zaterdag 21 maart 2026

Kortjes

Het vermogen tot verontwaardiging
    
      Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie gaan koesteren voor Maxime Prévot. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn woeste verontwaardiging  had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen. 


Onverschilligheid
     Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!


Raadsel
      Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de  reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.


Mooie foto’s
     De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in onvoorstelbaar saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de kameraad in de straat ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’


Geen nieuwe dingen
     Als ik stukjes schrijf, wil ik liefst geen ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan naar iets nieuwsl, speciaal om er een stukje over te schrijven, heeft iets oneerlijks. Het is aanstellerij.


Humor
     Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?


Slecht
     Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.


Hoge hakken
     Omdat mijn moeder nogal klein is van gestalte, heeft ze altijd graag schoenen met hoge hakken gedragen. Zelfs nu ze 98 is, wil ze minstens 3 centimeter hak aan haar schoenen, tot wanhoop van twee van haar kleinkinderen die arts zijn. Die hoge hakken-schoenen stelden haar voor een probleem toen ze nog les gaf in Snit & Naad. Ze vond het toen haar plicht om zo elegant mogelijk gekleed te gaan, als voorbeeld voor de leerlingen die moesten leren hoe men mooie kleren ontwerpt en maakt. Ook de accessoires moesten mooi zijn. En als ze een modieuze nieuwe handtas kocht, moest daar een paar passende schoenen bij. 
     Zoiets was natuurlijk onbetaalbaar, maar gelukkig had mijn grootvader als jongen het vak van schoenmaker geleerd van zijn vader, voor hij naar het conservatorium ging.  Hij kon een damesschoentje maken met heel hoge hakken, waar mijn moeder even comfortabel in liep als waren het pantoffels. Voor elk schoenenpaar dat hij maakte, kocht hij een andere leest, zodat de hoek van de schoen perfect was. ‘Als de schoen niet helemáál juist zit,’ zegt mijn moeder, ‘ga je wiebelen bij het lopen, zoals prinses Elisabeth.’


Relativiteitstheorie
     Zoals iedereen heb ik ooit wel iets gelezen over de relativiteitstheorie en over kwantummechanica. Bij de relativiteitstheorie begrijp ik ongeveer wát ik niet begrijp. Maar bij de kwantummechanica heb ik geen idee wat er te begrijpen valt. Als ik er een vulgariserende uitleg over lees denk ik: wat is daar nu zo moeilijk aan?


Romantiek als kunststroming
     Komiek Jens Dendoncker heeft een zaalshow in elkaar geknutseld over de Romantiek als kunststroming. De recensente van De Standaard is erg kritisch. ‘Dat er aan de romantiek een onfris reukje hangt van nationalistische en conservatieve reflexen wordt hier gemakshalve genegeerd’. Ik neem mij voor om in mijn eigen stukjes de uitdrukking ‘gemakshalve negeren’ of ‘gemakshalve vergeten’ nooit te gebruiken. (Ik heb ooit hetzelfde voornemen gemaakt voor de uitdrukking ‘onder het mom van’ in de polemische betekenis. Zie hier).

 

Lange Walter
     Van de 16 paracommando’s van Peleton B die in juni 1976 hun rode of groene muts behaalden, zijn er ondertussen al drie overleden. Eerst ontviel ons Jan, de meester van de koordenpiste. Hij was niet helemaal representatief voor het regiment, want hij had een baard en rookte. Dan ontviel ons René. René was op geen enkel vlak representatief. En nu is ook Walter ons ontvallen. Hoewel we maar met 16 waren, hadden we twee Walters:  hij was Lange Walter. Met Walter kon ik over films praten. Als ik zei: The Wild Bunch, antwoordde hij: Sam Peckinpah.

     Jammer genoeg hebben we het overlijden van Walter pas een maand later vernomen. Daardoor konden we niet aanwezig zijn op de begrafenis, met onze muts discreet in de jaszak. Makkers, vind ik, moeten naar elkaars begrafenis gaan. 


Galbraith
     Twee keer heb ik proberen iets te lezen van de Amerikaanse econoom Kenneth Galbraith. Toen ik zestien was probeerde ik Kapitalisme en welvaart te lezen. Dat was toen veel te moeilijk. Vijfentwintig jaar later ben ik begonnen in The Culture of Contentment, in de wachtzaal bij de kinesist. Toen waren mijn overtuigingen al zo gevormd, dat de denkwereld van Galbraith mij niet meer kon boeien. Wel herinner ik mij dat hij schreef over het begrip ‘arbeid’ dat volgens hem iets totaal anders betekende voor een arts en een leraar dan voor iemand die op het land of in een fabriek werkt. Die laatste arbeid was voor de meeste mensen onaangenaam.
      Een van die mensen was Walter, onze makker in peloton B. Hij was onmiddellijk na zijn legerdienst gaan werken in een chemiefabriek. Als we later samenkwamen, zei hij vaak: 
 Ik kom er eerlijk voor uit: ik werk niet graag. Ken jij iemand die wel graag werkt?’ Als ik aan mijn fabriekjaren dacht, moest ik hem bijvallen. Zou het dat zijn wat Marx bedoelde met arbeid die ons vervreemdt’ van onszelf? En had Marx daar een oplossing voor?
      Zeker is dat de afkeer voor zware, repetitieve handenarbeid niet bij iedereen even diep zit. Mijn grootvader werkte graag, mijn schoonvader werkte graag, mijn vader werkte niet graag. Maar ik ken geloof ik niemand die minder graag ‘werkt’ dan mijn zoon, al is hij in zijn vak een halve workaholic.

 

Logica-grapjes van Tom Wouters
     Ik smokkel in mijn teksten kleine grapjes over de invloed van Kant op Hegel ‘en omgekeerd’, of over makkers die naar ‘elkaars’ begrafenis gaan. En ondertussen schrijft Tom Wouters tekstjes waarin hij betreurt dat er zo weinig ‘boeken op ware grootte
 bestaan. Als je wat liefhebbert, is het makkelijker om een grootmeester te erkennen. En van de grootmeester verschijnt binnenkort een boek, In mijn hoofd zwemmen vissen, dat op 19 mei wordt voorgesteld in De Groene Waterman.


Hergé en Vandersteen
     De striptekenaars Hergé en Williy Vandersteen hebben van 1948 tot 1958 samengewerkt aan het tijdschrift Tintin/Kuifje. Zoals Hitler grote bewondering had voor Mussolini, en niet omgekeerd, zo had Vandersteen grote bewondering voor Hergé en niet omgekeerd. Toen een van de zonen van Vandersteen midden de jaren 70 de grote Hergé tegenkwam, vroeg die laatste minzaam: ‘Et votre père, est-ce qu’il dessine toujours?’ Ik hoop dat die anekdote is opgenomen in het boek dat Marcel Wilmet aan de samenwerking tussen de striptekenaars heeft gewijd: De reuzen van Beersel, 88 blz. 25 euro. 

donderdag 19 maart 2026

De wapenbeurs


      Nu onze uitgaven van defensie gaan verdubbelen, zit de wapenindustrie in de lift. Wie wil beleggen, wordt door zijn bank gevraagd of hij morele bezwaren heeft tegen aandelen in die sector. En in Brussel heeft er een wapenbeurs plaatsgevonden die zich mocht verheugen in hoog politiek bezoek: Mark Rutte, Bart De Wever, Theo Francken … Er werden wapens tentoongesteld alsof het auto’s, keukenkasten, of erotische parafernalia waren. Het kwam allemaal op het televisienieuws. 
   
 Voor de linkse medemens moet de aanblik onverdraaglijk zijn geweest. Men heeft die mensen 
 Rutte, De Wever en Francken – zo al niet hoog zitten, en nu poseren die lui breed lachend bij wapens die – laten we dat niet vergeten   dienen om mensen aan flarden te schieten. En dan zullen de fabrikanten van die wapens er ook nog eens iets aan verdienen, net als de aandeelhouders die aan hun bank geen morele bezwaren te kennen hebben gegeven aangaande die specifieke industriële sector.
     De meeste van de linkse bezwaren kan ik niet delen. Ik vind het niet erg dat er wat winst wordt gemaakt op de verkoop van auto’s, keukenkasten, erotische parafernalia en wapens. En ik vind het jammer maar noodzakelijk dat we wapens kunnen sturen naar Oekraïne om er Russische soldaten mee aan flarden te schieten. Maar bij die breed lachende gezichten heb ik mijn twijfels. Zouden politici niet beter een lijkbiddersgezicht opzetten als ze rondwandelen tussen uitgestalde instrumenten des doods?
    
 Ach, ik weet het. Linksen zijn in zulke kwesties te emotioneel. Dat is niet altijd goed. ‘Rationality is a moral duty,’ prevel ik wel eens voor mijzelf uit. Maar moet er niet af en toe wat meer met de linkse emoties rekening worden gehouden? Het is een kleine moeite: enthousiasme temperen als men tussen wapentuig rondloopt, een wat getormenteerd gezicht opzetten, geen cynische mopjes vertellen, gravitas uitstralen. Hoeveel morele pijn heeft Ronald Reagan het linkse deel van de mensheid niet berokkend toen hij voor de grap een nucleaire countdown deed als microfoontest?

dinsdag 17 maart 2026

BDW en Oekraïne - notities


1. Mocht ik het niet eens zijn met Bart De Wever over Oekraïne, dan zou ik nu in alle talen zwijgen. Maar ik denk – weten doe ik het niet – dat De Wever gelijk heeft. Omdat de discussie vaak gevoerd wordt over één woord (‘normalisering’) geef ik in bijlage een ruimhartiger selectie van De Wevers uitspraken.

2. De essentie van het standpunt is  

  1. De oorlog zal niet eindigen met een Russische militaire nederlaag maar met een ‘gelijkspel’
  2. Europa moet Oekraïne militair blijven steunen zolang de oorlog duurt; 
  3. Europa moet met Rusland de dialoog aangaan; 
  4. Europa moet mee onderhandelen over de vrede; 
  5. Die vrede moet duurzaam zijn, maar rechtvaardigheid is te hoog gegrepen;
  6. Bij die vrede hoort dat Oekraïne een deel van zijn grondgebied verliest; 
  7. Oekraïne moet politiek en militair onafhankelijk blijven;
  8. Oekraïne moet zich bij de Europese Unie kunnen voegen, weg van de Russische invloedssfeer; 
  9. Na het vredesbestand moet Europa de economische betrekkingen met Rusland opnieuw aanvatten; 
  10. Europa moet zich hoeden voor blijvende imperialistische ambities van Rusland.

3. Hoe lang denkt De Wever al op die manier over de controversiële punten (3) - (6) ? Ik vermoed: al vier jaar, aangezien ik er zelf al vier jaar zo over denk en dat ook zo heb geschreven.

4. Waarom heeft De Wever al die tijd over die controversiële punten gezwegen? Wie politiek verantwoordelijk is moet zijn moment afwachten. De Wever heeft de rare gewoonte om op vragen van journalisten een echt antwoord te geven, ook al zegt hij dan iets wat niet opportuun is. Maar hij doet dat ondertussen al zo lang, dat hij goed weet wannéér hij een uitspraak mag doen die niet opportuun is.  

5. De Wever heeft gezegd dat veel Europese collega’s in een gesprek onder vier ogen hetzelfde zeggen als hij. Dat brengt mij weer bij de theorie van Openbare Kennis waar Steven Pinker zijn nieuwste boek over schreef. Volgens die theorie is de wetenschap dat Rusland de oorlog niet zal verliezen – waar of niet – private kennis die circuleert in een bepaald milieu. Het wordt maar Openbare Kennis als die regeringsleiders van elkaar weten dat de anderen het ook weten, en dat ze weten dat de anderen weten dat zij het zelf weten enzovoort.
     Als dat zo is, heeft De Wever een uitspraak gedaan waardoor Openbare Kennis is ontstaan. Het was hetzelfde soort uitspraak dat De Wever deed tijdens de Grandes Conférences Catholiques: ‘Wie in deze zaal gelooft echt dat Rusland de oorlog zal verliezen?’ – ervan uitgaande dat niemand in de zaal dat geloofde. In de diplomatie moet je met zulke uitspraken voorzichtig zijn. Als je te vroeg roept dat de keizer geen kleren aan heeft, riskeer je dat de iedereen verontwaardigd protesteert dat de keizer wél kleren aan heeft.
 

6. Christophe Degreef besluit zijn stuk op Doorbraak met de woorden: ‘Buitenlandminister Maxime Prévot (Les Engagés) fluit de premier voor de bühne terug over diens uitspraken, maar the word is out. Precies: the word is out.

7. Voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat De Wever gelijk had met zijn timing. In DS (18/3) lees ik de mening van Antonio Costa, de voorzitter van de Europese Raad. Costa erkent dat er vroeg of laat gepraat zal moeten worden met Rusland over vrede in Oekraïne, maar nu nog niet.’ Ik probeer niet eens mij een mening te vormen wie gelijk heeft: De Wever of Costa.

8. Als Zelenkist-aan-de-zijlijn heb ik vooral stukjes geschreven tegen Tom Sauer en co die de militaire steun aan Oekraïne wilden stopzetten zodat Europa een ‘neutrale bemiddelaar’ kon worden. Als Europa onderhandelt met Rusland, moet dat zijn als bondgenoot van Oekraïne.

9. Het stuk van Pieter Lagrou in De Standaard (17/3) bevat, op een paar polemische punten na, een degelijke argumentatie tegen De Wever. Lagrou denkt dat Oekraïne de oorlog zal winnen, misschien al in 2026 maar zeker vanaf 2027, en dat er dan in Rusland een regimewissel zal plaatsvinden. Lagrou somt alle sterke punten op van Oekraïne, en alle zwakke punten van Rusland. Ik lees zulke analyses veel liever dan de analyses waarin men, vaak met leedvermaak, alle zwakke punten van Oekraïne opsomt en alle sterke punten van Rusland. Maar wat ik graag lees, heeft weinig invloed op de werkelijkheid.

10. Tim Haesebrouck (DS 16/3) vat het in zijn opiniestuk goed samen: ‘Als we Rusland te zwak inschatten, riskeren we zelfgenoegzaamheid … Tegelijkertijd mogen we Rusland niet als te sterk inschatten, want dan riskeren we moedeloosheid.’ Ja, het beste is als we Rusland helemaal juist inschatten. Gelukkig moet ik dat niet doen.

11. De Oekraïense frontlijn is al bijna vier jaar geblokkeerd, en zonder doorgslaggevende argumenten, ga ik ervan uit dat dat binnen twee jaar nog zo zal zijn, zoals men in de meteorlogie, op kortere termijnen weliswaar, spreekt van de ‘persistentie van het weer’.

12. Het was misschien allemaal anders geweest als het Westen vanaf dag één een veel massaler militaire steun had gestuurd naar Oekraïne, of als het onmiddellijk in één keer een radicale economische boycot had toegepast. Maar ik kan mij allerlei redenen – ook goede – voorstellen waarom dat niet is gebeurd.

13. De situatie zou er voor Oekraïne een stuk rooskleuriger uitzien, mochten de VS zich met hun volle militaire gewicht achter Oekraïne blijven plaatsen. We weten ondertussen dat dat zo niet is. In de VS wordt de analyse gemaakt dat de belangen van Oekraïne slechts heel gedeeltelijk samenvallen met die van de VS.

14. De Europese leiders beseffen wel dat de belangen van Europa en die van Oekraïne grotendeels samenvallen. Dat zijn in de eerste plaats geopolitieke belangen. Oekraïne heeft Europese steun en garanties nodig tegen Rusland. Europa kan zich geen overwinning van Poetin veroorloven, want die zou een aanzet kunnen zijn voor verdere Russische avonturen. De toekomstige veiligheid van Europa zal mee bepaald worden door de kracht van het Oekraïense leger.

15. Er zijn ook verschillen in de belangen van Europa en die van Oekraïne. Voor Oekraïne is de territoriale integriteit van het land een halszaak, voor Europa niet. Voor Oekraïne kan de economische boycot van Rusland niet radicaal genoeg zijn, voor Europa ligt dat anders. Voor Oekraïne heeft de toetreding tot de EU onmiddellijke voordelen; voor Europa zal het in een eerste fase vooral veel geld kosten.

16. Europa moet de militaire en economische steun die het aan Oekraïne geeft niét gebruiken als chantagemiddel om Oekraïne tot een inschikkelijker houding te brengen. Dat zou respectloos zijn tegenover de heldenmoed van het volk. Internationale politiek is ook 20 procent moraal. Maar Oekraïne moet er rekening mee houden dat die steun, bovenop het verlies dat Europa lijdt door de boycot die het zelf organiseert, niet onbeperkt is. Die steun kan misschien nog worden opgevoerd, maar kan realistisch gesproken kan die niet worden verdubbeld of verdriedubbeld.

17. De Europese leiders zijn begrijpelijkerwijze bang van directe onderhandelingen met Rusland. Het is makkelijker om in het Europees Parlement vastberaden taal te spreken tegen Poetin, dan om hem aan de onderhandeltafel tegen te komen. Iedereen weet op voorhand dat Poetin heel veel skin in the game heeft en dus tot de allergrootste koppigheid geneigd zal zijn. Je krijgt de indruk dat sommige Europese leiders bij de gedachte aan onderhandelingen even bang zijn van de koppigheid van Poetin als van hun eigen toegeeflijkheid als het erop aan komt. Maar angst is een slechte raadgever. 

18. Onderhandelingen moeten van twee kanten komen. Wat heeft Europa dat het Rusland kan aanbieden – in samenspraak met Oekraïne: 1) een uitweg uit een uitzichtloze situatie; 2) een min of meer gelijkspel tegenover de bevroren frontlinie dat kan worden verkocht als een overwinning; 3) herstel van economische betrekkingen van wederzijds voordeel.

19. Voor economisch herstel is goedkope energie nodig, en als we die, na een duurzame vrede, uit Rusland kunnen betrekken, moeten we dat niet nalaten. In Knack lees ik: ‘Wie beweert dat Russisch gas goedkoop is, is totaal misleid.’ Dat betwijfel ik, maar ik begeef mij niet in een welles-nietes   discussie over ecologie. We moeten natuurlijk geen duur Russisch gas meer kopen de dag dat we voldoende goedkope windenergie hebben om onze industrie en al de rest draaiende te houden, maar dat zal nog wel even duren.

20. Maakt Europa dezelfde fout als voor de oorlog als het zich zich opnieuw ‘afhankelijk’ maakt van Russisch gas? Daar moet inderdaad  over worden nagedacht. Het is beter om verschillende leveranciers en gediversifieerde energiebronnen te hebben dan maar één leverancier en één energiebron. Maar de kwestie van de afhankelijkheid speelde dubbel. Als Europa geen afnemer was geweest van Russisch gas, had het ook dat Russisch gas niet kunnen boycotten. Poetin kan met zijn gasvoorraad mogelijk chantage uitoefenen op Europa, maar bij de Oekraïne-oorlog kwam de gas-chantage van de twee kanten: Rusland dat soms weigerde te leveren, en Europa dat steeds minder gas wilde afnemen. En mochten we bij een toekomstig conflict weer van goedkoop Russisch gas naar duurdere energie moeten overschakelen, dan is dat geen reden om ondertussen ook voor duurdere energie te kiezen.

21. Maakt Bart De Wever dezelfde fout die Chamberlain maakte in München 1938. Toegevingen doen aan Hitler heeft diens agressiviteit alleen aangewakkerd. Maar wat was het alternatief voor München? Duitsland de oorlog verklaren en dan twee jaar wachten tot Duitsland besliste om zelf aan te vallen. Men denkt te gemakkelijk dat het alternatief voor naïeve vredespraatjes bestaat uit waakzame, solidaire of krijgshaftige praatjes. Maar praatjes blijven praatjes. Het alternatief voor München 1938 was Rijnland 1936. Toen het Duitse leger, ondanks de verdragen, het Rijnland binnentrok, hadden de Fransen en de Engelsen de oorlog moeten verklaren, het Duitse leger verslaan, en het land opnieuw moeten ontwapenen volgens de akkoorden van na de eerste wereldoorlog. Toen kon dat nog gemakkelijk. Maar als er in Oekraïne een Rijnlandmoment geweest is, zou ik niet weten wanneer.


22. In de Kamer heeft Magnette een toespraakje gehouden waarin hij de recente uitspraken van Bart De Wever over Oekraïne ‘hallucinant’ en ‘defaitistisch’ noemt omdat ze ‘perfect beantwoorden aan de wensen van Vladimir Poetin en omdat ze België helemaal achter Donald Trump laten aanlopen.’ Het is een mooi voorbeeld van Latijnse retoriek. Zie hier. Het antwoord van Bart De Wever is ook mooi, maar zakelijker, met een echt citaat. Zie hier.


Bijlage
De uitspraken van De Wever in L’Echo en elders

‘Europa is de enige die Oekraïne nog steeds financieel steunt zonder aan de onderhandelingstafel te zitten. We kunnen wel blijven zeggen dat we deze oorlog zullen winnen maar militair gezien is dat niet waar: naar mijn mening zal er een bevriezing komen langs de frontlijn, zoals tussen Noord- en Zuid-Korea. Wat heeft het voor zin om deze oorlog te verlengen zonder een duidelijke en beslissende overwinning?’  

‘We mogen Oekraïne niet in de steek laten. Het moet een soeverein, democratisch land blijven dat zichzelf kan verdedigen, en we moeten het in de Europese familie onderbrengen. Daarover valt niet te onderhandelen. De vraag is wat we Rusland te bieden hebben opdat het dit zou accepteren. Want we kunnen ze niet dwingen, zelfs niet als men ons die illusie probeert te verkopen. Dat zou het geval zijn als het Westen verenigd was, maar dat is het niet, en Poetin weet dat.   

‘De Chinezen profiteren van de toegang tot goedkope fossiele brandstoffen, de Verenigde Staten verdienen geld door ons de wapens te verkopen die aan Oekraïne worden geleverd. We verliezen op alle fronten. Het conflict moet beëindigd worden in het belang van Europa. Zonder naïef te zijn over Poetin. Dat is een fout die we nooit mogen herhalen. We moeten ons herbewapenen en de grens bewapenen. En tegelijkertijd moeten we de betrekkingen met Rusland normaliseren en weer toegang krijgen tot goedkope energie. Dat is gezond verstand. Privé zeggen Europese leiders dat ik gelijk heb maar niemand durft het ook hardop te zeggen.’

 ‘Aangezien we niet in staat zijn om Poetin te bedreigen door wapens naar Oekraïne te sturen en we Rusland niet economisch kunnen versmachten zonder de steun van de Verenigde Staten, blijft er slechts één methode over: een deal sluiten.’



maandag 16 maart 2026

Gen-Z en de gehoorzame vrouw


       Van de babyboomers, blijkt uit een ondezoek, vindt 13 % van de mannen dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is een kleine minderheid en dat kan kloppen. Ik ben zelf van de babyboomergeneratie en ik heb nooit gedacht dat mijn vrouw mij moet gehoorzamen. Ik heb een vooroordeel tegenover iedereen die zoiets denkt of zegt.
  
     Toen Charlie Kirk was doodgeschoten, heb ik een en ander over die rechtse propagandist opgezocht. Ik zag enkele filmpjes en las enkele van zijn uitspraken, en een ervan was dat een vrouw haar man moest gehoorzamen. Op slag had ik geen interesse meer voor de man. Ik veronderstelde niet eens dat zijn huwelijk ook werkelijk op zo’n eenzijdige gehoorzaamheid gebouwd was – dat kan ik niet weten, every marriage has its secrets   maar alleen het feit dat hij zoiets zéi, niet in 1850 of in 1950, maar in 2020 was voor mij genoeg. Ik heb er geen bezwaar tegen dat men bij een protestants huwelijk de formule preveld van het Book of Common Prayer (1549) met het voorschrift dat een vrouw haar man moet ‘love, cherish and obey’. Maar je kunt die woorden niet herhalen, vind ik, in politieke propaganda.
      Nu lees ik dat van de generatie Z – de generatie van mijn zoon – 31 procent van de mannen vinden dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is problematisch. Komt het door de ‘islamisering’? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden? Dat is allemaal best mogelijk. Maar misschien ook gaat het meer om een leeftijdsverschil dan om een evolutie. De babyboom-antwoorden komen van bezadigde mannen op leeftijd, die van Gen Z van overmoedige jongens die nog niet getemd zijn door het leven en het huwelijk.
     En dan moeten we bij zo’n onderzoek ook nog proberen te raden hoe de respondenten de hun voorgelegde vragen hebben geïnterpreteerd.  Ik legde de vraag voor aan mijn moeder. ‘Een vrouw moet haar man altijd gehoorzamen, ja of nee?’ Ze wist ze niet goed wat ze moest zeggen.  Uiteindelijk zei ze: ‘Man en vrouw moeten samen beslissingen  nemen. Dat is al wat anders dan een antwoord met ‘ja’ of ‘nee’, alhoewel het vanuit de logica een ‘nee’ inhoudt als je doordenkt. Maar mogen we ervan uitgaan dat alle respondenten altijd logisch doordenken?
     Er is nog een andere kant aan de zaak. In het onderzoek werd ook een andere vraag voorgelegd: ‘Een echtgenoot zou het laatste woord moeten hebben bij belangrijke beslissingen in huis, ja of nee?’ Dat is een vraag van een heel andere soort, en toch is er amper een verschil tussen de antwoorden. Nu zegt 33 procent van de babyboomers ‘ja’ op die stelling in plaats van 31 procent. Het lijkt er wel op alsof ze die twee vragen door elkaar halen.
     De vraag over wie het laatste woord moet hebben is vrij moeilijk te beantwoorden. Het antwoord van mijn moeder – ‘samen’ – is hier niet bruikbaar omdat gevraagd wordt wat er moet gebeuren als men er samen niét uitraakt. Je kunt tussen man en vrouw geen democratische stemming organiseren, want ze bezitten elk de helft van de stemmen. Ik meen te weten hoe het er in veel gezinnen aan toe gaat: over sommige kwesties heeft de man het laatste woord, en over sommige kwesties heeft de vrouw het laatste woord.
      Er bestaat een oud cafémopje. Een man zegt: ‘Ik mag alles beslissen over de binnenlandse en buitenlandse politiek, en mijn vrouw over al de rest.’ Maar meestal is de toekenning van het laatste woord een veel ingewikkelder zaak, waarbij gewoontes, karakter, taakverdeling, kennis, humeur van het moment, en ‘skin in de game’ allemaal een rol spelen. Voor de renovatie van ons appartement hebben mijn vrouw en ik samen een hele reeks beslissingen moeten nemen. Vaak wisten we achteraf niet eens hoe we tot die beslissing gekomen waren. Sommige kwesties lieten we over aan de architecte. Maar er waren ook kwesties waarvan ik tegen mijn vrouw op voorhand zei: ‘Ik zal nu eerst zeggen wat ik ervan denk, maar wind je niet op want hierover heb jij het laatste woord.’ Ik kan toch moeilijk mijn mening over keuze van behangpapier even zwaar laten doorwegen als die van mijn vrouw die weken piekert over de verschillende tinten wit en groen in de slaapkamer.
     Ik heb van Steven Pinker geleerd dat een van de manieren om een speltheoretisch dilemma op te lossen erin bestaat om zonder veel nadenken te grijpen naar het meest in het oog springende antwoord. Dat weerspiegelt niet noodzakelijk het werkelijke gedrag van mannen en vrouwen; het is gewoon het gemakkelijkste, meest stereotiepe antwoord, zeker als de vraag theoretisch wordt gesteld en men er niet, zoals ik, een paar uur over nadenkt.
      Mijn veronderstelling is nu dat het traditionele antwoord – ‘de man beslist’ – als eerste opkomt bij alle ondervraagde generaties, als een soort referentiepunt. Maar de babyboomers zijn opgegroeid in een tijd dat vrouwenemancipatie een onbezoedeld ideaal was. Zij verwerpen het traditionele antwoord als gevolg van  een bewuste inspanning. De Gen Z’ers zijn opgegroeid in een tijd dat feminisme allerlei bijbetekenissen heeft gekregen. Sommigen van hen 
 31 tot 33 procent  verwerpen het antwoord van de babyboomers, en dat doen ze eveneens als gevolg van een bewuste inspanning. Maar noch de boomers noch de Z’ers gaan op het enquêteformulier een klein opstel schrijven over hoe het nu echt zit met die beslissingen tussen man en vrouw. 

zondag 15 maart 2026

VDB, Jambon en de pensioenhervorming


Het chagrijn van Vandenbroucke
 
     Hier thuis ben ik het die moet sussen als Frank Vandenbroucke op het scherm komt. ‘Wat een stuk chagrijn,’ zegt mijn vrouw, waarop ik dan soms antwoord: ‘Misschien ziet hij er alleen zo uit.’ Maar nu heeft Vandenbroucke in Knack iets gezegd dat bij mij slecht gevallen is. ‘Als de boodschap van Jambon is dat vrouwen harder moeten werken, vind ik dat verwerpelijk.’ Kijk, zo spreek je niet over ‘de boodschap’ van een collega in de regering en in het kernkabinet, hoe graag je een politieke rivaal ook een voetje wil lichten.
       Ja, als het moet, kan ik ook keet schoppen over een ongelukkig zinnetje.
       Ik neem het iemand als Heleen Debruyne niet kwalijk als ze Jambon verkeerd citeert of begrijpt. Natuurlijk heeft die niet gezegd ‘dat vrouwen zich moeten aanpassen’. Maar hij heeft echt wel iets gezegd dat daarop leek. Hij werd in Terzake geconfronteerd met het vooruitzicht dat veel vrouwen vanwege hun loopbaan een pensioen-‘malus’ zouden krijgen. Zo’n vooruitzicht is speculatief, weet Jambon, omdat ze uitgaat van ongewijzigd gedrag. Dat gaat in tegen een basisinzicht van de economie. Dus had Jambon gelijk toen hij antwoordde: ‘Vrouwen zullen zich aanpassen aan de pensioenregels.’ Om helemaal correct te zijn had hij moeten zeggen: ‘Sommige vrouwen zullen zich aanpassen aan de pensioenregels,’ want er is ook nog zoiets als ‘verschillende elasticiteit’.
     Maar Debruyne mag dat gerust anders zien. Ze heeft met de regering niets te maken. Ze moet zich niet verdiepen in de technische kanten van het dossier. Ze moet geen rekening houden met de basisinzichten van de economie. Ze mag zich in een live debat met een politicus proberen staande te houden door wat kort door de bocht te gaan, en door een opponent – hoe zal ik het zeggen: af en toe? – te onderbreken. Iedereen roeit met de riemen die hij of zij heeft. En waarom zou een feministe als Debruyne niet wantrouwig mogen zijn tegenover de motieven van Jambon?
     Maar wat geldt voor Debruyne, geldt niet voor Frank Vandenbroucke. Die weet alles af van economie, en ook alles van het pensioendossier, waarvan hij met pijn in het hart moet zien dat het nu door iemand anders dan hemzelf wordt beheerd. Hij is lid van de regering. Hij heeft de hervorming mee goedgekeurd, en hij is prima op de hoogte van  ingecalculeerde gedragsverandering. En dan doet hij zo’n laffe hypotetische uitspraak. Als, als … zoiets kan ik ook. ‘Als het de bedoeling van Vandenbroucke was om een collega te belasteren, vind ik hem een stuk chagrijn.’ Maar alleen áls het zijn bedoeling was, nietwaar.

                                                                ***

    En ondertussen wordt met al die verontwaardiging vergeten over welke maatregel het nu eigenlijk gaat. Wouter Duyck vatte het goed samen op X. 

Dus. De pensioenhervorming voorziet dat 35 halftijds gewerkte jaren volstaan om vervroegd met pensioen te kunnen gaan zonder malus. En, zorgverlof, moederschapsrust, ziekte en tijdelijke werkloosheid tellen mee als gewerkte periodes. En dàt is in België een ‘sociaal drama’. Mocht u zich afvragen waarom belastingen hier nóóit genoeg zullen zijn.

        Helemáál juist is de samenvatting niet. Met 35 halftijds gewerkte jaren komt je er niet. Je zou gedurende die 35 jaar gemiddeld 65 procent moeten hebben gewerkt om vervroegd en zonder malus op pensioen te gaan. Maar met nu eens de helft en dan weer driekwart kom je er wel, als je het een beetje uitrekent.

                                                                *** 

    Het is overigens begrijpelijk dat er weerzin bestaat tegen het invoeren van een ‘malus’. Het klinkt als een straf omdat men niet genoeg gewerkt heeft. Toch zit er een eenvoudige logica en een elementaire rechtvaardigheid achter. Neem het voorbeeld van mijn moeder, dat ik hieronder sterk vereenvoudigd weergeef.
     Mijn moeder begon eind 1948 te werken als lerares en stopte ermee in 1954, om ‘zorgtaken in het gezin’ uit te voeren. Ze kon dus maar 6 volledige loopbaanjaren voorleggen. Dat was maar 1/5 van de vereiste loopbaan, dus had ze ook maar 1/5 van de sociale zekerheid betaald, en had ze, op haar zestigste, recht op maar 1/5 van haar pensioen. Als dat goed was uitgerekend voor de gemiddelde levensduur van een lerares, moesten haar bijdragen gemiddeld volstaan om dat kleine pensioen te betalen voor de rest van haar leven. Maar dat gaat niet als mijn moeder haar pensioen met alle geweld vijf jaar vroeger had willen beginnen ontvangen, op haar vijfenvijftigste?  Dan werd de pensioenperiode vijf jaar langer dan gepland en werd de totale som die moet worden uitgekeerd, groter. Op zo’n moment klopt de rekening niet meer.
      Men kan zoiets op twee manieren oplossen. De ene manier is het invoeren van een ijzeren regel: niemand krijgt zijn pensioen ook maar een dag vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd. Of: men laat de burger kiezen: wachten tot de pensioenleeftijd om het volledige bedrag te krijgen, dan wel een wat kleiner bedrag enkele jaren eerder ontvangen. Zonder dat verminderd bedrag profiteren de vervroegde pensioenmensen van degenen die de wettelijke pensioenleeftijd afwachten.
     ‘Profiteren’ … stel je voor dat Jambon dát woord zou hebben gebruikt.



zaterdag 14 maart 2026

Niet-productieve arbeid.


Productieve en niet-productieve arbeid
     Er is naar aanleiding van de pensioenhervorming veel gedebatteerd over de ‘zorgtaken’ in en rond het gezin die vaak door vrouwen worden opgenomen. Een praktische vraag daarbij is of die zorgtaken financieel zouden moeten worden vergoed, met een soort premie voor ‘moeder aan de haard’. Een meer theoretische vraag is of die ‘zorgtaken bijdragen tot de economie.’ Dat hangt er er onder andere van af wat je verstaat onder ‘bijdragen’ en onder ‘economie.’
       Economen als Karl Marx en Friedrich Engels hebben daar diep over nagedacht. Zij maakten een onderscheid tussen ‘productieve’ en ‘niet-productieve arbeid.’ De finesses ben ik vergeten, maar ik herinner mij wel een brochure die ik daar 50 jaar geleden over gelezen heb. Die brochure bevatte, naar ik mij herinner, vooral teksten van Engels. Nu was daar een treffende redenering bij. Engels – als hij het was – argumenteerde dat men het masturberen van een bankbediende niét als productieve arbeid kon beschouwen, ook al zorgde dat ervoor dat hij de volgende dag met een fris hoofd op kantoor verscheen. Ik ben niet zeker van de details. Ik meen mij te herinneren dat die bankbediende – als het een bankbediende was – een ‘blockhead’ werd genoemd.
     Ondertussen is die borchure, Sunschrift nr 26, niet meer in mijn bezit. Ik zal ze ook niet op het internet gaan zoeken. Maar ik wilde wel eens weten of mijn chatbots mij aan het oorspronkelijke citaat konden helpen. Dat konden ze zeker. In één twee drie kreeg ik drie verschillende citaten, in onberispelijk Duits, waarin het over ‘Onanie’ of over ‘selbstbefriedigende Tätigkeit’ ging, met bronvermelding erbij. De ene chatbot had het citaat gevonden in een brief van Engels, een andere in een brief van Marx, en nog een andere in Theorien über den Mehrwert, Teil 1. Wanneer ik dan die brief of die Theorien consulteerde, was dat citaat natuurlijk niet te vinden. Toen ik de chatbots daarop wees, gaven ze deemoedig hun fout toe en begonnen te ouwehoeren over studentenorganisaties in de jaren 70 die allerlei apocriefe Marx-citaten in omloop hebben gebracht.
       Ik heb de kwestie ondertussen al lang onder de rubriek valse herinneringen ondergebracht. Maar wat er precies vals is aan de herinnering weet ik niet. Ik kan niet álles verzonnen hebben. Het waarschijnlijkste scenario is dat de tekst ergens een voetnoot bevatte die niet van Marx of Engels was, maar van iemand anders. Misschien geef ik de redenering zelf niet juist weer. Misschien kwam die ‘blockhead’ in een andere context ter sprake. Maar ik meen mij wel de jongensachtige toon van de tekst te herinneren die Marx en Engels tot op hoge leeftijd bleven gebruiken in hun briefwisseling, ook als ze over geleerde onderwerpen bespraken.


Meer bedenkingen over de Iran-oorlog

Naïviteit over Iran
     Wat je misschien nog het vaakst leest in opiniestukken over de oorlog tegen het Iraanse regime, is dat we niet in het ‘naïeve geloof’ moeten vervallen dat Trump en Netanyahu oorlog voeren met de ‘nobele bedoeling’ om de protestbeweging van de Iraanse burgers te helpen. Dat naïeve geloof zelf, ben ik echter nog niet vaak tegengekomen. Zoals ik ook nog niet veel linksen ben tegengekomen die de Ayatollahsteunen. Ja, De Witte in zekere zin ...


Naïviteit over EU en Iran
     Inzake Iran zijn er twee soorten naïviteit. De eerste soort bestaat erin om te geloven dat de Amerikaans-Israëlische aanval het regime zodanig verzwakt dat democratie en vrijheid in het land een kans zullen krijgen. Ik lees in onze pers veel over de ondoordachte strategie van de Amerikanen, en over de vele economische en militaire troeven van de taaie Ayatollahs, maar toch geef ik de hoop nog niet helemaal op. Dat is mijn soort naïviteit, die voortkomt uit onwetendheid en gebrek aan kennis. Ik kan niet met zekerheid voorspellen wat de toekomst zal brengen. Het verloop van krijgsverrichtingen valt moeilijk te voorspellen.
     En dan is er de naïviteit van advocate Jasmine Malekzadem. Ze legt in een opiniestuk (DS 24/3) uit dat de aanvallen
 voor de bevolking alleen miserie brengen, zoals de ineenstorting van de voedselbevoorrading en van de medische verzorging, en dat die interventie er anderzijds niet in slaagt om het moorddadig-autoritaire regime ‘een stap achteruit te doen zetten.’ Malekzadem is met andere woorden niet naïef als het gaat om de intenties en de praktijken van de VS én ook niet als het gaat om die van de Ayatollahs. Maar dan schrijft ze 

Precies daarom zet ik mijn joker in op de EU, die gelooft in de Westerse waarden en in de bescherming van de burgers. Alleen mag je van de Europese landen verwachten dat zij daarnaar handelen, en dus initiatief nemen. Lidstaten kunnen individueel of gecoördineerd strafrechtelijk onderzoek instellen, op grond van het beginsel van universele jurisdictie. Ze kunnen ook de VN-Veiligheidsraad bijeenroepen om de situatie in Iran door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof.

     De  naïviteit zit hier niet in het geloof in de EU of in de Westerse waarden. Dat geloof is, for all I care, gerechtvaardigd. De naïviteit zit in het geloof dat ‘strafrechtelijk onderzoek’ en die ‘bijeenroeping van de VN-Veiligheidsraad’ ook maar iets kunnen veranderen voor de Iraniërs. Dat heeft niets meer met onwetendheid of onvoorspelbaarheid te maken. Iedereen weet precies wat er zal gebeuren als de Veiligheidsraad de bloedige Iraanse repressie op de agenda krijgt. Niets. Iedereen kan precies voorspellen wat een doorverwijzing van de Ayatollahs naar het Internationaal Strafhof zal teweegbrengen. Niets. 


Topdiplomatie over Iran
     Advocate Jasmine Malekzadem (DS 30/3) gelooft niet dat topdiplomatie de situatie voor de Iraniërs kan verbeteren.

Indien diplomaten hun werk goed willen doen, dan voegen zij vooral een zestiende punt toe aan het 15-puntenplan met in het vet cursief gedrukt: ‘vrijheid en democratie voor de Iraniërs.’ Eens zien welke onderhandelaars uit Teheran dan nog rond de tafel komen zitten.

     Ik weet zelf niet wat het beste is in deze zaak: oorlog of diplomatie. Je moet al optimistisch zijn om te denken dat één van de twee zal helpen om vrijheid en democratie naar Iran te brengen. Maar je moet héél optimistisch zijn om te geloven dat juridische veroordelingen dat wel voor elkaar zullen krijgen. Laat het Internationaal Strafhof maar veroordelingen uitspreken. Eens zien of de machthebbers in Teheran zich daar iets van aan zullen trekken.




Iran-commentaren
     Tijdens de Gaza-oorlog zat radicaal-links en linksliberaal ongeveer op dezelfde golflengte: de morele veroordeling van de ‘genocide’. Bij de Iran-oorlog is het enigszins anders. Radicaal-links gaat verder met de morele veroordeling van de VS, waarbij het impliciet de kant kiest van de Ayatollahs. Links-liberaal is echter minstens even gebeten op de Ayatollahs als op Trump. Denk aan Verfhofstadt die vindt dat het Iraanse regime zich niet kan beroepen op het internationaal recht. De links-liberale teneur is dan niet dat de oorlog onrechtvaardig is, maar dwaas en ondoordacht. De analyse komt erop neer dat het Iraanse regime militair over betere troeven beschikt dan de VS, en dat Trump de wereld in een economische crisis heeft gestort. Dat kan best waar zijn, maar ik vind het vervelend dat alléén die analyse in onze pers aan bod komt. 


 

De argumentatie van Frans Timmermans
     In De Standaard (DS 10 maart) draagt Frans Timmermans een aantal goede argumenten aan tegen de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen het Iraans regime. Ook legt hij krachtig de voordelen uit van het internationaal recht. Hij schrijft de lauwe houding van de Europese Unie terecht toe aan ‘de angst door de VS geheel in de steek te worden gelaten.’ Maar in zijn conclusies is zijn argumentatie minder stevig. De Europese Unie, schrijft hij, had een gezamenlijke verklaring moeten afleggen om het Amerikaanse optreden te veroordelen. 
     Zou dat helpen? Timmermans beweert van wel. Als de Europeanen ‘een gezamenlijke lijn weten te vinden, kunnen ze veel meer invloed uitoefenen dan elk voor zich.’ Zelf betwijfel ik of verklaringen zoals die van de Spaanse premier Sánchez veel indruk maken op Trump en Netanyahu, en ik betwijfel verder of het veel verschil zou maken als ze afgelegd werden door Ursula von der Leyen.
      Ik zou hier als Europeaan het sereniteitsgebed van de Anonieme Alcoholisten toepassen, en aanvaarden wat ik niet kan veranderen (Iran) terwijl ik probeer te veranderen wat ik – misschien – kan veranderen (Oekraïne). Wie dat te hoog gegrepen vindt, kan ook terugvallen op de regel: pick your battles, een regel die zeker voor een zwakke partij van levensbelang is. 


De analyse van Joren Vermeersch
     Ik probeer mij voor te stellen dat ik nog altijd radicaal-links ben en dat ik het achtergrondstuk van Joren Vermeersch over Iran (DS 9/3) onder ogen krijg. Dat is niet zo gemakkelijk. Ik moet mijn ogen sluiten en denken aan de stukken in Le Monde diplomatique die ik als 18-jarige probeerde te lezen. Dat stond vol met ‘analyses’, maar dat was niet wat ik wou. Ik wou vurige 
veroordelingen van het imperialisme lezen.’Wat had je aan analyses waarin niets veroordeeld werd? 
     Ik veronderstel dat ik het vandaag zo zou aanpakken. Ik zou mijn aandacht niet verspillen aan de analyse van Vermeersch, maar wijzen op de kleine lettertjes onder het stuk: ‘Joren Vermeersch is adviseur op het kabinet van Defensie Theo Francken.’ Het stuk, zou ik mijzelf voorhouden, is ‘koren op de molen’ van Theo Francken die dit, of dat, of nog iets anders over Iran heeft gezegd.
 


Ludo De Witte 
     Wie als radicaal-linkse vandaag  op zoek is naar vurige veroordelingen kan altijd terecht op de FB-pagina van Ludo De Witte. Veel van wat De Witte schrijft, wordt beschermd door een theoretisch pantser waar polemische spelden of kleine messen – mijn wapens –  niet doorheen kunnen. Maar soms schrijft hij, zoals in zijn bericht van 8 maart, ook zinnen die om een polemisch antwoord smeken. Zoals: 

De Zio-Amerikaanse agressie-oorlog heeft de strijd van brede Iraanse volkslagen voor democratische hervormingen en de val van de theocratie platgeslagen.

     Ik wil dan graag, een beetje demagogisch, antwoorden: die strijd was al eens ‘platgeslagen’ een maand geleden en wel door krachten die u enkele weken geleden ‘nog enige anti-imperialistische en revolutionaire legitimiteit’ toeschreef.
     De Wittes FP-bericht van 8 maart was door meer dan honderd mensen geliket. Voor een keer heb ik de namen eens snel doorgenomen en daar waren wel wat FB-vrienden bij die ik ken als redelijk-links. Als ikzelf een bericht like, betekent dat lang niet altijd dat ik met alles akkoord ga wat in dat bericht staat. Dat moet met die redelijk-linkse likers ook het geval zijn. Want de post van De Witte bevat zinnen als  

 Iran is een natie die vandaag de facto staat voor een wereldorde gebaseerd op internationale afspraken, diplomatie en respect voor soevereiniteit … Iran vecht vandaag voor ons allemaal – voor Gaza, voor Libanon, voor Europa en voor de wereld, want een nederlaag van de Zio-Amerikaanse moloch kan de wanhopige, onrealistische mars van Washington naar imperiale wereldhegemonie en een Derde Wereldoorlog stoppen. 

    ‘Iran vecht vandaag voor ons allemaal … ‘ dat is, hoop ik, binnen het linkse kamp, een minderheidsstandpunt. Je zou kunnen zeggen dat De Witte niets anders doet dan de algemeen-linkse anti-Amerikaanse lijn ‘consequent door te trekken.’ Dat is waar. Maar redelijkheid van links en van rechts bestaat er vaak in om een lijn niét al te consequent door te trekken. 


Links-liberale bombardementen
      Ondanks alle - vaak terechte - kritiek op Trumps oorlog, citeert De Standaard opvallend veel opinies van Iraanse seculieren die - misschien naïef - hopen dat de bombardementen zullen helpen om de Ayatollahs omver te werpen. Die seculieren zijn geloof ik de bevolkingsgroep die het beste overeenkomt met de links-liberale Standaard-lezers en -journalisten.


Iraanse leiders uitschakelen
     De Iraans-Amerikaanse historicus Arash Azizi schrijft op X: 

Beseffen we dat het tot voor kort uiterst zeldzaam was dat landen, zelfs landen die met elkaar in oorlog waren, elkaars hoogste politieke functionarissen gewoon uitschakelden? Zijn we klaar voor het idee dat dit het ‘nieuwe normaal’ wordt.(DS 17/3)

     Het is geloof ik geen inzicht waarvan velen wakker zullen liggen. Ik dacht onwillekeurig aan die potsierlijke scène in Ridley Scotts Napoleon, waarbij een Engelse scherpschutter de Franse keizer in het vizier heeft, maar van Wellington het verbod krijgt om te schieten wegens ungentlemanlike.
       Ik wou ook wel eens weten of de Amerikaanse Grondwet nergens een artikeltje had dat de mogelijkheid voorzag om buitenlandse leiders uit te schakelen zonder regelrechte oorlogssituatie. Ik meende mij vaag een stipulering te herinneren waardoor het Congres de toelating kon geven aan kapers en premiejagers om op vijanden van de staat te jagen. Met de hulp van Grok vond ik al snel wat ik zocht: Art. I, Sect. 8 over de Letters of Marque and Reprisal. Maar hoezeer ik ook aandrong, Grok bleef volhouden dat die regeling niet van toepassing was op buitenlandse staatshoofden. Tenminste niet in vredestijd. En in oorlogstijd luistert het niet zo nauw. 


Rechtvaardige oorlog in Iran
     Het interview met geopolitiek analiste Michelle Haas in De Morgen (21/3) is heel goed. Ik heb onmiddellijk het boek besteld, maar ik moet eerst nog de dikke pil van Tocqueville gelezen krijgen. Haas gelooft dat De Wever een fout maakte door te spreken over ‘de oorlog die Oekraïne niet kan winnen.’ Ik heb in mijn stukje gewezen op het mogelijke voordeel van dergelijke uitspraken. Maar dat er nadelen aan verbonden zijn, is zeker. 
     Haas is van oordeel dat sommige oorlogen rechtvaardig kunnen zijn, en dat zoiets niet volledig afhangt van de formele legaliteit, of van het strikt defensieve karakter, ervan, maar bijvoorbeeld ook van de gevolgen. Ze vergelijkt bijvoorbeeld de oorlog tegen de Ayatollahs met die tegen het Qadhafi. Hieronder volgt een stukje uit het interview

  •  Is de oorlog in Iran rechtvaardig? Er was geen imminente dreiging. Israël greep de kans om Khamenei en zijn entourage uit de weg te ruimen. Zo is het toch begonnen?
  • Zo is het begonnen, we weten niet waar het zal eindigen … Er is veel denkbaar, maar het is niet totaal uitgesloten dat op haast miraculeuze wijze de democratische krachten de overhand nemen. Dat is niet de prioriteit van de VS en Israël, maar het zou kunnen. En als de democratie in Iran wint, verandert ons oordeel wellicht.
  • Een oorlog die zonder legitiem mandaat begint, kan rechtvaardig eindigen?
  • Absoluut. Voor mij is dat ethisch gezien mogelijk. De situatie waarin de Iraanse bevolking zich na een democratische shift zal bevinden, is rechtvaardiger dan hun bestaan onder repressie … Het kan ook andersom, in Libië begon de oorlog met een legitiem mandaat en eindigde het in chaos. De uitkomst bepaalt voor mij in hoge mate of een oorlog rechtvaardig is. … We moeten wel een eerlijk gesprek kunnen voeren: welke crisis verdient onze aandacht? En is de inzet van militaire middelen in bepaalde situaties gerechtvaardigd?
  • Is het in Iran gerechtvaardigd?
  • Waarschijnlijk niet. Omdat de intentie van Israël en de VS niet het welzijn van de Iraanse bevolking is. Je mag het internationale recht schenden … maar alleen met humanitaire bedoelingen.

     Ik ben het daar allemaal mee eens, behalve met die laatste hasty generalization. Humanitaire bedoelingen zijn volgens mij maar één aspect om de rechtvaardigheid van een oorlog te beoordelen, naast de legaliteit, de gevolgen, de defensieve aard, de rules of engagement,  en de verantwoordelijkheidszin van de regeringsleiders. Maar ik verondertel dat Haas daar wel mee akkoord zal gaan. 


Metaforen over de olie-kwestie
     Mocht Iran niet over grote olievoorraden beschikken, dan zou de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten er anders uitzien, dat weet iedereen. Zonder die olie was er nu wellicht geen oorlog tegen het Iraanse regime. Maar het verband tussen de olie en de oorlog is er een met verschillende tussenschakels – waarvan China de belangrijkste is.
      In de radicaal-linkse agitatie heet het dat de imperialisten ‘beslag willen leggen’ op de Iraanse olie. Dat is een metafoor uit de juridische sfeer, met een deurwaarder die aanklopt. Door de metafoor vermijdt men om precies te zeggen wat er met die olie zou kunnen gebeuren. Tijdens de oorlog tegen het Iraakse regime werd de metafoor ook gebruikt. Het was zogezegd een oorlog van de Amerikaanse multinationals die ‘beslag wilden leggen’ op de olievoorraden. Achteraf is er in Irak weinig olie in beslag genomen. Er zijn wel veel olieconcessies toegewezen, maar vooral aan multinationals die niet Amerikaans waren.
     De beeldspraak van de inbeslagname is mij ondertussen zo gaan tegenstaan, dat ik blij ben met elke andere metafoor die ik in de olie-context tegenkom. Die van Inge Ghijs bijvoorbeeld in De Standaard van 9/3. Zij heeft het weliswaar over olievoorraad van Venezuela, maar het komt op hetzelfde neer. Trump wilde zich verzekerd zien van ‘een dikke vinger in de pap’. Met die vage metafoor geeft Ghijs aan dat ze wel weet dat de kwestie complexer is dan een 
inbeslagname. 

* Een simplistisch verband tussen geopolitiek en olie noemt mijn geestige FB-vriend Michel Berger een ‘reductio ad oleum’


Pinkers academische vrijheid en consensus

Pinker en de wetenschappelijke consensus
     Ik hou in polemieken niet erg van de ‘zelfs X geeft toe’-truc. Ik kreeg laatst zo’n reactie onder een van mijn stukjes. ‘Zelfs Bart De Wever geeft toe dat Trump geen betrouwbare bondgenoot is.’ Het is en blijft een autoriteitsargument, met de nadelen daaraan verbonden, en het suggereert van alles over De Wever, en over mij, zonder het te staven.
      Maar nu zou ik de formule zelf willen gebruiken: ‘Zelfs Steven Pinker geeft toe dat …’ Pinker is een geleerde die zich buiten zijn onderzoeksgebied op de wetenschappelijke consensus oriënteert als was het de poolster, en afwijkingen van die koers omstandig beargumenteert. Maar in zijn nieuwste boek, Common Knowledge, vond ik deze treffende passage:

 Zelfs wanneer de academische consensus vrijwel zeker juist is, zoals bij vaccins en klimaatverandering, kunnen sceptici nog altijd vragen: “Waarom zouden we die consensus vertrouwen als ze komt van een kliek die geen tegenspraak duldt?” Neem een recent voorbeeld: in 2024 was duidelijk geworden dat veel van de vroege maatregelen om de Covid‑19‑pandemie te bestrijden — sociale afstand, stoffen mondmaskers, het ontsmetten van oppervlakken, plexiglas schermen, strenge lockdowns, het sluiten van stranden, parken en scholen — op geen enkel wetenschappelijk bewijs waren gebaseerd, en waren opgelegd door het demoniseren of onderdrukken van wat uiteindelijk redelijke kritiek bleek te zijn. De kosten voor de economie, de mentale gezondheid, en het onderwijs van kinderen waren aanzienlijk, en de klap voor het vertrouwen in wetenschap en volksgezondheid was catastrofaal.

    Ik heb de polarisatie rond Covid-19 destijds als pijnlijk ervaren. Ik heb redelijke mensen voorgoed zien radicaliseren. Dat kwam omdat de wetenschap als instrument werd ingezet om ‘awareness’ te creëren. Het officiële discours van politici, media en telegenieke wetenschappers liet zo weinig ruimte voor discussie dat veel dissidenten op een onvoorzichtige manier voor ‘wappies’ werden uitgescholden. Het resultaat is dat ze het ook werden. Je kreeg twee kampen waarin de radicaalsten zich voorgoed schikten in hun rol: die van boze wappie of die van hautaine inquisiteur. En nog voor Covid was afgelopen was men in die rol vastgeroest, ongetwijfeld ook omdat men er aanleg voor had.
     Een aantal wetenschappers hadden de communicatie gemonopoliseerd en zich gedragen als propagandisten. Sommige gewone burgers gingen daardoor de wetenschap zien als een dogma dat blindelings moest worden gevolgd, of als een samenzwering die nodig moest worden bekampt. En de gevolgen voor het vertrouwen in de wetenschap waren catastrofaal. ‘Zelfs Steven Pinker moet dat toegeven.’



 

Reynebeau over het internationaal recht

    Marc Reynebeau (DS 11/3) noemt realisme in de internationale politiek een ‘mager excuus’. Matthias Diependaele bijvoorbeeld had gezegd dat initiatieven om Amerika te laten veroordelen door de VN toch zouden stuiten op een veto in de Veiligheidsraad. Waarop Reynebeau antwoordt:

 Dat gebeurt inderdaad geregeld, maar daarmee ga je dan wel voorbij aan alle diplomatie die aan een stemming in de Veiligheidsraad voorafgaat.

     Je vraagt je af of hiermee de uitspraak van Diependaele op enigerlei wijze is weerlegd. Al die diplomatie waar Reynebeau over spreekt, zal niets veranderen aan het feit dat de VS in de Veiligheidsraad niet kan worden veroordeeld voor de Iran-oorlog, net zoals Rusland niet kan worden veroordeeld voor de Oekraïne-oorlog, en China niet zal kunnen worden veroordeeld als het een Taiwan-oorlog begint.
     Reynebeau brengt tegen het realisme ook de Belgische Nobelprijzen voor de Vrede in stelling. Bart De Wever had gezegd dat hij een ‘historicus, geen hystericus’ was. Reynebeau antwoordt dat De Wever in zijn kijk op het verleden wel vaker eenzijdig is, en wat meer aandacht zou moeten besteden aan de geschiedenis van de drie Belgische Nobelprijswinnaars van ruim een eeuw geleden. Zo schrijft hij:

Nog eens vier jaar later, in 1913 ging de Nobelprijs naar een derde Belg, de sociaaldemocraat en vrijmetselaar Henri La Fontaine, een activist voor pacifisme en internationalisme … En zie, een jaar nadat La Fontaine de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen, rommelden de grootmachten iedereen de Eerste Wereldoorlog in.

     Die naam van Henri La Fontaine roept bij mij herinneringen op. Die Brusselse advocaat was rond de jaren 1900 betrokken bij het Mundaneum-project waarmee men alle druksels ter wereld wilde verzamelen in één kenniscentrum. Toen ik nog in Brussel woonde, ben ik ooit op zoek gegaan naar wat er van dat archief overbleef. Een restant vond ik een naar kattenpis ruikende hangaar in de Rogierlaan, op honderd meter van waar ik woonde.
     Die La Fontaine was inderdaad een van de vele vurige pacifisten die aan het begin van de vorige eeuw congressen organiseerden voor de wereldvrede. Het is merkwaardig dat Reynebeau, meegesleept door zijn écriture automatique, niet merkt dat zijn verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog juist de krachteloosheid van dat pacifisme onderstreept. Karel van het Reve dacht zelfs dat er meer aan de hand was dan alleen krachteloosheid. Hij maakt ergens de veronderstelling dat de Eerste Wereldoorlog onder andere voortkwam uit ‘het wegvallen van het midden.’ Het getouwtrek en geschipper van de oude realistische diplomatie, balancerend tussen machtsverdeling en hegemoniestreven, werd vervangen door aan de ene kant hysterische oorlogszucht en aan de andere kant hysterisch pacifisme. ‘En zie …’