakkoord. Hij werd door zijn vrienden vergeleken met koning David en met Asterix, en door zijn vijanden met de Griekse veldheer Pyrrhus. Die vergelijkingen zijn wat moeizaam omdat zowel David en Asterix alsook Pyrrhus hun vijanden versloegen, en dus de overwinning behaalden op Goliath, de Romeinen en nogmaals de Romeinen. Magnette daarentegen heeft geen iota kunnen veranderen aan het akkoord dat nu toch ondertekend wordt. En de iota is de kleinste letter van het Griekse alfabet, zo klein dat hij vaak onder een andere letter wordt geschreven.
    Zelf vindt Magnette dat hij het er goed heeft afgebracht (hier). De onderhandelingen waren moeilijk, hij heeft weerstand geboden aan de internationale druk en hij heeft het ultimatum getrotseerd. Met dat laatste bedoelt hij dat de ondertekening van het ongewijzigde akkoord met enkele dagen werd uitgesteld. Daarna somt hij een aantal ‘verworvenheden’ op – geen private arbitrage, sociale normen, milieunormen, bescherming van de publieke sector – die allemaal, for better or for worse,  al in het akkoord stonden vóór Magnette er zich mee bemoeide.
     Maar heeft hij dan geen klein protectionistisch maatregeltje kunnen bekomen om minder competitieve Waalse producenten te beschermen tegen de Canadese concurrentie? Heeft hij geen bijkomende regelingen kunnen afdwingen om de agrariërs van zijn coalitiegenoot CDH te beschutten voor transatlantische aanvoer van vlees en groenten? Eigenlijk niet, en dat is gelukkig voor de Waalse consumenten, en voor de huidige en toekomstige Waalse ondernemers die wél hun kans grijpen.
     Magnette beweert dat het niet zozeer om CETA ging als wel om de toekomstige handelsakkoorden. Ook bij die toekomstige akkoorden zal bijvoorbeeld de private arbitrage tussen staten en multinationals geweerd worden. Mocht dat zo zijn – so what? Zelfs het erg neoliberale Amerikaanse CATO Institute vindt die arbitrage niet zo bijzonder (hier). En, belangrijker, het Waalse gewest is niet echt van plan om multinationals te dwarsbomen als die in Wallonië willen investeren. Veel arbitrage zal er dus niet nodig zijn. Onze zuiderburen zullen geloof ik blij zijn met elke multinational die komt en zullen treuren om elke multinational die vertrekt. Misschien dat de PS ooit dwars zal liggen tegen buitenlandse investeerders wanneer de partij ook in Wallonië in de oppositie belandt. Maar dat is voorlopig toekomstmuziek.
    Omdat Magnette nu eenmaal tot de francofonie behoort, én tot de politieke wereld, gebruikt hij veel woorden als ‘steun’, ‘energie’, ‘moed’, ‘weerstand’, ‘strijd’, ‘mobilisatie’ en ‘openbaar debat’. Dat opscheppen hoort erbij. Je hoort niet vaak een politicus toegeven dat hij een strijd verloren heeft*. Trump zegt nu al dat hij bij verlies niet zal toegeven dat hij de verkiezingen verloren heeft. En opscheppers hebben altijd een excuus klaar.

     Zo’n opschepper was ook Beowulf, de Zweeds-Deense held van het Oud-Engelse middeleeuwse epos. Hij had het in een zwemwedstrijd opgenomen tegen de sterke Breca en … verloor. Hij werd aan die nederlaag herinnerd door Unferth, de leenman van koning Hgrotar. Beowulf had zijn uitleg klaar. Hij had zeven dagen en zeven nachten gezwoegd (seofon niht swoncon). Het weer was erg koud (wedera cealdost). Er stond een noordenwind (norþanwind). De golven waren geweldig (hréo waéron ýþa). Hij had tijdens het zwemmen een gebreid harnas aan (bróden beadohrægl) en had ook een zwaard in de hand (swurd on handa). En dan werd hij nog aangevallen door negen zeemonsters die hij allemaal moest verslaan (ic mid sweorde ofslóh niceras nigene).  Er was met andere woorden veel ‘energie’ en ‘moed’ en ‘strijd’ aan te pas gekomen. Kortom … ja, Breca was eerst gearriveerd.

* Je zou ook kunnen zeggen dat Magnette als overwinnaar uit de krachtmeting kwam omdat het nooit zijn doel was om het handelsakkoord echt te wijzigen. Dat hij alleen een politiek spel speelde om electoraal populair te worden. Maar als ik dat beweerde zou ik hem een intentieproces aandoen en ik heb van de week Paul De Grauwe al een intentieproces aangedaan. (hier)
 
 


donderdag 27 oktober 2016

CETA, de vrije handel en de milieuvervuiling

Nobelprijswinnaar Economie Krugman vindt de vrijhandel
van Adam Smith en David Ricardo nog altijd actueel
          Hoewel veel deelnemers aan het debat over CETA beweerden dat ze de 1.600 bladzijden van het akkoord niet gelezen hadden, kwam je bij hen toch verrassend vaak erg gedetailleerde argumenten tegen. Zo leerde je ook een keer wat nieuws. Tot voor kort kende ik het verschil niet tussen ISDS-arbitrage en ICS-arbitrage. Ik geloof dat ik voor ISDS ben, maar pin me er niet op vast. ’t Was allemaal erg vermoeiend.
     Het was dan ook met opluchting dat ik een stuk las van professor De Grauwe die ruimhartig bekende dat die details er niet zoveel toe deden, want dat het akkoord in wezen om de wereldwijde vrije handel ging. Dat was ‘des Pudels kern’ en dat vond ik ook. Maar Professor De Grauwe was tegen die wereldwijde vrije handel – die hij ‘globalisering’ noemde –  of toch min of meer tegen, net als professor Holslag die een paar dagen eerder een soortgelijk stuk publiceerde (1).
      Dat is eigenaardig, want de voordelen van vrije handel zijn gemakkelijk te begrijpen. Als Portugal beter is in het maken van wijn, en Engeland is beter in het maken van katoentjes, dan moeten die twee landen zich maar specialiseren in wat ze het beste doen en daarna hun overschot naar elkaar uitvoeren. Dat is de vrije handel. Er moeten helemaal geen afspraken worden gemaakt over hoeveel wijn Portugal naar Engeland mag of moet uitvoeren. Alles wordt geregeld door de consument die prijs en kwaliteit vergelijkt. De Engelse wijnliefhebber ziet in de winkel goedkope Portugese wijn liggen en besluit, na uitgebreid proeven thuis, dat die beter smaakt en minder hoofdpijn geeft dan het inheemse bocht (2). Hij moet dus geen twee keer nadenken over welke wijn hij voortaan koopt. Het gevolg is dat de Engelse wijnproducent met zijn Engelse wijn blijft zitten, bankroet gaat en overschakelt op het maken van eerteklas katoentjes die hij dan in Portugal gaat verkopen.
     En het mooie is dus – nogmaals – dat daar geen afspraken voor moeten worden gemaakt. Er moet niet worden afgesproken dat de ene iets van de andere koopt op voorwaarde dat de andere iets terug koopt. Als de Portugezen zo dwaas zijn om geen goedkope Engelse katoentjes te kopen, dan is dat jammer voor de Portugezen, maar dat is voor de Engelsen nog geen reden om dure, slechte Engelse wijn te drinken. Die Engelse katoentjes die de Portugezen niet willen, moeten dan maar aan iemand anders worden verkocht, desnoods aan de Engelsen zelf, die nu toch geld teveel hebben sinds ze goedkoop wijn kunnen drinken.
     Nu zegt u misschien – Clerick, dat zijn praatjes van lang geleden, toen er nog geen mobieltjes werden ingevoerd vanuit Korea en de katoentjes nog niet uit China kwamen. Die praatjes over Portugal en Engeland, en over de wijn en de katoentjes, waren misschien wel toepasselijk in de tijd van Adam Smith en James Mill en David Ricardo en Frédéric Bastiat. Maar de economische wetenschap weet ondertussen beter.
     Wel – eigenlijk niet. De productietechnieken zijn de laatste 200 jaar veranderd, maar de wetten van de logica niet, en de menselijke drijfveren evenmin. Als ik een mobieltje wil kopen, kijk ik ook naar prijs en kwaliteit, net als die 19de-eeuwse Engelse wijnliefhebber.
     Paul Krugman, die in 2008 de Nobelprijs voor de Economie won en die zeker geen neoliberaal is, schreef in 1997 een artikel over de vrije handel. Hij geeft aan dat de oude theorie van Smith en Ricardo weliswaar niet volmaakt is, maar nog altijd veruit de beste is, en dat die aangehangen wordt door bijna iedereen die economie heeft gestudeerd, of hij nu neoliberaal of Keynesiaan is (3).
     De Grauwe is neoliberaal geweest, en is nu Keynesiaan, maar was altijd een econoom, en in die hoedanigheid  is hij in zijn hele academische carrière, zoals hij zelf zegt, ‘altijd een voorstander geweest van de vrijhandel’ want ‘die vrijhandel ligt aan de basis van de materiële welvaart in Europe en heeft het ook mogelijk gemaakt dat honderden miljoenen mensen in de wereld uit de extreme armoede werden gerukt.’
    De vrije handel zorgt dus voor materiële welvaart. Tot hier zijn Krugman en De Grauwe en uw dienaar het eens.  Maar dan komt De Grauwe met het argument van de milieuvervuiling: ‘Globalisering leidt tot extreem veel transport. En die leidt tot heel veel milieukosten die niet verrekend worden in de prijs van het finale product.’ Op de blog van Ivan Janssens vond ik een krachtig antwoord op dat argument (4). Ik vat dat antwoord even samen: (a) milieuschade door transport moet samen gezien worden met de milieuschade door productie; (b) milieuschade door buitenlands transport is redelijk klein vergeleken met die door binnenlands transport; en (c) vrije handel verhoogt de welvaart en verhoogde welvaart zorgt voor meer ecologische keuzes (5). 
     Dat laatste denk ik ook vaak, als ik die welvarende burgers zie rondrijden in hun chique Teslas. Zelf zitten wij er thuis evengoed warmpjes bij, ik met mijn lerarenwedde en mijn vrouw met haar journalistenwedde, en we denken er waarachtig aan om geld te gaan steken in een meer ecologische isolatie van ons huis, vooral nu een spaarrekening niets meer opbrengt.
     Dat transport een mineur probleem is 
(6) en dat welvaart leidt tot ecologische keuzes, dat moet professor De Grauwe ook weten. En toch doet hij die milieu-uitspraak. Wat mij nu interesseert is de psychologische kant van de zaak. Ik wil hier voor een keer een ‘procès d’intention’ voeren. Misschien zit het zo. De Grauwe is stilletjesaan geëvolueerd van een neoliberaal naar een herverdeler en een voorstander van meer staatstussenkomst in de economie. Maar hij kent als econoom de argumenten voor een laissez-faire systeem erg goed. Hij weet even goed als Krugman dat het argument vóór de vrije handel niet kan worden weerlegd – Holslag weet dat wellicht niet, maar De Grauwe wel, geloof ik. Dan komt de milieuvervuiling goed uit. En hoe groter die vervuiling is, hoe beter – ik bedoel: als argument. Dan is er toch al één reden om de staat te laten tussenkomen in de economie.
     Het doet mij denken aan de econoom Robert L. Heilbroner. Zijn hele leven lang heeft hij getwijfeld tussen het liberalisme dat hem wetenschappelijk aansprak en het marxisme dat hem emotioneel aansprak. En op het einde van zijn leven wist hij het zeker. De liberalen hadden gelijk. Hayek en Mises hadden het socialisme weerlegd. Alleen bleef staatsinterventie nodig … vanwege het milieu.

__________

(1) Holslag haalt net als De Grauwe de milieuschade door transport als reden aan om het CETA-akkoord tegen te houden.

(2) Het doet er voor de Engelse wijnliefhebber niet toe waarom die Portugese wijn goedkoper is: vanwege de Zuiderse zon, het leem in de grond, de lagere lonen, de eeuwenoude traditie, het efficiënt stapelen van de eikenhouten fusten of de subsidie die de staat verleent aan de wijnboeren.

(3) Alleen is geen enkele econoom er ooit in geslaagd een politicus te overtuigen om de economische theorie strikt toe te passen. Vandaar dat economen soms komen aandragen met tweede-beste theorieën, in de hoop dat ze zo politici kunnen overtuigen toch een beetje vrijhandel toe te passen. Krugman laat zien dat handelsakkoorden als CETA wel  praktisch nut hebben, al zijn zij volgens de economische theorie niet nodig. Volgens de theorie volstaat het immers dat een land eenzijdig zijn grenzen openstelt om te profiteren van de goedkope producten van een ander land. Maar het zit er kinderachtig ingebakken dat een land zijn grenzen niet wil openstellen voor een ander land als dat andere land niet hetzelfde doet. Dat is niet eerlijk van dat andere land, vindt men. Dan komt een tweezijdig handelsakkoord goed van pas om die verontwaardiging te sussen.

(4) Janssens beantwoordt ook het tweede argument van Paul De Grauwe – dat de vrije wereldhandel meer ongelijkheid in het leven roept.

(5) Janssens citeert een studie van Antweiler (2001) die stelt dat voor elk procent inkomenstijging er een vermindering van de vervuiling optreedt van 1,25 tot 1,5 procent, grotendeels dankzij schonere productietechnieken.

(6) ‘Mineur’ is natuurlijk betrekkelijk. Voor een vorig stukje heb ik opgezocht wat het aandeel was van de scheepstransport in de wereldwijde CO2-uitstoot. Het is 2,2 %. 

zondag 23 oktober 2016

Noam Chomsky en CETA

     Toen ik voor de vijftiende keer op Facebook het clipje zag verschijnen met de boodschap ‘Noam Chomsky maakt in twee minuten CETA gelijk met de grond’ heb ik het toch maar eens bekeken (hier).
     Ik heb die Chomsky nog de hand geschud.
     Ik had over hem geleerd aan de universiteit. Hoe hij de taalkunde veranderd had door niet meer als een gek op zoek te gaan naar duizenden taalkundige feitjes en rare zinnetjes, en die dan in een min of meer samenhangende theorie onder te brengen. In de plaats daarvan stelde Chomsky eerst een geraffineerde theorie op, en ging dan zoeken welke zinnetjes er wel en niet mogelijk waren binnen die theorie. Die konden dan, ter controle, vergeleken worden met wat ons moedertaalgevoel ons ingaf en zo konden we zien of de theorie juist was of niet. Het leek een beetje op de werkwijze die Karl Popper aanbeval.
     Later las ik ook wat politieke boekjes van Chomsky, en daar ging hij anders te werk. Hij ging als een gek op zoek naar duizenden feitjes en rare persknipsels, die dan een erg grove theorie moesten ondersteunen – multinationals deugen niet, Amerika verknecht de wereld. Het leek een beetje op de werkwijze die Chomsky verweet aan de taalkundigen vóór hem. Ik vond die boekjes erg vermoeiende lectuur.
     Een aantal van die boekjes werd in het Nederlands vertaald en mijn vrouw verzorgde de promotie ervan. Zij haalde Chomsky naar België om te spreken op een conferentie aan de Brusselse universiteit. Ik ben toen gaan luisteren en dat viel best mee. De beroemde linguïst zag er erg vriendelijk uit. Terwijl de zaal zich vulde, maakte hij een praatje met de tolk en de concierge. En toen hij begon te spreken, liet hij zijn persknipsels in de map en hield een keurig toespraakje waarin hij zijn anarcho-syndicalistische kijk op de maatschappij ontvouwde. Hij had het daarbij vaak over Dzjân Lâk, waar hij erg tegen was, en het duurde even voor ik doorhad dat hij over de Engelse arts en filosoof John Locke (1632 – 1704) sprak.
    En na afloop heb ik Chomsky dus de hand geschud.
    Dan het clipje. Eigenlijk spreekt Chomsky daarin niet over het handelsakkoord tussen Europa en Canada (CETA) maar over dat tussen Europa en de Verenigde Staten (TTIP) en over dat tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico (NAFTA). Sommige argumenten zijn daardoor fout als ze worden toegepast op het Europees-Canadese akkoord. Die argumenten zijn dat het akkoord (1) niets met vrijhandel te maken heeft; (2) geheim gehouden wordt; (3) bedrijven toelaat om staten gerechtelijk te vervolgen als hun winst bedreigd wordt; en (4) staten het recht ontneemt om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurgebieden te houden.
     Dat klopt allemaal niet voor CETA, geloof ik.
     (1) Het akkoord dat nu moet worden goedgekeurd, heeft alles met vrijhandel te maken. Chomsky beweert dat vrijhandel bij de vermelde akkoorden maar een voorwendsel is omdat de handelstarieven nu al laag zijn. Maar ook een ‘laag’ tarief van 10 % betekent een ernstige rem op de handel. Men verwacht dat de Europees-Canadese handelsstroom door het afschaffen van de tarieven met een vijfde zou stijgen, dus met 12 miljard euro.
     (2) Het akkoord is niet geheim. Het is al twee jaar openbaar, namelijk sinds 26 september 2014. Dat de onderhandelingen daarvóór discreet verliepen, komt geloof ik niet omdat men ‘het volk’ niet wil inlichten. Vanaf 26 september 2014 kon ‘het volk’, en ook elke recalcitrante actiegroep, de tekst lezen. Ook Magnette had twee jaar de tijd om de tekst te lezen.
      (3) CETA staat niet toe dat bedrijven een staat vervolgen vanwege een winstbedreigende wetgeving (hier). Ik heb begrepen dat eenzijdige acties, zoals het van staatswege onteigenen van buitenlandse bedrijven, wel voor een arbitragehof kunnen worden gebracht. Maar als het eens op onteigenen aankomt, vrees ik dat arbitrage niet veel meer zal helpen.
     (4) Zoals ik het inzie, zullen de nationale staten nog altijd het recht hebben om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurzones te houden, zolang daarbij niet gediscrimineerd wordt en binnenlandse bedrijven daar ook niet binnen mogen. Dat beginsel geldt voor alles. Zo kan Frankrijk de Canadezen niet verplichten op hun sigaretten, Dunhill bijvoorbeeld, in vette zwarte letters de boodschap af te drukken ‘Fumer peut nuire à votre santé’, terwijl aan de andere kant de Franse Gitanes van die verplichting worden vrijgesteld, zelfs al zijn ze misschien nog veel schadelijker.
     Chomsky maakt ook een aantal algemene opmerkingen. (5) Dat het subsidiëren van de Amerikaanse landbouw strijdig is met de vrijhandelsgedachte. Dat ben ik helemaal met hem eens. (6) Dat intellectueel eigendomsrecht niet te rijmen valt met vrijhandel. Dat is een erg moeilijk probleem*. En (7) dat je geen gelijkheid kunt eisen in de behandeling van binnenlandse en buitenlandse bedrijven als je niet gelijk ook aan alle vreemdelingen die illegaal het land binnenkomen dezelfde rechten toekent als aan de eigen burgers.
     Dat is een erg verwarde vergelijking. Hoe kun je nu buitenlandse bedrijven met immigranten vergelijken? Dan moet je de motieven meerekenen waarom je die bedrijven of immigranten aantrekt of buitensluit. Een nationale staat laat buitenlandse bedrijven toe – trekt ze zelfs aan –, omdat hij hoopt dat daar voordeel van komt voor de eigen burgers, bijvoorbeeld in de vorm van tewerkstelling. Als een staat beslist om inwijkelingen aan te trekken, ongelimiteerd toe te laten, gecontroleerd toe te laten, of niet toe te laten, doet hij dat ook, hopelijk, met het welzijn van zijn burgers voor ogen. En het is bij die immigranten zeker niet a priori duidelijk welke van de vier handelswijzen het meeste voordeel oplevert. Terwijl zelfs de meeste tegenstanders van de multinationals die toch liever zien komen dan vertrekken, zoals ik uit de recente beroering rond Catterpillar heb geleerd.

* Uitvindingen en merknamen in eigen bezit houden en niet toelaten dat anderen die gebruiken, remt zeker de vrije handel af. Maar het lijkt redelijk de oorspronkelijke uitvinder of ondernemer toch een periode te gunnen waarin hij door zijn exclusieve winsten de investering terugwint die voor de uitvinding of voor de ontwikkeling van het merk noodzakelijk waren. Ook heb ik begrepen dat de bakkers van Geraardbergse mattentaarten hun streekproduct willen beschermen en dat die dus graag bepaalde vormen van intellectuele eigendom in de handelsakkoorden behouden willen zien.

vrijdag 21 oktober 2016

Professor De Grauwe en de belastingen

      Toen professor De Grauwe nog een neoliberaal was, schreef hij ook al af en toe een stukje in de krant. Ik las die stukjes graag omdat ze zo helder en goed beargumenteerd waren. De professor schreef precies wat ik ook dacht, maar ik wist niets van economie en de professor was er heel knap in.
       Ondertussen is de professor een Keynsiaan en een halve egalitair geworden. Hij schrijft nu precies het tegenovergestelde van wat ik denk, maar verder is alles bij het oude gebleven. Ik weet nog altijd niets van economie en de professor is er nog altijd heel knap in. En hij schrijft nog altijd stukken in de krant die helder en goed beargumenteerd zijn, zoals van de week (hier), tegen het ‘gepruts’ van de regering. Hij betoogde dat de meerwaardebelasting van cd&v en de verlaagde vennootschapsbelasting van nv-a geen verstandige maatregelen waren*.
     Over die meerwaardebelasting ben ik het met de professor eens. Stel, je hebt twee jaar geleden een huisje geërfd van je tante. Je verkoopt het krot, geeft de helft van de opbrengst aan de staat als ‘erfenisrecht’, en koopt met de rest van het geld voor 100 000 euro aandelen in Delhaize, omdat je die winkels zo mooi vindt, het assortiment zo uitgebreid en het personeel zo vriendelijk. Twee jaar later bekijk je per ongeluk de beursberichten in de krant en je stelt vast dat je aandeeltjes ondertussen 200 000 euro waard zijn. Als je die snel verkoopt heb je, zonder iets te doen, 100 000 euro verdiend en behoor je voorgoed tot de middenklasse. Zo was het vroeger. Maar als de cd&v haar zin krijgt moet je op die 100 000 euro ‘meerwaarde’ nog eens dertig procent belastingen betalen. Het is wat minder dan dertig procent geloof ik, want er is een ‘vrijstelling’, en er zijn allerlei andere ingewikkelde regels, maar je zult toch heel veel moeten betalen, en wel nadat je al zoveel betaald hebt.
      Professor De Grauwe heeft bezwaren tegen zo’n regeling. Veel zal die niet opbrengen, meent hij. Als je aandelenverkoop belast, dan zullen er vooral minder aandelen verkocht worden. De grote jongens zullen snel iets anders gaan doen met hun geld. De middenklasser met zijn Delhaize-aandeeltjes is de klos, maar de échte rijke vraagt aan een dure advocaat om zijn aandelen om te zetten in – ja –  in wat weet ik niet precies, maar het zullen in elk geval geen aandelen zijn ‘in de juridische zin van het woord’. De enige die profijt trekt van de hele geschiedenis is de advocaat die de gedaantewisseling van aandelen in iets anders moet regelen.
     Tot hier is alles weer zoals vanouds: de professor schrijft precies wat ik ook denk. Wij vormen een team.
     Daarna loopt het tussen ons wat stroever. De professor toont zich een tegenstander van de verlaagde vennootschapsbelasting en daar ben ik voorstander van. Want hoe is het nu? Een bedrijf betaalt in theorie 34 procent op zijn algemene winst. Maar in de praktijk is dat vaak veel minder, bijvoorbeeld 22 procent, omdat het bedrijf eerst bepaalde uitgaven van de  belastbare winst kan aftrekken. Veel van de bmw’s en Mercedessen die ons op de autoweg langs links en rechts inhalen, zijn in de boekhouding van bedrijven ingeschreven als ‘aftrekpost’. Hoe duurder de wagen, hoe groter de aftrekpost, en dus hoe lager de winst, en dus ook hoe minder het bedrijf belast wordt. Het voorstel is dus, heel redelijk, om die vennootschapsbelasting te verlagen van 34 procent naar 22 procent, en tegelijk zo te schrappen in de aftrekposten dat die 22 % op de grote algemene winst evenveel opbrengt als vroeger die 34 procent op de kleinere belastbare winst .
     Die vereenvoudiging lijkt mij een erg goed voorstel. Bij een kleinere vennootschapsbelasting moet een bedrijf niet meer proberen zo weinig mogelijk winst te maken, uit vrees voor de belastingen. Het mag voortaan zonder schroom proberen zoveel mogelijk winst te maken. Die winst wordt een betrouwbaar meetinstrument van de gezondheid van het bedrijf. Het kost de staat geen cent, de boekhouding van het bedrijf wordt eenvoudiger, en de inning van de belastingen ook.
     Tegen die redenering heeft De Grauwe een kloek tegenargument. Hij beweert dat het eerste deel van de ingreep – de verlaging van de belasting – wel zal lukken en dat het tweede deel – de schrapping van de aftrekposten – niet zal lukken. Want ‘achter elke aftrekpost schuilt een leger aan lobbyisten’ die ‘een ware guerrillaoorlog’ zullen voeren om de aftrekposten te behouden. Verder beweert hij dat de winsten van de bedrijven zullen toenemen, dat de aandelenkoersen zullen stijgen, en dat de aandeelhouders zich nu al in de handen wrijven. ‘Mij niet gelaten,’ voegt de professor eraan toe, maar het klinkt wat zuur.
     Om met dat laatste te beginnen: ik geloof ook dat een verlaagde vennootschapsbelasting kan leiden tot hogere winsten en dat een deel van die winsten naar de aandeelhouders zal gaan. Maar belangrijker lijkt mij dat die winsten ook voor nieuwe investeringen kunnen zorgen en dat die investeringen een netto voordeel opleveren voor de hele samenleving. Ik vind het flauw van De Grauwe om alleen het profijt van de aandeelhouders te vermelden en het algemene profijt te verzwijgen terwijl hij als professor dat algemene profijt zelfs kan becijferen terwijl ik het alleen vaag kan aanvoelen.
     Anderzijds heeft de professor gelijk als hij waarschuwt voor lobbyisten zoals de Mercedes- en de bmw-verkopers die met hand en tand de bestaande aftrekposten zullen verdedigen. Maar moeten we daaruit besluiten dat het de moeite niet loont om de strijd tegen die lobbyisten aan te gaan? Ik geloof nooit dat dat de overtuiging van De Grauwe is. Alleen betrouwt hij de huidige regering niet dat ze die strijd zal aangaan. Dat is de professor zijn goed recht. Maar als argument is het zwak: een regering bekritiseren, niet vanwege een maatregel die ze voorstelt, maar omdat je ze niet betrouwt dat ze die maatregel zal uitvoeren.
     Eigenlijk spreekt De Grauwe vooral een vrees uit. Zeg mij wat je vreest, en ik zeg je wie of wat je bent. De professor  vreest dat de verlaagde belasting er komt, maar dat het schrappen van de aftrekposten er niet komt. Die vrees zegt iets over zijn huidige gedachtegoed. De vroegere professor De Grauwe zou misschien net het omgekeerde gevreesd hebben – dat de aftrekposten wél werden geschrapt, maar dat de belastingverlaging er daarna niet kwam. Die vrees zou niet onredelijk geweest zijn: de staat heeft altijd geld nodig en de vakbonden willen ook wel eens lobbyen om de belastingdruk bij de bedrijven te houden. Het is evenmin onredelijk om te denken dat een ingevoerde belastingverlaging door een volgende regering weer wordt afgeschaft, terwijl de aftrekposten voorgoed afgeschaft blijven. Dat is in elk geval mijn vrees. Maar ik hoop ondertussen dat het alle twee lukt: dat van de belastingen én dat van de aftrekposten.

* Zelf is de professor gewonnen voor een vermogensbelasting, maar dat is een ander verhaal.

vrijdag 14 oktober 2016

Functiebeschrijving van de leraar

     Ik heb vandaag een document ondertekend waarin ik mij akkoord verklaar met de ‘Algemene Functiebeschrijving Leraar’. Daar staat onder andere in dat ik op basis van een goede planning en voorbereiding les moet geven. Ik ben daar best toe bereid.  Er staan ook veel woorden in als  ontwikkelingsdoelen, bijsturing, communicatie en coaching, en al die woorden worden ondersteund door krachtige bijvoeglijke naamwoorden.
     Het is nogal wat.
     Ik geloof dat zulke functiebeschrijvingen uit het privaat ondernemerschap zijn overgewaaid. Ik heb ooit in een private onderneming gewerkt – een advocatenkantoor – en daar hadden ze ook zo’n functiebeschrijving, voor advocaten dan. Die functiebeschrijving bestond in het Nederlands en in het Frans, want het kantoor was in Brussel gevestigd. Ik herinner mij vooral de Franse versie. Artikel 14: ‘Ne pas être wereldvreemd’. En verder ging het ook over ontwikkelingsdoelen en bijsturing en coaching en communicatie.
     Welnu, dat advocatenkantoor had elk jaar een algemene vennotenvergadering om te beslissen wie van de medewerkers tot vennoot zou worden bevorderd. Ik heb wel eens gehoord hoe zo’n vergadering verliep. Een senior partner zingt de lof van een bijzonder vlijtige en talentvolle medewerker. Die is communicatief, hij stuurt bij, hij heeft oog voor de ontwikkelingsdoelen en hij coacht als de beste. Bovendien, laat dat duidelijk zijn, il n’est pas wereldvreemd. De andere vennoten knikken. Voor hen ligt een functiebeschrijving en ze kunnen als ze dat willen met de vinger volgen op het document. Maar op hun knieën, onder de tafel, ligt een ander document, waar het zakencijfer, de bottom line, van de medewerker vermeld staat. Iets meer dan een miljoen? Ja, dat wordt een goede venoot, ook al is hij soms een beetje – soyons sincères – wereldvreemd.
     Kijk, dat vind ik mooi en zuiver, die bottom line. In het onderwijs, en in de meeste staatsinstellingen, hebben we zoiets niet.
     De Amerikaanse auteurs William D. Eggers en John O’Leary schreven een aantal jaren geleden een boekje over succes en falen van grote projecten die door staatsinstellingen ondernomen waren. Het boekje heet ‘If We Can Put a Man on the Moon’ en het verklaart waarom staatsinstellingen, zoals NASA, er wel in slaagden om in acht jaar tijd een Amerikaan op de maan te laten landen, en hem levend en wel terug te brengen, maar er omgekeerd niet in slaagden om, ondanks de besteding van heel veel geld, de armoede in eigen land terug te dringen.
     Het falen van staatsinstellingen heeft veel redenen: het personeel kan amper beloond of gestraft worden want er is weinig ruimte voor loonsopslag of afdanking; politici en bureaucraten leven in verschillende werelden; het gedrag van mensen veranderen is moeilijker dan een technisch bravourestuk uithalen*; een democratie verspreidt de macht over verschillende organen zodat die niet kan worden misbruikt  - maar dan kan hij ook niet goed worden gebruikt.
     Ondertussen bepleiten Eggers en O’Leary dat staatsinstellingen zoveel mogelijk zouden leren van de bedrijfsvoering in de private sector. Waarom niet eigenlijk? Maar ik geloof tegelijk dat in die bedrijfsvoeringstechnieken, naast veel waardevolle inzichten, ook de nodige modes, bevliegingen en voorbijgaande rages opduiken. Bedrijven die zich teveel door die modes laten leiden, ondervinden daarvan snel de gevolgen. De bottom line zorgt ervoor dat de ergste onzin snel verdwijnt. Of in het beste geval als ongevaarlijke folklore – als ritueel spel – overleeft, en verdragen wordt, want men heeft tenslotte goed geld betaald voor dat seminar waar de nieuwste bevlieging werd aangeprezen.
     Maar wat gebeurt er als die modes en bevliegingen als exoten worden overgeplant in de tuinen van de publieke sector? De kans bestaat dan, geloof ik, dat ze inheemse gewassen als ervaring, gezond verstand en een zeker idealisme gaan overwoekeren. Dat ze al te ernstig worden genomen door lieden die blind zijn voor de folklorekant ervan. Lieden die zich van een bottom line weinig hoeven aan te trekken. Lieden die geloven dat bijvoeglijke naamwoorden als ‘concreet’, ‘kwaliteitsvol’, ‘bewust’, ‘weloverwogen’, ‘systematisch’, ‘coherent’, ‘planmatig’ en ‘optimaal’ in geen enkele tekst mogen ontbreken.


* Het is niet altijd gemakkelijk om te beoordelen of een technisch project ook economisch geslaagd is. Zelfs van een puik uitgevoerde klus als de maanlanding weten we niet zeker of alles niet ook sneller of goedkoper had gekund, want er was geen commerciële concurrent van NASA waarmee we kunnen vergelijken.

zondag 9 oktober 2016

Bavo Claes en de superrijken

     Oud-journalist Bavo Claes schreef onlangs een stukje waarin hij de superrijken van vandaag vergelijkt met de slaveneigenaren van gisteren (hier). De rijkdom van die superrijken is ‘een misdaad’, ‘een morele ontsporing’ en vergelijkbaar met de slavernij die vroeger ook ‘doodnormaal' gevonden werd. Hij hoopt dat zijn ‘schatten van kleinkinderen’ het nog zullen meemaken dat de graaiers en de poenscheppers uit het beeld zijn verdwenen en iedereen zich hoofdschuddend afvraagt hoe men vroeger die rijkdom van de superrijken heeft kunnen dulden. Claes beroept zich voor zijn stelling onder andere op een zekere Richard Wilkinson en dat is een ‘emeritus hoogleraar’.
     Hoewel hij sterke taal niet schuwt, is Claes ook voorzichtig. Zo spreekt hij niet over de ‘rijken’ in het algemeen. Het zijn alleen de ‘superrijken’, de ‘schatrijken’, de ‘puissant rijken’, de ‘absurd rijken’ en de ‘exorbitant rijken’ die in de toekomst zullen verdwijnen. De welgestelde lezer van zijn stuk hoeft zich geen zorgen te maken, zolang hij zichzelf niet ‘absurd’ of ‘exorbitant’ rijk vindt.
     Nu zijn speculaties over wat in de toekomst zal gebeuren geen sterk argument. Daarom haalt Claes ook ‘onverdachte bronnen’ aan die ‘cijfers in de hand’ bevestigen dat inkomensongelijkheid de economische groei fnuikt, het kapitalistisch systeem kapot maakt en de maatschappij ontwricht*. Vooral dat het kapitalistisch systeem kapotgemaakt werd, maakte me erg ongerust.
     Mijn vijanden verwijten mij dat ik in mijn polemiek aan detailkritiek doe. Dat ik van één argument de logische of feitelijke fout aantoon, terwijl er honderden andere argumenten zijn waar ik niet op inga. Laat ik dat weer maar eens doen. Ik ga dus niet in op de vraag of de inkomensongelijkheid de economie fnuikt, het systeem kapot maakt of de maatschappij ontwricht. Maar ik beweer stellig dat die gefnuikte economie, dat kapotte systeem en die ontwrichte maatschappij niet bewijzen dat inkomensongelijkheid een ‘morele ontsporing is’. Of iets een moreel goed of een moreel kwaad is, moet minstens in abstracto kunnen worden behandeld zonder er meteen de gunstige of kwalijke gevolgen in een ander domein bij te halen. Slavernij was een moreel kwaad op zichzelf, ook als het de economische groei stimuleerde, het systeem bestendigde en de maatschappij in stand hield, in plaats van die te fnuiken, kapot te maken of te ontwrichten. 
     We moeten de vraag dus opnieuw stellen: is inkomensongelijkheid een moreel kwaad op zichzelf, en is inkomensgelijkheid een moreel goed op zichzelf? In plaats van het aan een epidemioloog als Wilkinson te vragen, al is hij dan emeritus hoogleraar, lees ik liever wat een moraalfilosoof daarover schrijft. Harry G. Frankfurt is zo’n moraalfilosoof en hij is bovendien ook emeritus hoogleraar. Hij schreef het kleine boekje On Inequality – een trage lezer als ik heeft het uit in twee uurtjes – waarin hij beredeneert waarom ongelijkheid geen moreel kwaad is op zichzelf, in tegenstelling bijvoorbeeld tot onnodige armoede, en waarom gelijkheid geen moreel goed is op zichzelf.  Als je in een maatschappij alle rijkdom van de rijken zou vernietigen, zo redeneert Frankfurt ongeveer, als je al hun geld zou vernietigen, al hun huizen zou afbranden, al hun boten zou laten zinken, en al hun auto’s zou laten pletten door een erkende autosloper, dan heb je ontegenzeggelijk een grotere gelijkheid tot stand gebracht. Maar je hebt geen moreel goed tot stand gebracht. En verder wijst Frankfurt erop dat het vergelijken van inkomens en bezit de aandacht afleidt van de echte morele vragen in dat verband.
     Het boekje van Frankfurt is bescheiden van opzet. De schrijver blijft volledig binnen het domein van de moraalfilosofie en de zielkunde. Hij bestudeert niet het verband tussen ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’. Hij bespreekt niet de voor- en nadelen van de vrije onderneming of de staatsregulering. Hij geeft geen antwoord op de vraag of inkomensongelijkheid  de economische groei fnuikt of juist bevordert. Hij is best bereid om toe te geven dat er allerlei redenen kunnen bestaan om naar meer – of zelfs naar volledige – gelijkheid te streven. Dat moeten anderen maar eens uitzoeken. Maar op zijn terrein spreekt hij zich duidelijk uit:  gelijkheid is geen moreel goed, en ongelijkheid  is – in tegenstelling tot slavernij – geen moreel kwaad. Vroeger niet, nu niet en ook in de toekomst niet,  als kleinkinderen van Bavo Claes groot zullen zijn.

* Misschien bedoelt Bavo Claes met die onverdachte maar naamloze bronnen wel het succesboek The Spirit Level. Dat zou kunnen, want dat boek is geschreven door Richard Wilkinson – de emeritus hoogleraar die hij wél met name vermeldt. Die bron bevestigt, ‘cijfers in de hand’, dat allerlei maatschappelijke kwalen zoals slechte gezondheid, korte levensduur, misdaad, wantrouwen, tienerzwangerschappen, alcoholmisbruik, geestesziekten, enzovoort niet alleen gerelateerd zijn aan lage inkomens, zoals men vroeger dacht, maar aan de ongelijkheid op zichzelf. De mensen worden ziek, of leven korter, of worden zwanger op jonge leeftijd, niet omdat ze arm zijn, maar omdat ze rondom zich of op de televisie mensen zien die rijker zijn.
     Een criticus van de theorie vergeleek het met vliegtuigreizen. De gewone reiziger verlaat het vliegtuig dodelijk vermoeid, geradbraakt en hongerig. Dat komt niet door de slechte stoelen, het gebrek aan beenruimte en de karige maaltijden, maar omdat hij ziet dat de eersteklasreizigers fris en monter en verzadigd het toestel verlaten. Voor wie dieper op de kwestie wil ingaan, raad ik aan om zowel The Spirit Level te lezen, als het antwoord erop, The Spirit Level Delusion van Christopher Snowdon. Al naar gelang je maatschappelijke overtuiging zul je aan minstens van één van die twee boekjes veel plezier beleven.

zaterdag 1 oktober 2016

Echte woede

      Volgens Las Cases was Napoleon een brave man omdat hij zijn bedienden nooit sloeg. Ja, die ene keer – toen heeft hij een stalknecht geslagen omdat die weigerde zijn paard af te staan voor het vervoer van gewonde soldaten. Alle soldaten hadden dat gezien. Maar, voegt Las Cases eraan toe, dat was niet omdat Napoleon zich liet meeslepen door woede. Het was een berekend stukje komedie om de omstanders te laten merken hoe goed Napoleon het met de gewonde soldaten voorhad.
     Hetzelfde geldt voor Napoleons woede-uitbarstingen tegen zijn falende medewerkers. Allemaal berekening, volgens Las Cases. Napoleon was helemaal niet écht boos. Hij wou alleen zijn andere medewerkers, die getuige waren van de uitbarsting, aanzetten tot grotere vlijt. Het was hem om het resultaat te doen.
     Dat alles maakt Napoleon, in de ogen van Las Cases, tot een fidele kerel. Ik zie dat anders. Mij doet Napoleon hier denken aan twee onaangename figuren, Adolf Hitler en Simon Carter. Als Hitler met zijn vrienden gezellig aan het tafelen was, en men kondigde aan dat een Franse of Engelse ambassadeur hem wilde spreken, alles vóór de oorlog natuurlijk, dan verklaarde hij guitig dat hij een paar minuten voorbereiding nodig had. Hij begon dan luider en luider te praten en te snauwen tegen zijn disgenoten, tot elke gelaatstrek en elke beweging grote woede uitstraalde. Als ook de blik helemaal goed zat en de ogen bloeddoorlopen waren, stond hij op om de arme ambassadeur de volle laag te gaan geven.
     Simon Carter is een zo mogelijk nog walgelijker man. Gelukkig heeft hij niet echt bestaan en is hij maar een figuur uit het verhaal Thus I Refute Beelzy van John Collier. Die Simon Carter is een sadistische tandarts die zijn zoon opvoedt volgens de moderne principes. Hij mag geen ‘papa’ zeggen, maar moet zijn vader aanspreken met ‘Simon’, of liever nog met ‘Grote Simon’, want de zoon heet zelf ook Simon. De tandarts wil zijn zoon altijd overtuigen, in plaats van hem met een ferm ‘waarom-daarom’ aan te geven wat hij moet doen. Als dat overtuigen niet lukt – kinderen zijn koppig – dan maakt hij met kleine Simon een afspraak om hem ’s avonds een pak rammel te geven*. Dat is dan niet uit woede – het is hem om het opvoedkundig resultaat te doen.
     Toen ik les begon te geven, werd mij door een oudere collega ook aangeraden om af en toe een flinke woedeaanval te veinzen, vooral met nieuwe leerlingen bij het begin van een schooljaar. De kunst was, zo werd me gezegd, om een heel brave leerling als slachtoffer te kiezen en die dan de huid vol te schelden. Dat had twee voordelen. Je moest niet bang zijn dat die brave leerling zou durven antwoorden, en, ten tweede, de ondeugende leerlingen zouden bij zichzelf denken: ‘Als hij zo buldert tegen die brave ziel, hoe zal hij dan tegen ons tekeergaan als wij écht iets mispeuteren?’

     Ik heb, geloof ik, één keer al roepend en tierend een leerling uit de klas gezet. Ik ben blij te kunnen zeggen dat ik toen écht kwaad was. En als ik Jan ooit een klap heb gegeven – ik zeg wel áls, want ik ben niet goed op de hoogte van de nieuwste wetgeving ter zake en ken ook de verjaringstermijn voor zulke misdrijven niet – dus áls dat ooit gebeurd is, dan was ik zeker echt héél, héél kwaad.

*Het verhaal loopt overigens goed af, vind ik, maar het precieze einde zal ik niet verklappen.

woensdag 28 september 2016

De tranen van De Wever

     Ik ben nooit een radiomens geweest. Ik was ook geen radiokind. Thuis hadden we wel een radio, maar die stond in de nette eetkamer, waar we niet vaak kwamen, en bovendien was hij kapot. Misschien ligt het daaraan. Voor ik mijn vrouw leerde kennen, had ik nog nooit van Lutgart Simoens gehoord. Ondertussen luister ik af en toe wel naar iets als ik mij met de auto verplaats, maar meestal zit Jan dan naast mij en die bepaalt dan wel even wat er op staat.
     Toch moeten op die radio mooie programma’s te beluisteren zijn. Ik hoorde ooit in de auto, op een zaterdagvoormiddag, een stukje interview met Frieda Van Wijck die haar leven vertelde aan de hand van plaatjes. Tracktocht heette dat programma. Frieda vertelde hoe ze in de jaren zestig opgroeide als braaf Limburgs meisje, braver nog dan de andere Limburgse meisjes, want op zondagnamiddag gingen die uit,  terwijl Frieda eenzaam op haar kamertje achterbleef en plaatjes draaide van Judy Collins. (hier) O die zondagnamiddagen in de zestiger jaren! En wat was ik daar graag bij geweest, op dat kamertje, om Frieda te troosten …
     Ook zo’n mooi programma moet dat van Friedl’ Lesage zijn, waarin ze op zondagvoormiddag belangrijke mensen interviewt, onderbroken door live gezongen nummers. Vorige week had ze Bart De Wever te gast en die heeft toen even geschreid toen hij over de dood van zijn vader vertelde. Daar is veel commentaar op gekomen.
     Dat schreien van De Wever vind ik eigenlijk niet zo verwonderlijk. Ik hoorde hem ooit op de autoradio tijdens de moeilijke regeringsformatie van 2010-2011. De moeder van bemiddelaar Johan Van de Lanotte was net overleden en De Wever zei daar iets over. Hij leek er zelf door aangeslagen. Bovendien wist ik al langer dat partijvoorzitters, net als schooldirecteurs, vakbondsleiders, fabriekseigenaars en bestuurders van banken, ook mensen zijn die houden van hun vaders en moeders, hun zonen en dochters, hun echtgenoten en echtgenotes, hun minnaars en minnaressen. Mijn wereldbeeld is door het schreien van De Wever dus niet ingrijpend veranderd. Het heeft mij niet aan het denken gezet.
     Maar nu ik toch de regeringsformatie van 2010-2011 ter sprake heb gebracht – er was toen een voorvalletje dat mij wel aan het denken heeft gezet. In die tijd kenden Bart De Wever en Elio di Rupo elkaar slecht. Als je dan als leiders van de twee grootste partijen moet onderhandelen is dat moeilijk. De twee gingen daarom een weekend met elkaar doorbrengen als kennismaking. Op zeker ogenblik vroeg Di Rupo toen wat dat nationalisme precies was waar Bart zo hoog mee opliep. Bart gaf hem als antwoord een dvd van de film Michael Collins.
     Met die film legde De Wever een stukje van zijn ziel bloot, want hij moet zichzelf een beetje als een hedendaagse Michael Collins gezien hebben. De Ierse nationalist Collins had in 1920 een nieuwe strategie ontwikkeld om de Britten te bestrijden. In plaats van hen in open straatgevechten te bekampen, wat altijd slecht afliep voor de Ieren, besloot hij vanuit het verborgene toe te slaan en agenten te laten vermoorden op onbewaakte ogenblikken. Dat was niet erg fraai, maar het werkte wel. De Britse regering wilde plots toch onderhandelen. Op die onderhandelingen liet Collins zich dan van een andere kant zien, en toonde hij zich bereid tot compromis. Als hij het grootste deel van Ierland kon krijgen, dan was hij bereid om wat minder aan te dringen op de nationalistische symbolen. Dat het bevrijde land ‘Ierse Vrijstaat’ zou heten in plaats van ‘Ierse Republiek’, was betreurenswaardig, maar ‘what’s in a name’. Dat de protestantse gebieden bij Engeland konden blijven als ze dat wilden – misschien zou dat maar tijdelijk zijn. Collins begreep dat hij niet alles in één keer kon hebben. Di Rupo kreeg met de film dus de boodschap mee dat zijn gesprekspartner, net als Michael Collins, bereid was om tot een vergelijk te komen. Eerst radicale acties voeren tegen de ‘verstrikking van Vlaanderen’ en dan een gesprek onder grote mensen om de zaken te regelen.

     De volgende dag had Di Rupo de film gezien. ‘Dis Bart,’ zei hij met een charmant glimlachje, ‘ces nationalistes … ils tuent quand même pas mal de gens, hein.’ (hier)  ‘Het was hilarisch,’ zei De Wever achteraf. ‘Een heel mooi moment.’ Maar toen ik over dat grapje las in de krant, dacht ik meteen dat niet De Wever maar di Rupo de volgende eerste minister van België zou worden. Di Rupo was nog een maatje te groot voor Bart. En Bart was dat in die tijd op zijn manier ook.

vrijdag 23 september 2016

Het Nieuwsblad doet het wéér

     Nu heb ik mij twee dagen geleden binnenste buiten geplooid om aan die mensen van Het Nieuwsblad het verschil uit te leggen tussen een commentaar en een bericht (hier)*. Ik heb hen toen speciaal gewezen op het gevaarlijke woordje ‘blijkbaar’ dat als een rood oplichtend alarmlicht aangeeft dat een ‘eigen mening’ eraan komt. En die ‘eigen mening’ hoort niet thuis in een bericht – want dat hoort een feitelijk verslag te zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad van donderdag, overigens alweer over de zaak Vuye?
     “Toen Groen-parlementslid Hermes Sanctorum drie weken geleden nog uit zijn partij stapte, kreeg hij vooral vanuit nva-hoek veel positieve reacties voor deze ‘moedige beslissing’ en voor zijn ‘rechtlijnigheid’. Voor de eigen partijgenoten gelden blijkbaar andere standaarden.”
     ’t Is weer Lesaffer die aan het artikel geschreven heeft en het is weer in de laatste alinea dat hij toeslaat. Misschien heeft hij op school geleerd dat je in de laatste alinea ‘je eigen mening moet geven’.
     Ter verschoning van Het Nieuwsblad moet ik toegeven dat ik mijn stukje pas rond middernacht geplaatst heb. Toen Lesaffer het onder ogen kreeg, was zijn stuk wellicht al doorgestuurd en waren de drukkers het al aan het drukken. Ik stel me voor dat de journalist nog even getwijfeld heeft of hij niet naar Groot-Bijgaarden zou rijden om de werklui in blauwe overals toe te roepen: ‘Stop de persen’, waarna hij alsnog het woord ‘blijkbaar’ kon schrappen. Maar hij zal beseft hebben dat je zo’n melodramatisch gebaar maar ééns in je loopbaan kunt bovenhalen en dat je het dus beter bewaart voor als zich een nóg groter crisismoment dan de zaak Vuye aandient.
     Ofwel – dat kan ook – heeft hij mijn stuk aandachtig gelezen en gemerkt dat ik vooral de speculatieve connotatie van ‘blijkbaar’ in het vizier nam. Met een triomfantelijk lachje stelde hij vast dat die connotatie dit keer in zijn stuk ontbrak en daarmee was voor hem de kous af.
     Mocht Lesaffer dat gedacht hebben, dan had hij op dat eerste punt gelijk. Dit keer gebruikt hij de schampere ‘blijkbaar’, zoals in ‘Piet heeft blijkbaar  zijn boek weer vergeten.’
     Je zou tegen Lesaffer kunnen inbrengen dat het erg onredelijk is om van nva-ers te eisen dat ze op dezelfde manier reageren wanneer een lid van een vijandige partij opstapt, dan wel wanneer een lid van hun eigen partij opstapt. Zo zou het van mijn kant ook erg onredelijk zijn als ik erop wees dat Het Nieuwsblad heel anders is omgegaan met de zaak Sanctorum dan met de zaak Vuye. De zaak Sanctorum is in Het Nieuwsblad maar in twee artikels vernoemd, en een van die twee keren was in het hierboven aangehaalde stuk dat eigenlijk over Vuye ging.

     Maar daar gaat het mij niet om. Met onredelijkheid heb ik geen probleem. In polemiek kun je er iets moois mee doen, net als met opmerkingen over de grote neus van je tegenstander. Je kunt die dingen gebruiken als stijlfiguur. Maar zulke stijlfiguren – ja lezer, ik weet het, mijn verhaal wordt eentonig – horen thuis in de commentaarstukken, en niet in de berichten.
     Een van de vermakelijke personages in de animatiereeks The Simpsons is de televisieverslaggever Kent Brockman. Die zegt voor de camera dingen als: ‘At the risk of editorialising**, these women are guilty and must be dealt with in a harsh and brutal manner.’ Brockman overtreedt daarmee alle regels van de journalistieke plichtenleer, maar zijn ‘at the risk of editorialising’ bewijst dat hij naar een goede school is geweest waar het verschil tussen bericht en commentaar op klassieke wijze onderwezen werd.

* In een ander stukje heb ik ooit mijn best gedaan om het verschil tussen een feit en een mening uit te leggen (hier).
**Ik heb veel moeite om dat woord – ‘editorialising’ – uitgesproken te krijgen. Zelfs in mijn hoofd, zonder mijn lippen te bewegen, lukt het amper.

woensdag 21 september 2016

De zaak Vuye & Co

    
   Omdat ik de politiek slecht volg, en meer naar de Simpsons kijk dan naar het Nieuws, had ik tot voor kort Hendrik Vuye maar één keer op de televisie gezien. Hij zei toen iets onduidelijks en flauws in het onderwijsdebat van 2014. De Wever zei enkele dagen later iets duidelijks en ferms in dat debat. Maar hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat mijn herinnering mij bedriegt en dat het niet Vuye was maar Kris Van Dijck die toen iets onduidelijks en flauws zei. Als dat zo is had ik Vuye tot voor van de week nog nooit gezien. Ik weet van Vuye dus alleen wat ik van de week in de media las: dat hij professor Staatstrecht is, grondwetsspecialist, aanhanger van een ‘communautaire agenda’ en dat hij als nva-fractieleider in de Kamer niet erg populair was geweest onder de verkozenen van die partij. En nu is hij na een conflict met de partijleiding opgestapt, samen met een zekere Veerle Wouters
     De Amerikaanse econoom en columnist Thomas Sowell gebruikt vaak de uitdrukking ‘those of us who are not Republicans …’ en dan geeft hij goede raad over hoe de Republikeinen de zaken moeten aanpakken. Had ik dat ook moeten doen? Vanop mijn weblog Bart De Wever adviseren hoe hij de zaak Vuye en Co had moeten aanpakken? Dat hijzelf een aanvallende communautaire agenda had moeten aankondigen voor de volgende verkiezingen? Dat hij met meer vuur de boodschap van een onafhankelijk Vlaanderen had moeten uitdragen? Dat hij beter had moet luisteren naar de idealisten van de Vlaamse Beweging? Dat hij niet zo streng had moet reageren toen hij door Vuye werd bekritiseerd in de pers?
     Maar ik weet niet eens of dat goede raad is. Soms is het net beter om af te wachten dan om aan te vallen. Soms slaat ook een vurige boodschap niet aan. Soms luister je beter naar de realisten. En soms is het beter om streng te reageren. Er bestaat, geloof ik, geen algemene regel om uit te maken wanneer het ene beter is dan het andere.
      ’t Is nu in elk geval te laat, want Vuye en Wouters zijn vertrokken. Ik wens hen veel geluk toe, maar ook aan hen kan ik niet veel goede raad geven. Iemand stelde ergens voor dat ze een kleine Vlaamse partij zouden oprichten. Dan konden ze met een paar verkozenen ‘op de wip’ zitten bij de volgende regeringsformatie. Als de formatie dan wat moeilijk werd, konden ze een hoge prijs afdwingen voor hun steun of deelname aan de regering en konden ze zo hun confederale agenda realiseren samen met ... ja met wie eigenlijk? Dat moet toch eerst eens nader worden bekeken.
     Aangezien ik geen lid ben van de Alliantie, moet ik mij dat allemaal niet aantrekken. Dat politieke tegenstanders enig leedvermaak hebben? Ach, hoe zou ik zelf zijn? Dat kranten die weinig hebben met de Vlaamse zaak nu plots hun kolommen openstellen voor Vlaamse idealisten? Dat vind ik eigenlijk fijn voor die idealisten, want meestal lopen ze er wat verloren bij. Misschien krijgt een van hen wel een vaste column waarin hij wekelijks de kaakslagen … euh … aan de kaak kan stellen en de knieval van de nva kan laken. Die column zou bijvoorbeeld naast die van Abou Jahjah kunnen worden geplaatst.
     Toch beving mij ook een kleine ergernis, en wel toen ik de berichtgeving las die Het Nieuwsblad van 21 september aan de zaak wijdde. En dan heb ik het niet over het hoofdartikel want dat was zoals altijd een bron van vermaak. Maar in de verslaggeving werd ik pijnlijk getroffen door het woordje ‘blijkbaar’. De journalisten Pieter Lesaffer en Hannes Cattebeke schrijven namelijk: “We contacteerden gisteren een twintigtal parlementsleden, maar niemand wilde iets zeggen. De schrik zit er blijkbaar goed in om bij het minste verkeerde woord eenzelfde lot als Vuye en Wouters te ondergaan.”
     Blijkbaar? Hoe weten die journalisten dat – dat de parlementsleden zwijgen uit schrik? Ik zag vandaag op de televisie hoe Jan Jambon en Siegfried Bracke weigerden commentaar te geven. Zij zagen er niet erg bang uit. Ook Bart De Wever gaf geen commentaar. Had hij dan schrik dat hij hetzelfde lot zou ondergaan als Vuye?
     De kwestie is deze: ‘blijkbaar’ leidt een speculatie in, en speculaties zijn op hun plaats in krantencommentaren – niet in berichten. Die laatste moeten zich beperken tot de feiten. Een nette krant gebruikte vroeger bewoordingen als: ‘Een anonieme bron bevestigde ons dat dit zwijgen voortkwam uit schrik om bij het minste verkeerde woord – enzovoort.’ En als ze zo’n anonieme bron niet gevonden hadden die een verklaring wou afleggen over dat zwijgen, dan deed die nette krant er zelf het zwijgen toe.

zaterdag 17 september 2016

De terreurexperte, de nva en de cd&v

De gelijkenis met de vroegere directeur-generaal van het
katholiek onderwijs is opvallend
    Martha Crenshaw, een vrouw die opvallend gelijkt op mijn vroegere baas Mieke van Hecke, is even in ons land geweest omdat ze een eredoctoraat ontving aan de Gentse universiteit. In Het Nieuwsblad van 16 september wordt ze voorgesteld als “de meest vooraanstaande stem als het gaat om onderzoek naar terrorisme” (hier). Als mijn leerlingen zo’n zin schrijven, heb ik daar drie opmerkingen bij.
     Ten eerste moeten ze even overwegen of ‘terrorismeonderzoek’ niet beter klinkt dan ‘onderzoek naar terrorisme’. Daar bestaat geen regel voor. Ze moeten de zin een paar keer hardop lezen en dan een beslissing nemen.
     Ten tweede is de overtreffende trap van ‘vooraanstaand’ niet ‘meest vooraanstaand’ maar ‘vooraanstaandst’. Paardekooper schrijft: ‘Bij een overtreffende trap gebruikt het ABN altijd de uitgang –st, tenzij er een dringende reden is om dat niet te doen.’ Het is waar – ‘vooraanstaandste’ klinkt niet goed. Dan moet maar worden uitgeweken naar een ander woord: ‘belangrijkste’, ‘voornaamste’, ‘bekendste’, enzovoort. Dat zijn ook mooiere woorden.
    En ten derde … nu wordt het moeilijk. ‘Het komt erop aan,’ vertel ik mijn leerlingen, ‘om de juiste middenweg te vinden tussen al te veel nuance en al te veel stelligheid.’ Als je schrijft dat ‘Napoleon een van de belangrijkste Franse generaals van zijn tijd was,’ maak je je belachelijk. Napoleon wás gewoon de belangrijkste. Maar als je in een scriptie schrijft dat ‘Romeo en Julia Shakespeares bekendste stuk is,’ kun je in moeilijkheden komen. Voor je het weet is de professor die de scriptie moet beoordelen getrouwd met een gerenommeerde Hamlet-specialiste en daar sta je dan met je Romeo en Julia.  Om een soortgelijke reden had Het Nieuwsblad beter geschreven dat professor Crenshaw ‘een van de belangrijkste-voornaamste’ terreurspecialisten was. Want misschien hebben sommige lezers wel heel veel tijd besteed aan het lezen van een boek van een andere terreurexpert, van Bruce Hoffman, of van Alex Schmid of van Ariel Merari. Of van Rik Coolsaet, die evengoed een doctoraat behaalde aan de Gentse universiteit. En dan is het niet leuk te horen dat iemand ánders de belangrijkste-voornaamste expert is, namelijk ene Martha Crenshaw, en dat die ook een stapeltje boeken geschreven heeft.
     En het zijn haar boeken die je zult moeten lezen, want met het gesprek in Het Nieuwsblad alleen kom je er niet. Het stuk is immers nogal luchtig. ‘Terreur bestrijd je niet met boerkiniverbod.’ Ja, dat mag je met krijt op het bord schrijven. ‘Er zijn deze zomer helemaal niet veel aanslagen geweest.’ Tja, wat is veel? En inderdaad, de aanslag op de Bataclan was niet in de zomer maar in de late herfst. ‘Religie is belangrijk, maar ISIS heeft zeker ook een politieke strategie.’ Ook weer waar, en bij de jihadisten lopen die twee nogal door elkaar.
     Verder gelooft Crenshaw niet zo erg in bewaking, noodtoestanden, het verbieden van terreurverheerlijking en een preventieve hechtenis die langer dan achtenveertig uur duurt. Met andere woorden: al de voorstellen die de nva in haar recente veiligheidsnota aanhaalt om de ‘sociale cohesie’ te beschermen. Crenshaws eredoctoraat en de bijhorende krantenstukken sluiten dus goed aan bij de politieke actualiteit in ons land, wat natuurlijk toevallig kan zijn.
     Ik heb die nva-voorstellen eens rustig bekeken (hier) en ik zie er veel nadeel aan. Die respons deel ik als ik me niet vergis met de liberalen, de groenen en de socialisten van de intellectuele soort. Maar het eigenaardige is dat vooral de cd&v er een grote mond over opzet. Waarom eigenlijk? De cd&v lijkt mij nou net een partij die bij terreurdreiging wat graag de ‘sociale cohesie’ in bescherming zou nemen middels haar burgemeesters en middels een regering waarin ze weer de eerste viool speelt.  De voorstellen die de partij zelf aandraagt, zijn trouwens ook niet de minste: meer samenwerking tussen leraren en politie, inniger contact tussen sociale werkers en gerecht, ‘iets doen aan de bitcoins’ (verbieden?) …
    Als ik een slecht karakter had, zou ik de cd&v nu politieke spelletjes kunnen aanwrijven. Maar daarmee kom ik geen stap verder. Ik zal gewoon zelf, als grote jongen, over die antiterreurnota moeten nadenken en eens mooi lijstje maken, in twee kolommen, van de voor- en nadelen ervan. Misschien kan Martha Crenshaw mij daarbij helpen. Of niet.

vrijdag 16 september 2016

Too f*** busy

     Dorothy Parker (1893-1967) was lid van een select clubje van dagbladschrijvers, recensenten, cabaretiers en theatermensen, dat in de twintiger jaren bijna dagelijks samenkwam in het Algonquinhotel in New York, om daar te drinken en luidruchtige commentaar te geven op de stand van zaken. Aangezien ikzelf een paar nachten in dat hotel heb geslapen (hier), en ook wel eens commentaar geef op de stand van zaken, zie ik mijzelf soms een beetje als een Algonquinman. Maar ja, ik drink niet.
    Mrs. Parker dronk wél, en sliep daarna met heel veel verschillende mannen. Als ze te laat was met een recensie, had ze een goed excuus klaar: ‘I was too fucking busy, or vice versa.’ Haar betrekkingen met haar beste vriend en zielsverwant daarentegen, de eveneens stevig drinkende en hoererende Robert Benchley, bleven kuis tot het einde. Zij spraken elkaar nooit anders aan dan ‘Mrs. Parker’ en ‘Mr. Benchley’.
     Ze was wat de Engelsen noemen een ‘wit’, en de Fransen een ‘bel esprit’: een geestig iemand. En als ze met scherpe tong, en later op de avond met dubbele tong, een sneer liet vallen, werd die opgeschreven door één van haar vrienden-columnisten en stond de gevatte inval de volgende dag in de krant. Je vindt ze nu op het internet (hier, hier en hier).
      Zoals iedereen van haar generatie wou ze de ‘Great American Novel’ schrijven, maar die kwam er niet. In de plaats daarvan schreef ze filmscenario’s, een dertigtal korte verhalen en een groot aantal spitse verzen die de indruk geven zo uit de mouw te zijn geschud. Misschien was dat wel zo. Ik stel het me voor als volgt. De dichteres nam een eenvoudig thema – zelfmoord, ongelukkige liefde, de ontoereikendheid van het bestaan – bedacht twee korte regels, en de volgende twee regels schreven zichzelf nadat ze passende rijmwoorden had gevonden. Neem nu haar gedicht ‘Comment’

     “Oh, life is a glorious cycle of song,
     a medley of extemporanea,
     And love is a thing that can never go wrong,
     and I am Marie of Romania.”


      Is dat niet eenvoudig? Ondanks het moeilijke woord ‘extemporanea’? Je moet er natuurlijk maar op komen. En probeer het maar eens te vertalen. Gert Jan de Vries maakte een mooie versie.

      Het leven is één prachtig liedjesfestijn
      Een medley van virtuoosheden
      En liefde is eindeloos, feilloos en fijn
      En ik ben Silvia van Zweden.
 
     Dat is knap. Degelijk rijm, dezelfde amfibrachische versmaat als het origineel. Maar je mag zeggen wat je wil, ‘virtuoosheden’ en ‘Silvia’ scanderen minder lekker dan ‘extemporanea’ en ‘Marie’. En die Zweedse koningin van nu is een stuk minder sprookjesachtig dan die Roemeense koningin uit een tijd dat vorsten nog iets te betekenen hadden. Ook vind ik de Nederlandse bewerking uitvoeriger dan het oorspronkelijke gedicht, al bevat ze dan minder woorden. En tenslotte, ’t is onrechtvaardig, vind ik het woord ‘medley’ beter klinken in de versie van Dorothy dan in de versie van Gert Jan. Vertalen is, geloof ik, verdomd moeilijk.
     Een erg bekend gedicht van Mrs. Parker is ook ‘Résumé’.

     Razors pain you,
     Rivers are damp,
     Acids stain you,
     And drugs cause cramp.
     Guns aren’t lawful,
     Nooses give,
     Gas smells awful.
     You might as well live.”

      Hoeft het gezegd dat haar talloze zelfmoordpogingen allemaal mislukten?