vrijdag 17 juli 2026

De Genuese villa van ILP, e.a



Genuese villa
      
Ilja Leonard Pfeijffer vindt, in een gesprek met Piketty dat De Morgen publiceerde, dat we allemaal best wat armer mogen worden, als er maar meer gelijkheid is. Maarten Boudry antwoordt daarop  

Is er iets bespottelijker (om niet te zeggen degoutanter) dan vanuit je parmantige palazzo in Genua pleiten voor collectieve verarming en de uitroeiing van ongelijkheid? “Wij moeten er niet bang voor zijn, zegt Pfeijffer, om armer te worden, want armoede maakt niet ongelukkig. Alles is relatief. Het enige dat ongelukkig maakt, is armer zijn dan anderen.” Wel Ilja, niemand houdt je tegen om 90% van je inkomen (verdiend dankzij kapitalisme) weg te schenken aan armoedebestrijding. Volgens je eigen logica zal je er al je buren dolgelukkig mee maken (niet mij hoor, het weze je gegund, want je hebt dat geld eerlijk verdiend). 

    Daarop antwoordt professor Jos Joosten (Radboud Universiteit Nijmegen):

 Pfeijffer zegt de laatste jaren steeds vaker politiek zeer verstandige dingen, waar iemand met een democratisch-humanistische kijk op de wereld het alleen maar van harte mee eens kan zijn. Gênant in dat licht is de kritiek van de Belgische kardinaal Rik Torfs en zijn hulpbisschop Maarten Boudry op een interview dat Pfeijffer in ‘De Morgen’ hield met Thomas Piketty … Boudry raast: ‘Is er iets bespottelijker …’ Om op die laatste te vraag te antwoorden: ‘Om die laatste vraag te beantwoorden: eh...ja! Nóg bespottelijker (om niet te zeggen) degoutanter is wat jij hier doet, namelijk helemaal niet ingaan op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) te berde brengt en zijn opmerkingen reduceren tot zijn eigen woonsituatie … Om te beginnen zegt Pfeijffer niet: iedereen moet meer belasting betalen behalve ik (want reken maar dat hij zelf flink zal moeten betalen als het ooit zover komt).

     Ik heb begrip voor de twee meningen. Boudry sluit aan bij een lange traditie van mensen die vinden dat je ‘consequent’ moet zijn. Als je de herverdeling predikt, begin dan met je eigen rijkdom te herverdelen, anders heb je geen recht van spreken. ‘Luister naar hun woorden, maar zie niet naar hun daden,’ zei Jezus over de Farizeën.         Maar dat consequent zijn interesseert mij niet zo erg. Ik ben het zelf ook niet. Ik ben een groot voorstander van een economie die voortgestuwd wordt door ondernemers, maar ik heb zelf nooit iets in die richting geprobeerd.       Ik heb trouwens hetzelfde jeugdtrauma opgelopen als Joosten. Hij schrijft:

 Ik moet denken aan mijn conservatieve katholieke middenstandsouders, voor wie Joop den Uyl de baarlijke duivel in persoon was. Ergens hadden ze iets opgevangen over zijn woonhuis. Steevast zodra Den Uyl wat dan ook te berde bracht zei mijn moeder: die heeft makkelijk praten vanuit zijn grote villa in Buitenveldert.

     Dat was iets wat mijn ouders ook deden. Afgeven op de socialisten die mooie praatjes hadden terwijl ze in de luxe leefden. Mijn vader was vooral gebeten op de saloncommunisten. Ik heb hem daarin nooit gevolgd. Eerst vond ik dat met name die saloncommunisten gelijk hadden, ook al verbleven ze in salons en leefden ze in luxe; later vond ik dat ze ongelijk hadden, maar dat kwam niet door die salons of die luxe, maar omdat ze niet goed nadachten. Dan had ik liever dat ze zich in hun salons opsloten in plaats van opstanden aan te voeren.
     Ik heb met andere woorden altijd vooral het eerste deel van Jezus’ oproep ter harte genomen: ‘Luister naar hun woorden.’ En als ik over die woorden iets over te zeggen heb, dan zal ik dat ook doen, en de woonsituatie – een antieke villa of een protserig interieur – er buiten laten.
      Toch ben ik het ook niet helemáál met Joosten eens. Dat Pfeijffer af en toe iets verstandig zegt, geloof ik, maar het halfbakken communisme die hij in in het gesprek met Piketty verdedigde, hoort niet bij die verstandige dingen. In ben het er in elk geval niet mee eens. Joosten stelt het voor alsof iemand met een ‘democratisch-humanistische kijk op de wereld’ niet anders kan dan het met dat halfbakken communisme eens te zijn. Dat roept een zekere jaren-50 retoriek op: ‘Een democraat en een humanist kan vandaag niet anders dan een communist zijn.’ Je hoort het dichter Mark Braet met vaste stem verkondigen op een bijeenkomst van gelijkgezinden.
      In polemiek kan ik wel wat hebben. Goed, het is kinderachtig om de uitval van Boudry – ‘bespottelijk en degoutant’ - tegen hemzelf te gebruiken. ‘Alles wat je zegt, ben je zelf’ past beter bij een kleuter dan bij een professor. Maar voor één keer kan het. Ook is het wreed om een gedreven vrijdenker als Boudry de ‘hulpbisschop van kardinaal Torfs te noemen.’ Eigenlijk is zo’n polemische wreedheid maar gerechtvaardigd als er iets grappig mee gebeurt, en of dat hier zo is moet de lezer zelf maar beoordelen.
      Erger – in de zin van bespottelijk, niet in de zin van dégoutant – is het volgende. Joosten verwijt Boudry dat hij ‘niet ingaat op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) ten berde brengt.’ Terwijl Boudry heel vaak en heel uitgebreid, in boekvorm en op de sociale media, geargumenteerd heeft tegen degrowth-ideologie van Pfeijffer. Naar mijn smaak vertoont Boudry zelfs de neiging om die expliciete argumentatie te vaak te herhalen. Misschien weet Joosten dat niet maar hij zou zoiets toch even moeten controleren voor hij het schrijft. Vandaag kun je zoiets aan een chatbot vragen.
      En in het tegenargument van de professor is er sprake van een misverstand. Hij zegt dat Pfeijffer voor zichzelf geen uitzondering vraagt op de belastingsregeling die hij propageert. Maar dát was niet het argument van Boudry. Die stelde fijntjes de vraag waarom Pfeiffer niet onmiddellijk de hervedelingsprincipes toepaste om zijn vermogen en inkomen te delen. In plaats van te wachten op belastingen die er misschien nooit zullen komen.


The Odyssey
     Ik heb de nieuwe verfilming van de Odyssea gezien in de IMAX-zaal in Brussel. Ik zat pal in het midden van de eerste rij – de enige plaats die nog vrij was toen ik op de dag van de première een ticket kocht. Ik kan die zitplaats voor een IMAX-voorstelling aan iedereen afraden. Anderzijds moet ik toegeven dat het gevoel van misselijkheid na een kwartier weer verdwijnt. 
    De film bevat veel gevechten. Die worden helemaal anders gekadreerd en gemonteerd dan in Troy (2004): minder overzichtelijk, minder gestileerd, meer ruwe chaos. 
Meer Géricault dan Louis David. Meer de Le radeau de Méduse dan Les Sabines. Bij de stills van Troy kon je er geloof ik de vechtende figuurtjes met een schaar uitknippen. Dat zou met de film van Christopher Nolan, met al dat gewriemel van lijven en ledematen, niet lukken, met uitzondering misschien van de scène met de Laestrygonen, de geharnaste reuzen die je op de reclameposter ziet afgebeeld.
 
     Door die poster had ik trouwens een vooroordeel tegen de film: die harnassen waren naar mijn smaak te middeleeuws en de helm van Odysseus te Romeins. Maar in de film valt het mee: er worden zoveel stijlen door elkaar gemengd – zoals in Game of Thrones – dat je je er al snel niet meer aan stoort. Agammemnon heeft een mantel als Darth Vader en een helm als Batman, en het werkt. Het Odysseus-verhaal is een sprookje, en is dat altijd geweest.
     Ook aan de zwarte Helena heb ik mij veel minder gestoord dan ik had verwacht. Het was tenminste geen zwarte Anne Boleyn, want dat is mijn rode lijn. Maar dat de aanpak van een historische film mee evolueert met de conventies van het tijdperk, daar kan ik niet te zwaar aan tillen. Het was zo in de jaren 50, en het is vandaag nog altijd zo – maar anders. De fantasy-wereld van Nolans Odyssey lijkt in meer dan een opzicht – thematiek, psychologie, moreel universum, taal – op de westerse wereld van vandaag. Die is anders dan de Myceense beschaving van 1200 voor Christus, anders dan de Ionische beschaving van 700 voor Christus, en anders dan de Hollywoodbeschaving van 1950 na Christus.
      In de film wordt de raciale diversiteit van de westerse wereld van vandaag gewoon overgeplant naar de half-mytische wereld van de Achaeërs – die in de film trouwens ook niet ‘langharig’ zijn zoals ze nochtans door Homeros worden genoemd. Helena is zwart, Clytaemnestra is zwart, Athena en Agamemnon zijn niet blank, en de mannen van Odysseus vormen een bont allegaartje. De film opent met een zwarte rhapsode die een primitieve versie van het Troje-epos declameert.
      Het is, lijkt mij, een kwestie van proporties. Die rhapsode en die manschappen, daar zal bijna niemand over vallen; Helena en Clytaemnestra in die bijrollen, tot daar aan toe*; een zwarte Odysseus of Penelope daarentegen, dat zou een knieval voor woke, een bewuste provocatie, en een commerciële blunder geweest zijn.
     Eigenlijk gelijkt The Odyssey heel goed op de sandalenfilms van mijn kindertijd, alleen is alles beter: de toon is waardiger, de vertelling is subtieler, de interieurs zijn beter doordacht, de karakters zijn genuanceerder, de dialogen – hoe plechtig ook –  klinken natuurlijker, en wat de special effects betreft is er geen vergelijking mogelijk. Die minotaurussen en vechtende skeletten van 60 jaar geleden zijn nu niet meer om aan te zien; en dat waren zij bij het verschijnen van die films ook al niet. Als kind werd ik door schaamte bevangen als ik het ‘brandend braambos’ of de ‘splitsing van de Rode Zee’ op het scherm zag. Special effects zijn trouwens niet alleen een kwestie van techniek, maar ook van goede smaak. Stel: je moet een enogige cycloop opvoeren. Hoe vermijdt je dat het wezen er belachelijk uitziet in plaats van angstaanjagend?
      Twee scènes die ik gemist heb zijn de ontmoeting met Nausicaa en het gesprek tussen Odysseus en Achilles in de onderwereld. In beide gevallen begrijp ik waarom Nolan de scènes heeft laten vallen en moet ik hem gelijk geven: de samenhang van het verhaal wint bij de weglating. Uit de bekende scène met de hond heeft hij dan weer het grootst mogelijke emotionele effect gehaald.
     Een eindoordeel over de film schort ik op. Ik wil hem eerst eens zien in een gewone bioscoop vanop achterste rij. Maar je ziet dat er over alles is nagedacht. Dat is het voordeel van iets te maken dat al vaak gemaakt is. Dat paard, hoe moet er dat uitzien? Primitief gesculpteerd zoals in de verfilming met Steve Reeves (1961)? Of duidelijk samengesteld uit wrakstukken zoals in de film van Wolfgang Petersen? Laten we er iets moois van maken moet Nolan gedacht hebben, iets geheimzinnigs waarvan je niet goed ziet of het van brons of van hout gemaakt is. En waarom zouden we het niet laten steigeren? Ja, waarom niet? En dan slepen we het op zijn zij de zee in. En dan naar de stad laten slepen, zonder wielen eronder. Dat zal cool zijn.

.* In de Odyssea-verfilming van 1997, die ik zo vaak met mijn zoon gezien heb toen hij een jaar of acht was, werd Calypso ook al gespeeld door een zwarte actrice, Vanessa Williams.      


Conservatieve krant
     Op het VTM-nieuws hoorde ik dat de oproep om Westerse politici te doden was verschenen in een ‘conservatieve Iraanse krant.’ Zo hadden de Duitsers indertijd ook hun conservatieve kranten zoals de Völkischer Beobachter en Der Stürmer en Der Angriff. 


Godsbewijs van Gödel
     Van het kosmologisch, het teleologisch en het moreel godsbewijs blijft er door de vooruitgang van de wetenschap niet veel meer over. Maar tegen het ontologisch godsbewijs heeft de fysica minder in te brengen. In de versie van Gödel gaat dat als volgt: áls God mogelijk is, bestaat hij ook, met een wiskundig bewijs om de stelling te ondersteunen. Let wel: Gödel heeft die eerste stap, de mogelijkheid, niét proberen te bewijzen.


De school en het leven
     In de auto luister ik al eens naar chansons van Serge Reggiani – altijd dezelfde waardoor de muziek tot achtergrond wordt en de tekst niet meer tot mij doordringt. Af en toe hoor ik eens een lied dat ik nog niet kende, Le prof, bijvoorbeeld dat eigenlijk van Sylvain Lebel is. Dan dringt de tekst wel door. ‘A huit heures pile, il entrait dans la classe / comme d’autres montent à l’échafaud’ en ‘Sa vie n’était qu’une longue défaite.’ 
     Het is de zoveelste anti-school tirade. De leraar is een sukkel. Hij vertelt onbelangrijke dingen over aardrijkskunde en geschiedenis, over de bolvorm van de aarde, onze voorouders de Galliërs en de nederlaag van Napoleon bij Waterloo. De leerlingen die zich voor zulke zaken interesseren zijn ‘des lèche-culs’. De zanger besluit zijn lied als volgt: 

                Je suis parti voir la gueule de la vie
                Il n'en avait jamais parlé.

     Het is de bekende kritiek van Seneca: ‘Non scholae sed vitae.’ We zouden op school dingen moeten leren die in het leven – het échte leven – belangrijk zijn. Daar heb ik allerlei vragen bij. Moeten we snotapen laten bepalen wat in het leven belangrijk is? Is het ‘la gueule de la vie’ – kleine criminaliteit, prostitutie, het vreemdelingenlegioen – zoveel beter dan een leven gewijd aan studie? En vooral: moeten leraren de boel verpesten door levenslessen mee te geven die men beter zelf kan ontdekken op straat en in de voetbalclub? 


Vertalen
     Een van de bekendste liedjes van Reggiani – eigenlijk van Patrick Bruel -  is ‘L’italien’. Er bestaat ook een Italiaanse versie van. De titel luidt: Il francese.


‘Witte mannen naar achteren’ 
    
 Het is alweer bijna een maand geleden en bij ons is er niet veel ophef over gemaakt. Op 20 juni riep zangeres Sophie Straat iets opvallens op een Nederlands festival: 

‘Ben je een vrouw? Ben je queer? Ben je van kleur? Naar voren! Witte mannen naar achteren. Ik herhaal: witte mannen naar achteren.’ 

Op de sociale media kwamen er natuurlijk felle reacties.
     Ik kom bij dat soort berichten altijd in gewetensnood. Moet ik daar iets over schrijven? Ben ik laf als ik het niet doe? Maar ik kan toch moeilijk doen alsof ik mij beledigd voel, terwijl wat ik echt voel alleen maar een soort vermoeide verbazing is. Alweer? Nog steeds? 
     Het is, vind ik, aan de linkse en progressieve mensen om te reageren. Zulke stupide uitspraken zouden bij hen sterkere emoties moeten oproepen dan bij mij. Boosheid, bijvoorbeeld, omdat hun eigen kamp weer eens belachelijk wordt gemaakt.
      Maar misschien is het plaatsvervangende schaamte die overheerst, en daarover iets schrijven – dat weet ik uit ervaring – is moeilijk. Dan zwijgt men liever. En daarom klaagde de zangeres achteraf dat ze zich door de progressieve media onvoldoende gesteund voelde toen de felle reacties kwamen. Die progressieve media zwegen liever. Behalve geloof ik de VPRO.


Reynebeau
     Een heel eenvoudige maatregel die De Standaard zou kunnen nemen om haar kwaliteit te verbeteren is om de columns van Reynebeau tweewekelijks in plaats van wekelijks te publiceren. Er zijn veel betere maatregelen denkbaar, maar die zouden ofwel meer geld kosten, ofwel meer denkwerk en oordeelsvermogen vragen.


Investeren en controleren
     Wie moet investeren in innovatie? Almachtige techmiljardairs of almachtige regeringen? In beide gevallen stelt zich het probleem van de controle. De regeringen worden onder controle gehouden door verkiezingen, de techmiljardairs worden onder controle gehouden door consumptiegedrag van hun uiteindelijke klanten. De twee – verkiezingen en consumptiegedrag – kunnen worden gemanipuleerd.


D’hanis over de pijn van het zijn
     In een stukje over de duistere machten die onder het kapitalisme ons leven beheersen betreurt D’hanis het lot van de ‘99 %’ die voortsnellen in een ‘steeds nauwere pijplijn school-studie-werk-pensioen-dood.’ Het vat mijn leven goed samen. Alleen de laatste episode ontbreekt nog. Ondertussen zijn er natuurlijk ook wel eens leuke dingen gebeurd. 


Tocqueville over gehoorzaamheid en verkiezingen
     Sinds ik een humeurig stukje geschreven heb over de AI-slop van History After Dark zie ik die memes minder vaak verschijnen op mijn tijdlijn. Ik had toen onder andere aanstoot genomen aan een pseudo-quote van Tocqueville over democratische verkiezingen die gemanipuleerd worden door de rijken, de media, en de grote bedrijven. ‘You are not choosing your government; you are choosing which face the government wears for the next four years.’ Dat was niet Tocquvilles appreciatie van de democratie.
     Ik heb het boek ondertussen helemaal uitgelezen en uiteindelijk iets gevonden wat aanleiding kan hebben gegeven tot de meme. In het tweede boek, deel IV, hoofdstuk VI schrijft Tocqueville over de graad van gehoorzaamheid die een moderne overheid eist van haar onderdanen. 
‘Dans ce système, les citoyens sortent un moment de la dépendance pour indiquer leur maître, et y rentrent.’ Maar dat is nog altijd een heel andere redenering dan die van History After Dark.


De stijl van George Orwell
  
     Ergerlijk is ook de stijl van de History After Dark-memes. Je kunt dat eens grappig vinden, maar wat moet je bijvoorbeeld denken van de volgende woorden die Orwell wordt zou gericht hebben aan de paus? You live in a massive, solid-gold palace, guarded by men with swords, and you toss a completely meaningless copper coin to a starving beggar.’ Dat is niet grappig meer, en wel omdat juist Orwell onophoudelijk een nuchtere, feitelijke, waarachtige stijl aanprees en toepaste. Iedereen weet dat het paleis van de Paus niet uit massief goud bstaat. Er heeft nooit in de geschiedenis een paleis van massief goud bestaan. Orwell zou nooit zoiets schrijven, en al zeker niet als dichterlijke overdrijving.


Koude hand
     In het vierde jaar gaf ik mijn leerlingen heel wat korte verhalen van Herman-Pieter De Boer lezen. Als je iets uitlegt over narratieve structuren wilt duidelijke maken, kun je dat evengoed aan de hand van een leuk verhaal doen. In een van de verhalen jaagt een meester de kinderen in de klas angst aan doordat hij de dood voorstelt als een koude hand. Ondertussen, maar te laat, heb ik een passende illustratie gevonden bij dat verhaal. 



 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten