zaterdag 14 maart 2026

Reynebeau over het internationaal recht

    Marc Reynebeau (DS 11/3) noemt realisme in de internationale politiek een ‘mager excuus’. Matthias Diependaele bijvoorbeeld had gezegd dat initiatieven om Amerika te laten veroordelen door de VN toch zouden stuiten op een veto in de Veiligheidsraad. Waarop Reynebeau antwoordt:

 Dat gebeurt inderdaad geregeld, maar daarmee ga je dan wel voorbij aan alle diplomatie die aan een stemming in de Veiligheidsraad voorafgaat.

     Je vraagt je af of hiermee de uitspraak van Diependaele op enigerlei wijze is weerlegd. Al die diplomatie waar Reynebeau over spreekt, zal niets veranderen aan het feit dat de VS in de Veiligheidsraad niet kan worden veroordeeld voor de Iran-oorlog, net zoals Rusland niet kan worden veroordeeld voor de Oekraïne-oorlog, en China niet zal kunnen worden veroordeeld als het een Taiwan-oorlog begint.
     Reynebeau brengt tegen het realisme ook de Belgische Nobelprijzen voor de Vrede in stelling. Bart De Wever had gezegd dat hij een ‘historicus, geen hystericus’ was. Reynebeau antwoordt dat De Wever in zijn kijk op het verleden wel vaker eenzijdig is, en wat meer aandacht zou moeten besteden aan de geschiedenis van de drie Belgische Nobelprijswinnaars van ruim een eeuw geleden. Zo schrijft hij:

Nog eens vier jaar later, in 1913 ging de Nobelprijs naar een derde Belg, de sociaaldemocraat en vrijmetselaar Henri La Fontaine, een activist voor pacifisme en internationalisme … En zie, een jaar nadat La Fontaine de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen, rommelden de grootmachten iedereen de Eerste Wereldoorlog in.

     Die naam van Henri La Fontaine roept bij mij herinneringen op. Die Brusselse advocaat was rond de jaren 1900 betrokken bij het Mundaneum-project waarmee men alle druksels ter wereld wilde verzamelen in één kenniscentrum. Toen ik nog in Brussel woonde, ben ik ooit op zoek gegaan naar wat er van dat archief overbleef. Een restant vond ik een naar kattenpis ruikende hangaar in de Rogierlaan, op honderd meter van waar ik woonde.
     Die La Fontaine was inderdaad een van de vele vurige pacifisten die aan het begin van de vorige eeuw congressen organiseerden voor de wereldvrede. Het is merkwaardig dat Reynebeau, meegesleept door zijn écriture automatique, niet merkt dat zijn verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog juist de krachteloosheid van dat pacifisme onderstreept. Karel van het Reve dacht zelfs dat er meer aan de hand was dan alleen krachteloosheid. Hij maakt ergens de veronderstelling dat de Eerste Wereldoorlog onder andere voortkwam uit ‘het wegvallen van het midden.’ Het getouwtrek en geschipper van de oude realistische diplomatie, balancerend tussen machtsverdeling en hegemoniestreven, werd vervangen door aan de ene kant hysterische oorlogszucht en aan de andere kant hysterisch pacifisme. ‘En zie …’


2 opmerkingen:

  1. Reynebeau heeft iets met Nobelprijzen. Heel lang geleden waren er twee auteurs van wie men beweerde dat ze kans hadden op een Nobel: Claus en Lampo. Claus posteerde zich in het Claus-kamp en deed zijn uiterste best om Lampo op alle mogelijke manieren schade te berokkenen. Tot verbijstering van Lampo die zich afvroeg "wat hij die Broeder toch in de weg gelegd had."

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Hysterisch pacifisme: raak uitgedrukt.
    Het adjectief is dan ook direct van toepassing op Reynebeau

    BeantwoordenVerwijderen