donderdag 31 oktober 2024

Rousseau doet lastig


Rousseau doet lastig
      
Ik heb te doen met Conner Rousseau. Die jongen bevindt zich in een lastig parket. In de komende jaren zal er hoe dan ook een besparingsprogramma in werking treden, al was het opgelegd door Europa, maar de verschillende partijen kijken anders tegen zo’n programma aan. De PS beseft de noodzaak van de besparingen, maar wil die liever door anderen laten doorvoeren. OpenVLD beseft de noodzaak ook, maar mist de slagkracht om mee te spelen. Vlaams Belang mág niet meespelen en kan dus onrealistische beloften doen waarbij belastingen dalen en uitgaven stijgen: de kosten kunnen dan doorgeschoven worden naar derden, zoals de Walen en de migranten. PVDA en Groen leven economisch in een alternatieve wereld waarin marxistische recepten dan wel degrowth de horizon uitmaken. Wat overblijft zijn de partijen die de verantwoordelijkheid willen opnemen: de Arizona-coalitie die in de maak is.
 
     Bij die Arizona-partijen is Vooruit de zwakste schakel. De partij is weliswaar onmisbaar - dat is haar grootste troef -, maar ze werpt als junior partner weinig zetels in de schaal en heeft tegelijk een electoraat dat om materiële en ideologische redenen tégen besparingen is. Daardoor komt Rousseau voor een dilemma te staan. Hij moet de indruk geven dat hij zijn huid duur wil verkopen, hij moet vaak in de pers komen met sterke verklaringen, maar als hij daarbij té hoge eisen stelt, riskeert hij de vernedering om die eisen weer te moeten inslikken. ’t Is dus een moeilijke keuze: als hij niet luid roept komt hij nú als een verrader over, als hij té luid roept komt hij láter als een stumper over.
     Rousseau kiest, begrijpelijkerwijs, voor vage woorden. ‘De lasten moeten eerlijk worden verdeeld [lees: over de verschillende electoraten].’ Dat betekent dat er niet alleen bespaard mag worden op uitkeringen en lonen, maar dat ook de inkomsten (en het bezit) van middenstanders, ondernemers en investeerders zwaarder moeten worden belast. Hij zal op dat gebied ongetwijfeld toegevingen kunnen bedingen, maar hij zal ook wel beseffen dat de marge voor die toegevingen niet zo groot is, en wel om drie redenen:

  1. veel belastingen ‘op de rijken’ leveren minder voorspelbare bedragen op dan besparingen op uitgaven - waardoor de besparingen tóch even noodzakelijk blijven
  2. belastingen op ondernemen en investeren remmen de economische groei af - waardoor weer meer besparingen nodig zijn, o.a. ten nadele van het socialistische electoraat
  3. de verhoogde belastingen worden door het electoraat van andere partijen als een onmiddellijk nadeel ervaren - zie de reactie van Bouchez op de eerste ‘supernota’ van De Wever.
     In elk geval, als Rousseau blijft roepen, rijdt hij zich vast in het dilemma, moet hij uit de auto springen en gokken op een andere coalitie. Maar welke dan? Een zonder de N-VA? Dat lijkt haast onmogelijk. Een mét de PS? Dat zou een game changer zijn. Dan kan N-VA zich sociaal-economisch soepeler opstellen en in ruil daarvoor communautaire eisen stellen. Maar t is een onwaarschijnlijk scenario: Bouchez is noch geïnteresseerd in een sociaal-economisch soepele opstelling, noch in de Vlaamse communautaire eisen. En Europa zal hoe dan ook besparingen eisen of opleggen.
     Een laatste mogelijkheid is natuurlijk dat Rousseau ervoor kiest om af te wachten tot de niet te vermijden besparingsstorm is overgewaaid en ondertussen in de oppositie zijn maagdelijkheid te herwinnen. 


woensdag 30 oktober 2024

De gemeenteraadsverkiezingen (longread)

In deze longread verzamel ik enige stukjes over de gemeenteraadsverkiezingen die ik al eerder plaatste

ALGEMEEN

Warme samenleving
     Tijdens deze verkiezingen heb ik nog meer dan vroeger gehoord dat politici van links en van rechts zich uiten als voorstanders van een ‘warme samenleving’. Daarmee wordt bedoeld dat er subsidies moeten worden gegeven aan bepaalde sociale projecten. Ik ben niet noodzakelijk tegen die projecten, maar geld geven op zich is geen ‘warmte’. Die ‘warmte’ moet komen van mensen, in het gezin, in de straat, voor en achter het loket, voor en achter de kassa, enzovoort. Ongeveer de laatste plaats waar we ‘warmte’ moeten zoeken, is in de politiek. De overheid die voor ‘warmte’ moet zorgen, hoe verzint men het?

Cynisme
     Ook tijdens de verkiezingscampagne zag ik bij heel wat FB-vrienden een Antwerps ‘stadsgedicht verschijnen van een zekere Lotte Dodion. Het was een oproep om ‘genereus’ te kiezen, en bevatte veel spitsvondige neologismen. ‘Kies zinspraak in onze zoekkomst … Kies breuklijmen.’ De onderliggende boodschap was, geloof ik, dat we best konden kiezen voor kandidaten die vol waren van goede bedoelingen. ‘Kies lage-cynismezone,’  luidde de aanhef.
     In een van de betekenissen is ‘cynisme’ inderdaad tegengesteld aan goede bedoelingen. Ik liet mijn leerlingen een korte video zien waarin een of andere professor het ook zo zag. ‘Alleen mensen met goede bedoelingen zijn zo gevaarlijk. Je kunt over de samenleving beter een beetje cynisch zijn.’ Ik zei erbij dat ik dat ook vond. Het beste is een beetje idealisme en een beetje cynisme. En wat humor -  en die mag voor mij zéker cynisch zijn. 

 De jokers van Groen
     Ik gun elke politicus twee inconsequenties, want het is een lastig beroep, maar ik heb de indruk dat die van Groen nogal snel zijn bij het inzetten van die twee jokers. In een van hun vlugschriften lees ik, onmiddellijk na elkaar: ‘Steeds meer open ruimte maakt plaats voor beton. Betaalbare woningen worden steeds schaarser.’ Dus: minder beton en meer woningen? In hetzelfde vlugschrift wordt geprotesteerd tegen het massatoerisme dat het gemoedelijke leven van de ‘eigen mensen’ bedreigt, waarbij ik vanzelf een vergelijking maak met zekere nationale beleidsvoorstellen van Groen. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat partij de woorden ‘eigen mensen’ vermijdt om de stadsgenoten aan te duiden.


ANTWERPEN



VB en N-VA 
     Het Vlaams Belang lanceert in Antwerpen de slogan: ‘1 x Bart kopen = Vooruit en Groen Gratis’. Dat is niet alleen goed gevonden, maar het is ook waar. Als de N-VA voldoende sterk uit de verkiezingen komt, is de kans niet denkbeeldig dat de partij een coalitie aangaat met Vooruit en Groen, wat voor de N-VA-kiezer geen ideale coalitie is. Dat zijn coalities eigenlijk nooit. Ik moet er niet aan denken welke coalitie er gevormd kan worden als N-VA niet voldoende sterk uit de verkiezingen komt.

Antwerpse coalities
     Meer in het algemeen: ons politiek bestel is er een dat coalities noodzakelijk maakt. Daardoor kan alles behoorlijk ingewikkeld worden. Neem nu Antwerpen. 

  • N-VA beweert dat een stem voor VB een stem voor PVDA is. 
  • VB beweert dat een stem voor N-VA een stem voor Vooruit is. 
  • Vooruit beweert dat een stem voor PVDA een stem voor VB is. 
  • En PVDA beweert dat een stem voor Vooruit een stem voor N-VA is. 
     En ze hebben allemaal gelijk. Wat Groen zegt, weet ik niet. Dat behoort niet tot mijn leefwereld.
      Zelf heb ik van die ingewikkelde toestanden geen last, want ik woon niet in Antwerpen en ik stem op N-VA met de ogen toe. Maar misschien komen andere kiezers wél in gewetensproblemen. Misschien leggen ze de schuld dan bij ons algemeen politiek bestel dat coalities noodzakelijk maakt. Misschien zouden ze liever het Engelse systeem hebben, of het Amerikaanse, of het Franse. Mijn broer, die daar vaak op vakantie gaat, beweert dat het Zwitserse systeem het beste is. 
     Het zou een mooie klasdiscussie opleveren voor een vak ‘burgerschap’: wat is de ideale democratische staatsvorm? Ik geloof echter niet in dat vak, en ik geloof ook niet in dat soort democratie. In een aflevering van Yes Prime Minister wordt een professor Marriot opgevoerd die een plan heeft uitgedokterd voor een ideale burgerdemocratie, met straatcomités enzo. De minister was eerst enthousiast, maar ik vond het al meteen een heel onnozel plan. 

Het Antwerpse Volksfront

   Ik heb het enkele dagen uitgesteld, maar ben nu toch eens gaan kijken naar de lijst met meer dan 60 ondertekenaars van het Antwerpen-Kies-Links-manifest*. Dat manifest is een oproep om te stemmen voor PVDA, Vooruit of Groen, om op die manier een linkse coalitie aan de macht te brengen in Antwerpen.
      Die ondertekenaars, zou je kunnen zeggen, zijn Antwerpenaars ‘die ertoe doen’**. Zelfs ik, die niemand ken, kan ongeveer 20 van die mensen thuisbrengen, al is het maar van naam of van gezicht. Er zijn acteurs en actrices bij, toneelmakers, schrijvers, dichters, hoogleraren, muzikanten, zangers en kunstenaars. Eén ondertekenaar is zesvoudig wereldkampioen panna. Er zijn drie syndicalisten bij, een journalist, een lerares, een ex-schepen, en iemand die zich ‘geëngageerde Antwerpenaar’ noemt. Er was één categorie waar ik van schrok: die van ‘postdoc onderzoeker’. Daar was er ook maar één van. Met de opiniepagina
s van De Standaard in het achterhoofd, zou ik gedacht hebben dat men, met een beetje moeite, alleen al van die soort wel 60 exemplaren had kunnen vinden.
     Je kunt het manifest op veel manieren bekijken. Een ervan is uit te gaan van de politieke overtuiging van de ondertekenaars. Het is niet meer dan normaal dat iemand die sympathiseert met de PVDA, Vooruit of Groen oproept om voor die partij te stemmen. Ik wil ook best oproepen om voor N-VA te stemmen en desnoods een manifest van die strekking ondertekenen - Philippe Clerick, romanist-germanist, blogger - maar ik zou nooit een manifest ondertekenen dat oproept om voor N-VA óf Vlaams Belang te stemmen. Ik zou de indruk willen vermijden dat ik niet alleen een voorstander ben van een N-VA-VB-coalitie, maar ook nog eens van een permanent front met extremisten; en daar ben ik dus geen voorstander van, noch ter rechter- noch ter linkerzijde.
     Over zo’n front ter linkerzijde heb ik in mijn communistische jaren heel wat uiteenzettingen en discussies bijgewoond. Het was het sluitstuk van onze strategie die bij elke deelname aan een actie- of stakingscomité opnieuw moest worden verfijnd. We kregen lessen over hoe de communistische beweging daar in het verleden of in andere landen mee was omgegaan. Het was allemaal ‘front’ wat de klok sloeg. Proletarisch Front, Rood Front, Vakbondsfront, Anti-Fascistisch Front, Democratisch Front, Nationaal Front, Volksfront, Eenheidsfront.
     Wat ik uit die lessen onthouden heb, is dat zo’n front ‘heel breed’ moest zijn, en dat, ‘de leidende rol van de partij’ het belangrijkste was. In de Vietnamese oorlog, zo werd ons verteld, was er een ‘breed’ front van democratische en nationalistische mensen, het NBF, in de wandel Vietcong genoemd, waar ook de communisten aan deelnamen. Dat NBF moest dan voor de regering een nog breder front vormen met ‘neutrale krachten’ en met ‘leden van de bestaande administratie’. Je zou denken dat in dat grote geheel de communisten ondertussen nog slechts een minuscuul  deeltje vormden, een derde van een derde, een bijna homeopatische verdunning. Of dat zo was weet ik niet, maar die communisten speelden in elk geval de ‘leidende rol’, en dat doen ze in Vietnam tot op de dag van vandaag.
     In de West-Europese geschiedenis is het vooral de frontvorming tussen socialisten en communisten die een belangrijke kwestie is geweest. Op elk moment waren het de communisten die op zo’n front aandrongen, maar de tactiek kon verschillend zijn: eenheidscomités van basismilitanten, ondersteuning van socialistische regeringen ‘om ze beter te kunnen ontmaskeren***’, volksfrontretoriek, tot en met regeringscoalities. Er was in die tactische verschuivingen maar één onveranderlijk streven: de hierboven aangehaalde ‘leidende rol van de partij’****.
     Aan socialistische zijde had je grof gezegd twee reacties op het huwelijksaanzoek van de donkerroden. Je had de ‘linkse’ socialisten die er om principiële redenen graag op ingingen. ’t Waren mensen die vonden dat de communisten eigenlijk gelijk hadden, en dat het egalitaire en etatistische ideaal ook het hunne was*****. Maar om een of andere reden werden ze liever geen lid van die partij. Ze vonden die partij te klein, of te dogmatisch, of te voortvarend, of te weinig realistisch, of te antidemocratisch, of te veeleisend. Hun eigen partij vonden ze dan weer te flexibel, te voorzichtig, te opportunistisch en te laks. Met een eenheidsfront konden de twee partijen elkaar positief beïnvloeden.
     De tweede reactie was die van de ‘rechtse’ socialisten. Die waren in de meeste betekenissen niet ‘rechts’, maar ze werden door de communisten zo genoemd. Het waren sociaal-democraten die het kapitalisme niet wilden afschaffen, maar de opbrengsten ervan via belastingen en sociale zekerheid ‘eerlijk wilden verdelen’. 
     De ‘rechtse’ socialisten vertrouwden de communisten voor geen haar; ze hielden zoveel mogelijk de boot af bij voorstellen tot frontvorming. Als het niet anders kon, zeiden ze iets vriendelijks over de donkerroden, in de hoop van hun stemmen af te snoepen. ‘Je vangt geen vliegen met azijn,’ moeten ze gedacht hebben. En heel soms gingen ze een verregaande samenwerking aan, in de hoop van de broeders door die omarming dood te drukken. Het is Mitterrand indertijd gelukt met zijn ‘programme commun’.  De communisten namen uiteindelijk deel aan zijn regering (1981-1984), werden tot aanhangwagentje gedegradeerd, en zijn daarna verkruimeld van grootste massa-partij van het land tot een minipartijtje op links. Dat komt ervan als je de ‘leidende rol van de partij’ verwaarloost.
     Heeft het Antwerpse manifest nu ook maar iets te maken met de geschiedenis van communistisch-socialistische eenheidsfronten? De houding van Conner Rousseau doet in elk geval denken aan die van de ‘rechtse’ socialisten van het verleden. Hij wil liever geen samenwerking met de communisten van PVDA maar is bereid om sussend toe te geven dat hun programma ‘sympathieke voorstellen’ bevat. De manoeuvreerruimte echter om, naar het voorbeeld van Mitterrand, de communisten op te nemen in een coalitie om ze daar als kleine broertje langzaam te wurgen, wordt beperkt door de nieuwe regel dat de grootste partij - vermoedelijk de PVDA - de burgemeester levert. 
     Bij de ondertekenaars ligt het anders. Daar bevinden zich, naast communistische sympathisanten, ook ‘linkse’ socialisten (en ‘linkse’ groenen) die het eigenlijk in grote lijnen met het communistische ideaal eens zijn. En wellicht is er een grote groep die denkt dat een links/extreemlinkse coalitie een ‘socialer’ beleid voor Antwerpen kan verzekeren, met brood, vrede en goedkope woningen voor iedereen. Dan begeven we ons op het niveau van de gemeentelijke boekhouding en daar weet ik niets van. Dat laat ik over aan Koen Kennes van N-VA, en aan de studiedienst van de PVDA. Al moet ik toegeven dat ik meer vertrouwen heb in Kennes, en dat de studiedienst van de PVDA mij iets lijkt als de studiedienst van Vlaams Belang: een onderafdeling van de dienst ‘agitatie en propaganda’.


* Ruth Lasters, auteur, dichter en leerkracht; René Los, voormalig voorzitter Agalev-Antwerpen; Patricia Jozef, auteur; Tom Lanoye, auteur; Amina Belorf, auteur; Bruno Verlaeckt, syndicalist; Paul Goossens, auteur; Wouter Arrazola de Oñate, arts-onderzoeker; Els Dottermans, actrice; Josse De Pauw, acteur; Mieke Vogels, voormalig schepen Antwerpen; Ilyas Touba, zesvoudig wereldkampioen panna, Saskia de Coster, auteur; Wietse Vermeulen, geëngageerde Antwerpenaar; Marc Rigaux, em. gewoon hoogleraar UA, voorzitter Masereelfonds Antwerpen; Sara De Bosschere, actrice; Gert Wenselaers, syndicalist; Uwe Rochus, syndicalist; Nicolas Rombouts, muzikant; Samira Azabar, postdoc onderzoeker Radboud Universiteit, lid Boeh!; Johannes Genard, zanger, liedjesschrijver, docent; Andrea Croonenberghs, presentatrice, zangeres, actrice; Benjamin Verdonck, kunstenaar; Roschanack Shaery-Yazdi, hoofddocent geschiedenis UA; Peter Holvoet-Hanssen, dichter, troubadour; Slongs (Charissa Parassiadis), zangeres, actrice; Vincent Scheltiens-Ortigosa, historicus UA; Fenna Bouve, actiecoördinator Greenpeace, burgeractivist; Gert Vanlerberghe, dichter, organisator; Ida Dequeecker, feministische activist; Chrostin, cartoonist; Zahra Eljadid, kunstenares; Koen De Graeve, acteur; Jolente De Keersmaeker, theatermaker; Paul Schrijvers, lichtwoordenaar; Hind Eljadid, woordkunstenaar, schrijver; Nadia Nsayi, schrijver; Gert Van Hecken, hoofddocent politieke ecologie, UA; Sara De Roo, actrice, artistiek coördinator KCA; Ludo Abicht, em. prof. UA; Jan Beddegenoodts, filmregisseur, burgemeester Cameltown; Johan Bijttebier, ereadvocaat; Tom Dewispelaere, toneelspeler; Don Vitalski, Antwerpse Nachtburgemeester; Jan Vranken, em. prof. UA; Benjamin Abel Meirhaeghe, theatermaker; Thomas Verstraeten, kunstenaar; Andrew James Van Ostade, acteur, muzikant, filmmaker; Steven Boers, artiest; Tom Seerden, peperfabriek; Maarten Loopmans, professor stadsgeografie KU Leuven; Geert Beullens, humorist/performer; Wouter Hillaert, cultuurjournalist; Stef De Paepe, theaterdirecteur, -regisseur; Han Kerckhoffs, acteur; Bruno Vanden Broecke, theatermaker, acteur; Tom Van Dyck, theatermaker, acteur; Marc Verstappen, oprichter De Studio; Gregory Frateur, zanger; Angelo Tijssens, auteur; Nadia Fadil, professor antropologie, KU Leuven; Charles Ducal, dichter; Dennis Tyfus, beeldend kunstenaar.

** ‘Mensen die ertoe doen’ … ik leen de uitdrukking van Jeroen Olyslaegers. Zie mijn stukje hier.  

*** Lenin vond dat de steun van communisten aan socialistische regeringen moest gelijken op de steun die een koord biedt aan de gehangene.

**** De manier waarop die leidende rol werd nagestreefd in de Spaanse Burgeroorlog wordt o.a. beschreven door George Orwell.

***** De PVDA noemt zich tot op vandaag marxistisch en de grondleggers van die leer hadden op zijn minst een dubieuze opvatting over de liberaal-democratische spelregels. Een lezer van mijn blogpost redeneerde daarop verder: De conclusie is dan noodzakelijkerwijze dat personen die oproepen om op de PVDA te stemmen ofwel geen democraten zijn, ofwel de standpunten niet goed begrijpen, ofwel willen provoceren, ofwel denken dat het zo niet echt gemeend is.’ Voor 2008 was de PVDA openlijk tegen de liberale democratie. Ook binnen de partij waren er toen mensen die dachten dat het zo niet echt gemeend was.



Rome of Moskou

     Ik heb er tot nu toe over gezwegen omdat ik de verkiezingsuitslag in Antwerpen niet wou beïnvloeden, maar nu kan het. Bart De Wever heeft naar het schijnt in de verkiezingscampagne de slogan Rome of Moskou gebruikt. Moskou, dat was de communistische lijsttrekker Jos D’Haese, Rome, dat was hijzelf, met zijn bekende fascinatie voor het Romeinse rijk.
       Die slagzin kwam mij heel vertrouwd voor, alsof ik hem al heel mijn leven kende, zoals Brood, land, vredeZou men honger lijden om een mondje meer? of Linkse mensen, rechtse mensen, allemaal mensen. Die in sloganvorm gegoten keuze tussen de twee hoofdsteden, dacht ik, moest iets uit de recente geschiedenis zijn, al wist ik niet precies wanneer de uitdrukking werd gebruikt en door wie. Het moest iets van de katholieken zijn, misschien in de jaren 30, misschien in de jaren 50.
      Ik hoopte voor één keer dat het stuk van Marc Reynebeau in De Standaard verheldering zou brengen. Helaas, de historicus bleef op de vlakte. Misschien ging zijn parate kennis over de leuze niet veel dieper dan de mijne. Hij beperkte zich tot een vage verwijzing naar de ‘onstabiele jaren 30’; hij zag in Rome ‘desgevallend’ een verwijzing naar Georgia Meloni - wat ik nogal idioot vond -  en schreef verder dat het andere deel van de leuze - Moskou - niet zo goed bij Jos D’Haese paste omdat zijn communistische partij een pro-Peking verleden had in plaats van een pro-Moskou verleden. Dat was spijkers op laag water zoeken. Ik heb als PVDA-lid véél meer teksten moeten lezen van Lenin en Stalin dan van Mao. De PVDA was in haar beginjaren heel hevig pro-Moskou, maar dan moest het het echte revolutionaire Moskou van de jaren 20 tot 50 zijn.
   Als Marc Reynebeau mij niet wou helpen, dan zou ik het zelf moeten opzoeken met Google. Ik verwachtte dat de zoekmachine mij duizenden hits zou opleveren maar dat viel tegen. Geen foto’s van manifestaties waar de boodschap werd uitgedragen middels grimmige spandoeken, geen affiches die de inhoud ondersteunden met gepaste karikaturen, geen vlugschriften waarvan de titel uitnodigde om nu eens te stoppen met die twijfel en eindelijk aan de goede kant te gaan staan. Ik kwam vooral op toeristische sites, en enkele verwijzingen naar de 16de-eeuwse Russische monnik Filotheus, de man van de ‘drie Romes’. Het eerste Rome was Rome geweest, het tweede Rome Constantinopel, en het derde Rome was Moskou. De monnik voorspelde een eeuwige Russische wereldheerschappij want ‘een vierde Rome zal niet zijn.’ Dat was dus strikt genomen geen Moskou of Rome maar Moskou is Rome. Ook ging het om religie, en om de orthodoxie binnen het christendom. 
     Aan het einde van de jaren 20 van vorige eeuw kwam daar verandering in: het werd een politieke kwestie. Moskou was het symbool van het communisme geworden, en Rome dat van het fascisme van Mussolini. Onrustige intellectuelen in het Westen, die af wilden van de decadente liberale democratie, volgden met evenveel interesse het Russische als het  Italiaanse ‘experiment’. Velen onder hen bekeken de zaken breed. Voor hen was het Moskou en Rome. Iemand als Cyriel Verschaeve had een tijdlang aan zijn kamerwand een foto van Lenin hangen naast een van Mussolini. Uiteindelijk kozen de meesten van die antiliberalen voor het fascisme. Het communisme was hen te materialistisch en te vulgair.
      Als ik het goed heb, kreeg het dilemma Rome-Moskou pas in de jaren dertig zijn voor de hand liggende betekenis van communisme versus katholicisme, of algemener communisme versus de christelijke beschaving. Ook toen waren er onrustige intellectuelen - zoals bij ons de dichter Hendrik Marsman - die de aantrekkingskracht van de twee idealen tegelijk ondervonden. Bij die lui was het vaak het katholicisme, of het christendom, dat het pleit won, na een voorafgaande ontgoocheling in de rode heilsleer. Je kunt hierbij denken aan de beroemde versregels van W.H. Auden: 

Finally, hair-raising things
that Hitler and Stalin were doing
forced me to think about God.

     In ons land was het pas tijdens de Tweede Wereldoorlog en tijdens de bezetting, dat het dilemma bloedige ernst werd - in de nogal letterlijke betekenis van het woord. Collaboratiegezinde priesters en andere volksmenners riepen de katholieke jongeren op om, zoals dat heet, de daad bij het woord te voeren, en naar het Oostfront te trekken om daar het ‘goddeloze bolsjewisme’ te bestrijden. Het zou mij echter verwonderen dat de leus Rome of Moskou daarbij letterlijk gebruikt werkt. Daarvoor waren de betrekkingen tussen het Vaticaan en nazi-Duitsland te problematisch. Hitler was, zoals Jaweh, een jaloerse God, en duldde geen tweede naast hem.
    Later werd het nog anders. In de periode na de oorlog, maakten enkele Westerse landen de opkomst mee van sterke door Moskou aangestuurde communistische partijen. Ik vermoed dat het toen was dat de leus ook letterlijk weerklonk in de kerken en in de katholieke scholen. Het was in die tijd dat de Franse katholieke journalist Roger Latu zijn boek Rome ou Moscou (1947) schreef, waarin hij de sociale doctrine van de kerk afzette tegen het communistische alternatief.
      Tijdens de Koude Oorlog kwam daar nog iets bovenop. Het politieke anticommunisme kreeg een bondgenoot in de katholieke kerk. Ik denk dan aan lieden zoals de Amerikaanse kardinaal Spellman die een hevige voorstander was van de Amerikaanse interventie in Vietnam. Daarmee werd hij een mikpunt van spot voor linkse stand-up comedians als Lenny Bruce. Ik neem echter aan dat de kardinaal, in de Amerikaanse context van een protestantse meerderheid, de slogan Rome or Moscow achterwege liet.
     Wie dat niet deed was zijn Cubaanse collega Monseñor Enrique Pérez Serantes. Deze aartsbisschop was oorspronkelijk een sympathisant van Castro’s revolutie, redde diens leven in 1953, en noemde hem een ‘buitengewone man’. Toen Castro op 1 januari 1959 de macht greep, nodigde hij Pérez Serantes uit om naast hem te komen staan op het balkon van het gemeentehuis waar hij zijn overwinningsrede uitsprak. Toen Castro kort daarna de communistische toer opging, haakte Pérez Serantes af. Hij schreef een herderlijke brief om voor te lezen in de kerken: Roma o Moscú. Het mocht niet baten: het werd Moscú.

*

      Heeft De Wever, toen hij de leuze Rome of Moskou in de verkiezingscampagne introduceerde, heeft hij toen gedacht aan Mussolini, Verschaeve en Marsman,  aan Auden, Latu en Spellman, aan Castro en Pérez Serantes? Ik veronderstel van niet. Ik veronderstel dat de woorden hem vaag vertrouwd voorkwamen, zoals dat bij mij en Marc Reynebeau het geval is, en dat hij ervan uitging dat zijn publiek Rome wel ongeveer met de Westerse waarden in verband zou brengen. En als dat publiek aan het Romeinse rijk dacht, was dat mooi meegenomen. Het Romeinse rijk is zijn gimmick en je moet als politicus je marketing wat verzorgen. En dan moest hij incalculeren dat er wel eens stukken in de krant konden komen waarin hij herinnerd werd aan het droevige lot van de Romeinse slaven en aan het wrede optreden van de Romeinse legers in Gallië.  Zou De Wever zulke stukken even grappig en ontroerend vinden als ik?
    De politieke filosoof Michael Oakshott heeft betoogd dat Rome geen enkele politieke filosofie heeft voortgebracht, terwijl Griekenland er zelfs twee had, die van Aristoteles en die van Plato. Voor De Wever komt dat goed uit. Conservatieven zijn geen grote voorstanders van een duidelijk afgebakende politieke filosofie. Rome had iets anders: pragmatische staatsmannen, legeraanvoerders, bureaucraten en advocaten die respect voor tradities koppelden aan soepele realiteitszin. Ze behielden wat hen goed leek - tene quod bene - en vernieuwingen werden ingepast in de oude structuren, werden voorgesteld als herbronning, of werden minstens met oude benamingen of metaforen gecamoufleerd. Dat waren de zaken die hen onderscheidden van andere contemporaine beschavingen, niet de slavernij of de wreedheid van hun oorlogen. Die zaken waren toen ook elders te koop. 





De Gentse petitie 
     In Gent loopt een petitie die oproept tot een gemeentebestuur OpenVLD/Vooruit/Groen in plaats van OpenVLD/Vooruit/N-VA.  De initiatiefnemers zijn moraalfilosoof en migratie-specialist Pascal Debruyne en schrijver-activist Dominique Willaert. Hun oproep is uitvoerig beargumenteerd. Ze halen aan dat een gemeentebestuur met N-VA minder steun zal verlenen aan ‘middenveldorganisaties en cultuurhuizen’. Ze betogen dat je polarisatie beter kunt bestrijden met een homogeen progressieve coalitie dan met een gemengde coalitie van progressieven en conservatieven samen. ’t Zijn stellingen die een discussie waard zijn.
     Maar dan stel ik mij de volgende vraag: waarom een petitie? Waarom de kracht van de argumenten ondersteunen met de kracht van het getal … als er zojuist verkiezingen zijn geweest die de meest objectieve getallen hebben opgeleverd. De petitie heeft tot nu toe (zondag 20 oktober, 8.25 u) 9.145 handtekeningen opgeleverd. Hoezo? Natuurlijk zijn er duizenden en duizenden Gentenaren die liever een coalitie hebben met Groen: 24,6 % van de Gentenaren heeft voor die partij gestemd. De twee lijsttrekkers van Groen, Filip Watteeuw en Hafsa El-Bazioui haalden alleen al 20.755 stemmen. Dat zijn allemaal virtuele ondertekenaars van de petitie.
      Petities lijken mij een goed idee als het om een Goede Zaak gaat: vrijlating van politieke gevangenen, behoud van een bedreigd bos, voor of tegen nieuwe gevechtsvliegtuigen. Maar voor zaken van pure partijpolitiek heeft men verkiezingen uitgevonden: die leveren voldoende cijfers op. Ik had daarom liever gezien dat Debruyne en Willaert het voorbeeld van de Antwerpse progressieven hadden gevolgd. Kwaliteit boven kwantiteit. Het moreel gezag boven het gezag van het getal. In plaats van zoveel mogelijk handtekeningen verzamelen, alleen de handtekeningen verzamelen van ‘mensen die ertoe doen’. Zulke overzichtelijke lijsten lees ik graag. Ik kijk dan of daar geen namen van oude vrienden of vijanden bij staan.

Capitool - Capitole
      Groen verzamelde al drie keer voor het Gentse gemeentehuis om te protesteren tegen de deelname van N-VA aan de coalitiegesprekken. Ik wou die actie graag vergelijken met de Trump-aanhangers die het Capitool bestormden. Maar de verschillen zijn te groot. In Washington trok men de geldigheid van de verkiezingen in twijfel, in Gent trekt men de geldigheid van de coalitiebesprekingen in twijfel. Ook is het belegerde gemeentehuis van Gent enkele honderden meter verwijderd van een gebouw dat Capitole heet.
 
    Nee, de enige gelijkenis die ik zie is die met Vlaams Belang. Groen-aanhangers wijzen er op dat ze met hun 25 % van de stemmen de grootste partij zijn, en de op een na grootste lijst, en dat ze tóch worden uitgesloten. Vlaams Belang doet dat ook vaak: erop wijzen dat ze ergens de grootste of tweede grootste partij zijn, en tóch worden uitgesloten.

Het gevaar voor de progressieve agenda
     In zijn commentaar van gisteren (DS 22/10) probeert Karel Verhoeven de kerk in het midden te houden. Slechts bij herlezing viel mij op dat een ándere staande uitdrukking eveneens van toepassing is. Verhoeven probeert van twee walletjes te eten. Enerzijds vernedert hij N-VA door te zeggen dat ze als kleinere partij ‘zal moeten slikken wat ze elders uitspuwt qua praktijktests, sociale woningen en openbaar vervoer.’ En anderzijds wijst hij op het gevaar voor de progressieve agenda als N-VA aan het Gentse bestuur deelneemt.

Anneleen van Bossuyt en de tramlijnen 
     Dat ik ongeschikt zou zijn als politicus of als spin doctor komt omdat ik heel weinig voeling heb met wat men publieke perceptie noemt. Ik herinner mij hoe Anneleen Van Bossuyt (N-VA) zes jaar geleden bespot werd om haar pleidooi voor een tramvrij centrum in Gent. ‘Tramsporen zijn gevaarlijk,’ had Van Bossuyt gezegd. ‘Ik heb er zelf eens mijn voet in gebroken toen ik 7 maanden zwanger was.’ Ik begreep de reden niet van die spot. Waarom mocht ze niet verwijzen naar een persoonlijke ervaring? Dat maakte de kwestie juist concreet, vond ik. Maar het werd algemeen als een ‘uitschuiver’ gezien – ook al gebeurt een kwart van de fietsongevallen in Gent op tramsporen.
     Ik zal dus nooit goed aanvoelen wat het percipiërende publiek nu zo lachwekkend vond. Misschien dacht men: ‘Domme koe. Mij overkomt zoiets niet. Ik heb nog nooit mijn voet gebroken in een tramspoor.’ Of: ‘Moet het hele openbaar vervoer beleid nu worden aangepast omdat het mevrouwtje ooit haar voet gebroken heeft?’ Zulke reacties zijn mij ten enenmale vreemd.

Democratische spelregels
     De Standaard publiceert een interessante brief van lezer Stef Soufriau.  Die is verontwaardigd  omdat men voor een gemeentehuis protesteert nadat een partij die veel stemmen behaalde niet mag deelnemen aan de bestuurscoalitie. Soufriau vindt dat een aanfluiting van de democratische spelregels. Voor een goed begrip: hij verwijst naar de manifestatie van Forza Ninove in 2019 toen die partij buiten de coalitie gehouden werd.

Petra De Sutter
     Op de Gentse petitie die aandringt op een linkse coalitie staat ook, naar het schijnt, de handtekening van Groen-minister Petra De Sutter. Ze omschrijft zichzelf bescheiden als ‘bezorgde Gentenaar’. Het komt misschien van het Engels: concerned citizen. Op de Antwerpse petitie voor een linkse coalitie stond, tussen allemaal professoren en literatoren, de naam van Wietse Vermeulen, die geloof ik geen minister is, met de vermelding ‘geëngageerde Antwerpenaar’. Ik weet niet wat mooier is. En er zijn nog ander mogelijkheden. 
‘Verbonden Gentenaar’ is wat moeizaam, maar ‘solidaire Gentenaar’, ‘progressieve Gentenaar’, ‘warme Gentenaar’ is ook allemaal goed. Het liefst had ik dat men tekende met ‘verontruste burger’, zoals indertijd de Bond van Verontruste Ouders - een zelfhulpgroep begin de 70 voor vaders en moeders van goede families die hun kinderen bedreigd wisten door seks, drugs, rock'n rol en linkse politiek.. In Humo werd daar vaak mee gelachen.

Mobiliteitsplan
     Ruben Mooijman vindt de moeizame Gentse coalitievorming ‘een thriller … politiek om duimen en vingers bij af te likken.’ Dat vind ik helemaal niet. Komaan, het gaat over het verkeer in Gent! Moeten de jongere stadsbewoners hun zin krijgen om Gent zo autovrij mogelijk te maken, met zo weinig mogelijk parkeerplaats, of moet de nostalgie van oudere burgers ontzien worden die zich de tijd herinneren dat je in gelijk welke stad na 5 minuten ergens langs de straat kon parkeren? Ik begrijp de twee standpunten en wil mij vooral niet moeien.
     Mooijman is geloof ik van de eerste strekking. Het plan om een ondergrondse parking aan te leggen, schrijft hij, ‘gaat in tegen de moderne inzichten over stedelijke mobiliteit.’ Eigenlijk is het woordje ‘modern’ een wat ouderwets klinkend argument, maar ik had mij meer geërgerd als Mooijman gesproken had van de ‘wetenschappelijke inzichten in de stedelijke mobiliteit’.

Onverschillig blijven is moeilijk
     Voor de Gentse protestacties kun je moeilijk onverschillig blijven. Zelfs wie onverschillig blijft, zoals auteur en columnist Marnix Peeters, voelt de behoefte om van die onverschilligheid kond te doen. ‘En ik, ik heb gewoon geen mening over Gent,’ schrijft hij op Facebook. Ik wou dat ik dat ook kon schrijven, maar de waarheid is dat ik graag stukken lees over de Gentse toestanden, en vooral over de acties voor het gemeentehuis. Bijna had ik beloofd stukjes te blijven schrijven over de zaak zolang de acties doorgaan, maar dat doe ik liever niet. Straks beginnen de actievoerders met een hongerstaking en zoiets kun je met behulp van suikerwater wel twee maanden uithouden. Twee maanden stukjes over Gent, ik moet er niet aan denken.

De vertedering van Karel Verhoeven
     Ondertussen lees ik graag de reacties van anderen op de ‘wakes’ - reacties die heel erg verschillend zijn van gevoelstoon: verontwaardigd, geërgerd, meewarig, spottend, sussend, verzoenend, vertederd, solidair … Ik had voor mezelf graag ‘vertedering’ uitgeprobeerd, maar toen zag ik vrijdagavond Karel Verhoeven op De Afspraak, en ik heb mijn voornemen opgegeven. Ik zal toch nooit het hoge niveau van Verhoeven bereiken, met mooie woorden over

‘… het geloof in de mythe van het progressieve nest, de uitzondering in de wereld, die ook wel een voorbeeldfunctie heeft voor andere steden, het geloof dat daar in Gent de bourgeois én de bohémien, de arbeiders én de intellectuelen, allemaal samen toch wel een interessant experiment maken ... en dat dat nu brutaal doorbroken wordt.’

      De poëtische woorden van Karel Verhoeven van De Standaard blijven door mijn hoofd spoken. De arbeiders en de intellectuelen ... Mijn gemoed schiet vol als ik aan mei 68 denk toen die groepen, in mijn verbeelding, één strijd voerden, en één front vormden. Er bestond in Brussel zelfs een maoïstisch groepje dat Unité Universités Usines heette.
     En dan de bourgeois - de betere bourgeois wel te verstaan - en de bohémien die zo mooi bij elkaar horen, vooral omdat de eerste in zijn vrije tijd de tweede graag nabootst, zijn gezelschap opzoekt en hem af en toe op een warme maaltijd en een fles wijn trakteert. Die bourgeois en die bohémien behoren in elk geval tot een hoger stijlregister dan dat van de hardwerkende Vlaming. 

Gemoraliseer
     Ik voel mij niet geroepen om de actievoerders van antwoord te dienen als ze spreken van ‘verraad’, ‘woordbreuk’, ‘rechtse staatsgreep’ en ‘warme samenleving.’ En nog minder wil ik het over ‘de grond van de zaak’ hebben. Als het over een ondergrondse parking en de stedelijke boekhouding gaat, dan verveel ik mij snel. Gaat het over botsende persoonlijkheden en ambities, dan wil ik mij erbuiten houden. En gaat het over politiek-filosofische kwesties als de rol van gemoraliseer in de politiek, dan wil ik daar wel eens over nadenken, maar niet elke dag. Veel van mijn rechtse vrienden - FB-vrienden - zijn tegen dat moraliseren, maar iemand als professor Stijn Oosterlinck (
DS 25/10) vindt dat dat gemoraliseer legitiem als een ‘deel van het conflict’ Wie heeft er gelijk?

De Gentse DNA: een vermeende consensus 
     Die Oosterlynck nu - want ik heb zijn stuk helemaal gelezen - doceert het vak stadsociologie aan de Universiteit van Antwerpen en is lid van het Centre for Research in Environmental and Social Change (CRESC). Hij heeft recent een ‘grootschalig en participatief onderzoek gecoördineerd naar de relatie tussen het Gentse sociale middenveld en de lokale overheid.’ Hij heeft daarbij vastgesteld dat die relatie goed is. Wie ben ik om hem tegen te spreken?
     Oosterlynck heeft een redelijke uitleg wat de kreet van het Gentse DNA zou kunnen betekenen. Hij legt uit dat er een consensus bestaat, ‘over de ideologische en partijgrenzen heen’, die ‘publiek-civiele netwerken ondersteunt’, en dat N-VA zich buiten die consensus plaatst. N-VA vindt immers dat de middenveldpolitiek te veel geld kost, en dat de Gentse middenklasse verwaarloosd wordt. Oosterlynck noemt dat ‘legitieme publieke opinies waarvoor niemand uitgejouwd hoeft te worden.’ Maar die N-VA-mensen opnemen in een coalitie, dat vindt hij een stap te ver. Ik vind die publieke opinie van Oosterlynck op mijn beurt legitiem en zal hem niet uitjouwen.
     Oosterlyncks partijpolitieke speculaties daarentegen lijken mij erg vooringenomen. 

De uitslag van de verkiezingen wees (opnieuw) op brede steun van de Gentse bevolking voor die stedelijke politieke cultuur. Tel daarvoor het aantal stemmen op voor Vooruit, Groen, PVDA en CD&V én de sociale liberalen rond burgemeester Mathias De Clercq (minus de donkerblauwe groep liberalen rond Christophe Peeters).

     Hola, dit gaat wel erg snel. Waarom worden de PVDA-kiezers plots opgenomen in die consensus? Zijn die misschien tevreden met de financiële stroom ter ondersteuning van de kwetsbare burgers, of willen ze die gevoelig uitbreiden? Waarom moet de de liberale groep worden opgesplitst in twee flanken, en Vooruit niet? En zou CD&V dan geen flanken hebben, en misschien zelfs Groen? Met zijn optelling komt Oosterlynck makkelijk aan laat ons zeggen 65 procent van de stemmen ten gunste van de huidige ‘stedelijke cultuur’. Maar ik van mijn kant kan een optelling maken van de stemmen ten gunste van VB, N-VA, CD&V, Open-VLD, en de gematigde socialisten en Groenen om tot een andere comfortabele meerderheid te komen*. Dat zijn dan kiezers die niet noodzakelijk een ‘fundamenteel andere politiek bestuursmodel’ voor ogen hebben, maar die vinden dat het beleid moet worden bijgestuurd, nieuwe evenwichten moeten worden gevonden, en dat het miljard aan schulden dat de stad heeft moet worden afgebouwd in plaats van verder opgebouwd.
     Oosterlynck schrijft dat een coalitie met N-VA moeilijk is wegens ‘niet makkelijk te overbruggen meningsverschillen.’ Ook goed. En waren de meningsverschillen in de vorige coalitie dan wel makkelijk te overbruggen? De waarheid is dat er geen consensus bestaat over de ‘stedelijke cultuur’. Dat is een ideologische veralgemening, zoals de ‘Vlaamse grondstroom’ van N-VA. De politieke werkelijkheid is er een van veel verschillende gedeeltelijk tegengestelde visies die leiden tot compromissen. En zo’n compromis kan evengoed tot stand komen in een coalitie van Open-VLD, Vooruit en Groen als in een van Open-VLD, Vooruit en N-VA. Hou je die coalitie een tiental jaren vol, dan kun je van een ‘cultuur’ of een ‘bestuursmodel’ beginnen te spreken, maar dat blijven abstracties die, zoals de economische aggregaten, een veelheid van verschijnselen samenvatten maar ook, als je niet oppast, aan het oog onttrekken. Ook bestaat er geen a priori-antwoord hoelang je zo’n cultuur in stand moet houden, en wanneer het tijd is voor alternance.

De progressieve meerderheid
      De kreet van een ‘progressieve meerderheid’ in Gent is rust niet op een stevig logisch fundament. Als je alle partijen opstelt, A-B-C-D-E-F-G-H, van uiterst links tot uiterst rechts, dan kun je uit de Gentse cijfers makkelijk een ‘linkse’, een ‘rechtse’ en een ‘centrum’ meerderheid afleiden. Als je begint te tellen van A, ga je door tot je een ‘linkse’ meerderheid hebt, en als je begint te tellen van H, ga je in omgekeerde richting door tot je een rechtse meerderheid hebt. Je kunt ook vanaf de middelste letters beginnen tellen in de twee richtingen om een centrum meerderheid te bekomen.
     Overigens is de kreet van de progressieve meerderheid niet helemáál uit de lucht gegrepen. Als Vooruit niet vastgeklonken was aan Open-VLD en je telt de verkozenen van PVDA, Groen en Vooruit samen, dan kom je inderdaad aan een krappe meerderheid. Als je alle andere verkozenen samentelt, met inbegrip van VB, kom je niet aan een meerderheid.
    Anderzijds, dat een linkse meerderheid met Groen en PVDA in Gent mogelijk is, zoals er in Antwerpen een rechtse meerderheid met VB mogelijk is, betekent niet dat die meerderheden wenselijk zijn.

Het Gentse DNA en het verkiezingsresultaat
     Het begrip Gents DNA kan naar veel verschillende zaken verwijzen: zelfverheerlijkend chauvinisme, een specifiek ‘bestuursmodel’ - door tegenstanders het ‘Gentse systeem’ genoemd, de ‘progressieve meerderheid’, enzovoort. De meest eenvoudige verwijzing is die naar het atypische verkiezingsresultaat van de partij Groen. In Gent haalt die partij 24,6 procent van de stemmen, in Vlaanderen 7,3 procent. Maar als we atypische verkiezingsuitslagen als maatstaf nemen, zijn er veel gemeenten met een speciaal DNA. 

Het Gentse middenveld
     Voor één ding moet ik Oosterlynck dankbaar zijn. Hij heeft mij duidelijk gemaakt wat de actievoerders in Gent bedoelen met het ‘middenveld.’ Ik was het begrip vaak tegengekomen, en ik dacht daarbij aan de Kristelijke Werkersbeweging waar de onthaalmoeder van Jan lid van was. Die organiseert in onze gemeente jaarlijks wandelzoektocht en een quiz. Als ik er langer bij stil stond, dacht ik aan jeugdbewegingen, gepensioneerde fietsers, plaatselijke koersen, mutualiteiten, vakbonden, coöperatieve winkels, kerken, fanfares, sport- en wandelclubs, wieltertoeristen, carnavalisten, feestcomités, amateurtheater, heemkundige kringen, verenigingen die ‘De Wielewaal’ heten, en wekelijkse bijeenkomsten van bejaarde boekbinders, kortom een mengsel de vroegere zuilen met wat Oosterlynck zelf het ‘verenigingsleven’ noemt.
     Op andere plaatsen geeft Oosterlynck een preciezere definitie van dat ‘verenigingsleven’. Hij spreekt over ‘het sociale middenveld dat rond gelijke kansen en welzijn actief is’ en over organisaties die ‘inzetten op de ondersteuning van kwetsbare burgers’ en die daarvoor in een of andere ‘subsidiecategorie’ zitten. Elders spreekt hij van ‘daklozenopvang, hulpverlening voor mensen met schulden, beleidsparticipatie van kwetsbare burgers.’ Als libertair heb ik een vooroordeel tegen die vorm van hulp. Als men financieel wil subsidiëren, geef dat geld dan meteen aan de kwetsbare burgers zelf in plaats van aan de bezoldigde hulpverlener, en laat de rest over aan vrijwilligersorganisaties.
     Dat is een opvatting die ik voor het eerst aantrof in Parliament of Whores van P.J. O’Rourke. Ik vermeld dat nu even omdat die Amerikaanse humorist door Tinneke Beekman vermeld werd in dezelfde Standaard waar Oosterlynck de dag nadien zijn mening kwijt kon. Maar die mening van P.J. O’Rourke en mijzelf is radicaal, en moest ik samen met Oosterlynck een programma uitwerken voor Gent, zou ik heel veel water bij de wijn doen, omdat ik geen slaande ruzie wil, omdat het sociale middenveld goed werk doet, en omdat het overschakelen naar een ander model slechts geleidelijk kan gebeuren.
    Toch zou een compromis tussen Oosterlynck en mij minder subsidies voorzien dan nu het geval is. Ik hou niet van het maken van schulden die door anderen dan mijzelf moeten worden terugbetaald. Oosterlynck beweert dat de hoge financiële schulden van de stad weinig te maken hebben met de steun het sociale middenveld. Dat kan. Het is alleen jammer dat hij zich in zijn argumentatie voor die stelling beperkt tot wat ik ‘kleine cijfers’ noem.‘Twee derde van de organisaties zitten in de laagste subsidiecategorie, minder dan 25.000 euro per jaar. Hooguit vijf organisaties zitten in de hoogste categorie van meer dan een miljoen euro per jaar.’ Twee derde van de organisaties, hoeveel zijn er dat? Minder dan 25.000 euro, hoeveel minder is dat? Meer dan een miljoen euro: hoeveel meer is dat? Zo ken ik nog altijd het ‘grote cijfer’ niet: hoeveel gaat er in totaal naar die organisaties? Had Oosterlynck de bedragen niet eens kunnen samentellen zoals hij de stemmen van Vooruit, Groen, PVDA, CD&V en de sociale liberalen heeft samengeteld?

De burgemeestersjerp
     In zijn conclusie klaagt Oosterlynck de cynische machtspolitiek aan en besluit met een aanval op Mathias De Clercq, die ook in de kop van het stuk overgenomen wordt: het opblazen van een beproefde en gedragen coalitie is een te hoge prijs voor een burgemeesterssjerp?’ Ik dacht de burgemeesterssjerp van De Clercq door zijn voorkeurstemmen en de stemmen  verzekerd was, zowel in een coalitie met Groen als een met N-VA? Zelfs als de gezamenlijke lijst Vooruit-OpenVLD uit elkaar valt, en er een coalitie komt met alleen Vooruit, zou de burgemeestersjerp, volgens de nieuwe regels, naar De Clercq moeten gaan, ook al zou zijn partij dan niet tot de bestuurscoalitie behoren.
     Heb ik iets over het hoofd gezien, of heeft Oosterlynck zich laten meeslepen in zijn polemiek? 

Derde Rijk
     Het is op zich geen uitzonderlijk gegeven dat er in Gent veel mensen zijn die onder geen beding een coalitie met N-VA willen. Het kunnen er best tienduizenden zijn: alle PVDA-kiezers, de grote meerderheid van de Groen-kiezers, de helft van de Vooruit-kiezers (al zijn kiezers vaak minder fanatiek dan partijleden) en een minderheid van Open-VLD-kiezers). Er zijn daarnaast natuurlijk ook tienduizenden kiezers die geen bezwaar hebben tegen een coalitie met N-VA, namelijk alle anderen. Zo gaat dat in een vrij land.
      Het is evenmin uitzonderlijk dat mensen een coalitie afkeuren zonder naar het afgesproken bestuursprogramma te kijken. Als men in Keerbergen een coalitie zou vormen met de enige Vlaams Belang-verkozene, dan zou ik dat ook afkeuren, zonder het bestuursprogramma te bestuderen. Ik zou natuurlijk niet met een kaars in de hand voor het gemeentehuis te protesteren. Daar ben ik te oud voor en zó zwaar zou ik er ook weer niet aan tillen.
     Wel interessant is de bereidheid van honderden Gentenaars om ’s avonds, na een zware dagtaak, de straat op te trekken met geschreeuw en gezwaai van bordjes. Op zondag waren ze zelfs met duizenden. Zulke acties zijn ongebruikelijk als het om partijpolitieke kwesties gaat. Hier was meer aan de hand. Men sprak van Gents DNA en haalde er de geschiedenis bij. Gentenaars waren Galliërs die zich verzetten tegen de Romeinse dictator Bart De Wever. Gentenaars waren de erfgenamen van de stropdragers die in opstand kwamen tegen Keizer Karel. Er hangt in Gent iets in de lucht dat vergelijkbaar is met het ‘American Exceptionalism’ en de ‘Manifest Destiny’ van over de Oceaan.
     En het mooiste is natuurlijk de lessen die getrokken worden uit de recente geschiedenis, en die kort worden samengevat op de sticker: ‘Fuck N-VA. Geen derde rijk in mijn mooie wijk’*. Onder de stickerplakkers leeft de overtuiging dat een deelname van Anneleen Van Bossuyt aan het Gentse schepencollege slechts de eerste stap is naar de invoering van een nazistische dictatuur. Eerst zou Anneleen gewoon schepen zijn en zich neerleggen bij een ‘progressief bestuursakkoord’. Maar ze zou, naar Hitlers voorbeeld, zinnen op een middel om de coalitiepartners aan de kant te schuiven. Op een nacht steekt ze het Belfort in brand en gebruikt dat als voorwendsel voor een staatsgreep. We weten allemaal waar zoiets eindigt.

Links Bokrijk
     Is Gent een soort links Bokrijk? Heel Gent? Dat zou me verwonderen. Maar misschien kwam de staalkaart die verleden zondag betoogde in aanmerking voor die omschrijving. Ik moest bij het zien van de beelden denken aan een boek van Guido van Meir dat ik begin de jaren 70 als feuilleton in Humo las. Het boek heette De volksgerilja. De sfeer erin was grimmig en ludiek tegelijk. De strekking was alternatief, permissief, socialistisch, volks en revolutionair. Dat vat voor mij die betogers goed samen, minus het volkse en het revolutionaire. In De Volksgerila werd ook gevochten. Ik meen mij een veldslag te herinneren waarbij plots in de verte een nieuwe menigte opdook. Na een ogenblik van aarzeling steeg er een gejuich op in de revolutionaire rangen: 
t Zijn d’ongze! Dat was niet mijn dialect. Ik dacht toen dat het Gents was. Volgens de dialectkaart zou het eerder de uitspraak zijn die rond Sint-Niklaas gebruikelijk is.

Wie waren de kaarsmanifestanten?
     Sommige dingen durf ik alleen binnensmonds te mompelen. Ik durf die niet luidop te zeggen en nog minder te schrijven. Bij de allereerste beelden van het Gentse protest schoot de gedachte door mijn hoofd: 
‘Hoeveel van die mensen die betogen voor het middenveld hebben daar ook hun broodwinning? Maar ik schreef er niets over in mijn stukjes, omdat ik het antwoord niet kende, en omdat het in het beste geval een argumentum ad personam is. Maar nu ik de gedachte tegenkwam in een stuk van Siegfried Bracke op Doorbraak, kan ik het niet laten om daar een stukje uit te citeren.

De Gentse professor Filip De Rynck heeft beschreven hoe [het Gentse] systeem werkt. Het begint met vrijwilligers die zich inzetten voor de goede zaak, of alvast voor datgene wat roodgroen als de goede zaak beschouwt. Net daarom krijgen die meteen ook ruime financiële steun.   En daarna gaat het mechaniekje snel: de nood aan hulp, bijstand, steun… blijkt almaar groter, de financiële steun groeit fors, en de vrijwilligers worden vervolgens in geen tijd eerst halftijdse en korte tijd later voltijdse werknemers in hun eigen vzw. ... Honderden Gentenaars komen op die manier aan de kost. Het waren vooral die mensen die al van bij het eerste teken aan het stadhuis stonden. Ze vreesden hun baan te verliezen. Met dat systeem hebben rood en groen aan goed werkende klantenbinding gedaan ... Van alle Vlaamse stadsbesturen komt het Gentse het dichtste bij het PS-model: ook daar is steevast en via allerlei vertakkingen veel volk in dienst.

Quid N-VA?
     
Siegfried Bracke wijst er verder op dat het onderhandelde bestuursakkoord tussen liberalen, socialisten en N-VA geen enkele maatregel bevat om het Gentse systeem te milderen. ‘Als er al ergens ontevredenen moesten zijn over de inhoud van dat bestuursakkoord, dan is het wel bij N-VA,’ schrijft Bracke.
     Dat is helemaal juist. Marc Reynebeau geeft ongeveer dezelfde commentaar.

Zo kon wel de vraag rijzen wat de N-VA te zoeken had in die coalitie, hoe oprecht of betrouwbaar ze kon zijn om een progressief programma te realiseren waarmee ze het grotendeels oneens was ...Wat het de Vlaams-nationalisten er alleen om te doen om ‘erbij’ te zijn, in de hoop om Groen, na zes jaar bestuur uit de Gentse politieke cultuur weg te zuiveren?

     Noteer dit even: ik ben het hier met Reynebeau eens, behalve waar hij de bij voorbaat N-VA van onbetrouwbaarheid beschuldigt.  Het komt er inderdaad op aan om ‘Groen uit de Gentse politieke cultuur weg te zuiveren.’  Als de tanker van het Gentse systeem, met een overvloed aan gesubsidieerde projecten en met behorende schulden en belastingen, als die tanker dus moet worden gekeerd, dan zal dat stap voor stap moeten gebeuren. En de eerste stap is om aandrijvende kracht van het Gentse systeem - Groen dat al 12 jaar aan het bestuur deelneemt - los te weken van de macht.
      Bij die eerste stap valt over het bestuursakkoord nog altijd de schaduw van Groen, ook als de partij er niet bij zijn. Daar valt niets tegen te beginnen: het is de wet van de traagheid in de politiek. Binnen zes jaar kan met liberalen, redelijke socialisten en anderen wat grondiger worden bijgestuurd. 

Democratie of koehandel
      Bij N-VA-sympathisanten hoor je het verwijt dat de coalitie Vooruit-OpenVld-N-VA op ondemocratische wijze werd tegengehouden. Een stemresultaat van 270.000 Gentenaars, dat deze coalitie mogelijk maakte, werd terzijde geschoven door een vergadering van 350 leden van Vooruit. Bij de vijanden van N-VA hoor je dan weer dat de stemming van de 350 Vooruit-mensen een voorbeeld was van hoe de basisdemocratie zich teweer heeft gesteld tegen een partijtop.
     In werkelijkheid heeft dat allemaal niet veel met democratie te maken. Het democratisch moment wordt uitgemaakt door de verkiezingen zelf. De rest is, zoals een FB-vriend het krachtig uitdrukte, een kwestie van koehandel. En hij voegde eraan toe: ‘Prijs je gelukkig met die koehandel.’ Ik ben het met hem eens. Democratie en koehandel horen bij elkaar. Zelf heb ik het liefst dat de koehandel gebeurt na de verkiezingen en niet voor de verkiezingen, met kartels en voorakkoorden. Maar ik zal daar niet lastig over doen. 
     Wie precies over die koehandel beslist, interesseert mij minder: de onderhandelaars, de partijtop, de partijraad, de basisleden … Elk systeem heeft voor- en nadelen, en ook daarover kun je van mening verschillen. Als je de basisleden - van gelijk welke partij - laat beslissen, weet je dat de Heilige Overtuiging daar vaak zwaarder doorweegt dan het pragmatisme. Ik zie daar veeleer een nadeel in, maar voor anderen is het ongetwijfeld een voordeel.

* De slogan voldoet niet aan de eisen van een klassiek metrum, maar om scandeerbaar te zijn op betogingen volstaat het om te voloden aan de eisen van het Germaanse heffingvers. Géén Dérde Ríjk / in ónze móóie wíjk.


NINOVE

     Ik kon en wou mijn glimlach niet onderdrukken toen De Standaard een interview aankondigde met ‘Ninove-kenner’ Dominique Willaert. Ik denk dan aan de onsterfelijke Gamelan-kenner van Godfried Bomans*. Je kunt geloof ik van een Rusland-kenner, een Amerika-kenner, een China-kenner en een Midden-Oosten-kenner spreken, maar als het niet om grote landen of gebieden gaat, klinkt het raar. Kun je spreken van een Brussel-kenner? Een West-Vlaanderen-kenner? En dan Ninove! De inwoners van die stad worden Ninovieters genoemd, nu vraag ik je.
     Maar dat interview zelf viel mee. Willaert weet écht wel iets af van Ninove en de Denderstreek. Hij heeft er in 2022 vier maanden lang rondgetrokken en met 120 inwoners gesproken, waaronder veel Vlaams Belang-stemmers. Hij heeft vooral geluisterd, zegt hij, en ik geloof hem, want uit het interview komt Willaert naar voor als een onbevangen ziel die hoort wat iemand zegt, en niet alleen wat hij zelf wil horen. Als slechte luisteraar die mijn gesprekspartners voortdurend onderbreek, kan ik Willaert voor die onbevangenheid alleen benijden.
     Ik vraag mij af hoe een gesprek tussen Willaert en mij zou verlopen. Hij is een groen-linkse jongen en ik een rechtse neoliberaal. Zouden wij gelijken op de eilanden van Rudyard Kipling die elkaar onze vooroordelen toeroepen ‘across seas of misunderstanding?’ Ik heb niets tegen vooroordelen, maar ik haat misverstanden. Ik zal proberen een van de mogelijke misverstanden tussen Willaert en mijzelf uit de weg te ruimen, en wel over het ‘ongebreideld kapitalisme’. Willaert zegt:

Weet u dat hier elke week vanuit Oost-Europa bouwvakkers worden ingevlogen met Ryanair? Ze werken hier een week lang 12 uur per dag, en zijn een pak goedkoper dan de Belgen op dezelfde werf. Een bouwvakker vroeg mij of ik weet wat dat is, urenlang op een stelling staan naast zo’n oververmoeide, met Red Bull volgegoten Bulgaar of Roemeen die je taal niet spreekt. Dat soort ongebreideld kapitalisme berooft Oost-Europa van haar werkmensen, holt hier jobs en lonen uit en stort 30 tot 40 procent van de mensen in vervreemding en bestaansonzekerheid.

      In een gesprek van man tot man zou Willaert mij nu kunnen verwijten dat ik als neoliberaal die praktijken van het ‘ongebreideld kapitalisme’ goedkeur. Maar dat zou een misverstand zijn. Als neoliberaal keur ik de ongebreidelde vrije markt goed. Dat is iets helemaal anders. Ongebreidelde vrije markt betekent niet dat de overheid geen algemene spelregels kan opleggen aan werkgevers en werknemers. 
     In het voorbeeld van Willaert zou ik het bijvoorbeeld prima vinden dat de overheid een verbod oplegt om bouwvakkers langer dan x aantal uren te laten werken. De vrije marktmechanismen blijven dan wat ze zijn; de concurrentie tussen de bedrijven wordt niet vervalst. Iedere ondernemer moet dan bij het optrekken van een gebouw rekening houden met hetzelfde legale voorschrift, zoals hij ook rekening moet houden met dezelfde wet van de zwaartekracht en met dezelfde elasticiteitsmodulus van staal.
      Een wet die vastlegt hoe lang bouwvakkers mogen werken, is een legitieme eis van veiligheid. Men legt zulke regels ook op aan truckchauffeurs. Men zou ze voor mijn part ook mogen opleggen - mutatis mutandis - aan chirurgen, orthopedisten, intensivisten en spoedartsen. Zo’n regel beperkt de keuzevrijheid van de Roemeense bouwvakker, van de truckchauffeur en van de chirurg, maar alleen omdat hij de veiligheid van derden - collega-bouwvakkers, andere weggebruikers, patiënten - in gevaar brengt. Dat is perfect verenigbaar met de strengste liberale filosofie**.
     Een heel andere kwestie is die van het vrij verkeer van ‘personen’. Willaert lijkt te suggereren dat die ook binnen de Europese Gemeenschap moet worden ‘gebreideld’. Dat ligt voor een neoliberaal heel wat moeilijker. Die Roemeense bouwvakkers die bij ons komen werken, betekenen een economisch voordeel voor iedereen: voor de ondernemers die die bouwvakkers nodig hebben, maar in de allereerste plaats voor de bouwvakkers zelf, want ze kunnen hier heel wat meer verdienen dan in hun eigen land en voor onze eigen bevolking, want als je linkse partijen bezig hoort is hier een groot gebrek aan betaalbare woningen - en iemand moet die bouwen.
     Willaert schrijft dat de migratiestroom Oost-Europa ‘van haar werkmensen berooft’ en in bij ons de  ‘jobs uitholt’. Bedoelt hij dat migratie in Oost-Europa een arbeidstekort in het leven roept, en bij ons een arbeidsoverschot? Ik betwijfel dat, maar het kan. Als het zo is, dan heeft Willaert ook gelijk dat het arbeidsoverschot bij ons de lonen enigszins‘uitholt’, maar dan moet het arbeidstekort in Oost-Europa dáár de lonen opblazen. Dan zouden die lonen in Oost en West naar elkaar toegroeien, en is die hele migratie niet meer nodig.
     Toegegeven, het is allemaal veel ingewikkelder dan de Economics 101 van hierboven. Er blijven veel vragen onbeantwoord. Hoe verhouden zich de economische gevolgen van de migratie tegenover de institutionele en sociaal-culturele gevolgen? Wat is de relatie tussen migratie en sociale zekerheid? Moet de overheid nu eens migratie stimuleren en dan weer beperken? Kan de overheid een rol spelen bij de sociaal-culturele integratie? Over die vragen kunnen links en rechts van mening verschillen, maar ook binnen het neoliberale kamp - en het linkse kamp - bestaan daar principiële, strategische of tactische meningsverschillen over. En we weten allemaal dat het bijzonder moeilijk is om daar onbevangen over te praten of na te denken.
     Als je onbevangen bent, zoals Willaert, moet je al eens van mening veranderen. Zo heeft Willaert zijn mening over uiterst-links bijgesteld. Hij schrok bijvoorbeeld van het fanatisme dat zich verraadt als men N-VA ‘als fascistoïde wegzet.’ Hij schrok van de bekrompenheid van de PVDA die blind en reflexmatig elk ondernemerschap veroordeelt en elke syndicale actie bejubelt. Hij schrok van de tweeslachtigheid van dezelfde PVDA die de groene eisen omarmt ... behalve als ze onpopulair zijn bij hun achterban, zoals de LEZ-maatregelen.
     Nu, over al die kwesties moet ik mijn mening niet bijstellen. Over een andere kwestie echter wel. Ik had altijd gedacht dat een VB-deelname aan het bestuur vooral de incompetentie van die beroepsopposanten aan het licht zou brengen. Daarover zegt Willaert:

Vlaams Belang is een van de best uitgebouwde extreemrechtse partijen in Europa. Ze rekruteert steeds vaker universitairen en stuurt haar personeel naar de Vlerick Business School. Die zullen naar Ninove worden gestuurd.

     Die gedachte zou nooit bij mij opgekomen zijn. Over het meeste van wat Willaert beweert ben ik het met hem nogal oneens, maar hier geeft hij mij iets om over na te denken. 

Wie dit heerlijke verhaal van Bomans niet kent, kan hier terecht.
 ** Er bestaan ook wetten en regels die vanuit liberaal-economisch standpunt problematischer zijn. Zie bijvoorbeeld mijn stukje hier over gelijke lonen voor Poolse bouwvakkers.



dinsdag 29 oktober 2024

Literaire beroemdheden en het neoliberalisme

Paul Murray en het neoliberalisme
     Paul Murray, de Ierse auteur van De bijensteek – een boek dat opgenomen is in veel eindejaarslijstjes –  gaf een maand geleden een interview aan De Standaard der Letteren. Hij lijkt mij een gedreven man met een lichte neiging tot flagelantisme. ‘Ik ben een witte, vijftigjarige man – niet noodzakelijk een stem die mensen nu willen horen.’  Maar hij vertelt ook honderduit over de Griekse tragedie, Shakespeare, Oscar Wilde, en over Thomas Pynchons Gravity’s Rainbow, dat hij twee maal gelezen heeft. Hij heeft het nog altijd niet helemaal begrepen, 
maar, zegt Murray, begrijpen wordt overschat. Ik ben blij dat ik het nu eens van iemand anders hoor.
     Murray heeft een sombere kijk op de geschiedenis van Ierland. Die bestond achtereenvolgens uit kolonisering, katholieke verstikking, armoede en werkloosheid, en ten slotte neoliberalisme. De nadelen van de eerste drie zijn mij bekend. Maar wat zijn de nadelen van dat neoliberalisme? Murray somt op: (1) Ierland werd heel rijk; (2) iedereen kocht een auto; (3) autoverkopers werden miljonair; en (4) in 2008 werd de auto-industrie hard getroffen door de economische crisis. Dan vind ik die kolonisering, verstikking en endemische werkloosheid toch erger. 

Slobodan Snajder en de planeconomie
     Een andere beroemde auteur is Slobodan Snajder die naar verluidt episch schrijft over zijn geboorteland Joegoslavië. Ook hij werd geïnterviewd voor De Standaard der Letteren. Snajder is een Oostblok soixante-huitard, die meedeed aan de protesten tegen de Tito-dictatuur. Nu vindt hij dat de mensen onder het Tito-communisme gelukkiger waren dan onder de huidige regering. Die bestaat immers uit dieven die zich miljoenen overheidsgeld toeëigenen. Snajder gelooft dat de toekomst in een of andere vorm van socialisme ligt.

Het concept van oneindige economische groei heeft gefaald, maar het kapitalisme blijft erop hameren. We worden nu geconfronteerd met de uitputting van de hulpbronnen in die ene wereld die we hebben. We moeten het zien te regelen. Hoe? Het antwoord is zo ouderwets dat ik me er bijna voor schaam: planeconomie. Laten we eerlijk verdelen wat we hebben.

     Snaider brengt hier vier dingen met elkaar in verband: groei, uitputting der grondstoffen, eerlijke verdeling en centrale planning. Maar dat verband is niet altijd zo vanzelfsprekend. Zo kan juist een geplande economie heel veel grondstoffen verspillen zonder dat er veel groei uit voortkomt. De hele economische geschiedenis van de Sovjetunie is daar een mooi voorbeeld van. Onze overheid, met Tinne Vanderstraten,  heeft een plan uitgewerkt voor een groot energie-eiland. De kost was eerst op twee miljard geraamd, maar zou nu al zeven miljard bedragen – en dat bedrag zal ongetwijfeld nog stijgen. Je kunt je dan de vraag stellen of hier niet meer grondstoffen zullen worden verspild dan er, tussen twee periodes van Dunkelflaute in, aan energie zal worden gewonnen.    


maandag 28 oktober 2024

Trump I en Trump II

 


Trump I en Trump II
    
Ruud Goossens herhaalt in De Standaard (26 en 28/10) de wijdverbreide speculatie dat Trump II ‘veel gevaarlijker’ zou zijn dan Trump I. Hier en daar lijkt Goossens te overdrijven, haalt hij een citaat uit de context of houdt hij zijn formulering erg vaag.  Ik geef telkens één voorbeeld. 

  • Overdrijving: ‘In het Hooggerechtshof beschikt Trump over een supermeerderheid. ’
  • Uit de context: ‘… Trump zegt zelf dat verkiezingen over vier jaar overbodig zullen zijn*.’ 
  • Vage formulering: ‘Ook politieke tegenstanders zoals de Democraten Nancy Pelosi of Adam Schiff lopen in zijn vizier.’
     Wat mij ook niet verder helpt is dat Goossens een toestand die ik slecht ken, die in de Verenigde Staten, vergelijkt met een toestand die ik nog slechter ken, die in Hongarije. Toch heb ik geprobeerd, om voor mijzelf een beter beeld te krijgen, uit het stuk van Goossens een lijstje van maatregelen te distilleren van wat Trump II allemaal zou kunnen betekenen - althans volgens Goossens.

  1. Vervanging van 20.000 tot 50.000 linkse ambtenaren door Trumpaanhangers**
  2. Deportatie van 10 tot 20 miljoen illegale immigranten met daarbij razzia’s, detentiekampen en opsluiting zonder proces 
  3. Verbod op immigratie uit bepaalde moslimlanden
  4. Afschaffing van het ministerie van Onderwijs
  5. Verbod op pornografie
  6. Verbod op het versturen van abortuspillen (ik vermoed tussen verschillende staten)
  7. Stopzetting van alle subsidies voor seksuele voorlichting en gezinsplanning
  8. Toestemming voor politie (en leger) om te schieten ‘op de benen’ van linkse relschoppers
  9. Inzetten van gerecht en belastinginspectie tegen politieke tegenstanders
  10. De Federal Trade Commission onder het gezag van de president brengen
  11. Kritische berichtgeving tegengaan door druk uit te oefenen op de eigenaars van de media
     Ik weet niet of dat bonte lijstje representatief is, maar het oogt mij niet appetijtelijk, op punt 4 na. Een andere vraag is of de soep wel zo heet gedronken zal worden, als ze door Trump geschonken is. Zal Trump zijn plannen en dreigementen kunnen realiseren? Goossens vreest van wel, en uit zijn stuk valt alweer een lijstje te distilleren, dit keer van argumenten. Die komen hierop neer. Trump …

  1. … is ondertussen politiek geradicaliseerd
  2. … wordt gedreven door wraakzucht en rancune na zijn vorige nederlaag
  3.   is beter voorbereid dan bij zijn eerste verkiezing o.a. door de hulp van denktanks als The Heritage Foundation
  4. … heeft nu de volledige Republikeinse partij achter zich
  5. … wordt niet meer omringd door gematigde figuren uit de ambtenarij, het leger of de ondernemingswereld
  6. ... heeft vandaag betere betrekkingen met mediamagnaten en Big Tech.
  7. … wordt gedreven door een grassroots beweging waar het rood-groene activisme in Gent bij verbleekt
  8. ... heeft ondertussen en solide electorale basis, terwijl de electorale basis van de Democraten versmald is door het wake-extremisme***
  9. … zal wellicht het voorbeeld volgen van de Poolse partij Recht en Rechtvaardigheid, die ‘pas echt de bijl in de instellingen zette toen ze de sleutels een tweede keer in handen kreeg.’
     Alleen dat laatste argument is hoopgevend want die Poolse partij zit sinds 2023 alweer in de oppositie.

 *

     Ondertussen is er in al die lijstjes één ding dat mij dwars zit. Ook toen Trump I aan de macht kwam werden we gewaarschuwd voor ‘fascisme’, o.a. door professor Verreeck die toen bij LDD was en nu bij Vlaams Belang. Tijdens zijn hele ambtstermijn werd Trump de mantel uitgeveegd door de meeste media, iets wat men met Mussolini en Hitler niet had moeten proberen. Trump werd verbannen van Facebook en Twitter. Wie zich dat allemaal herinnert, is geneigd om het gevaar van Trump II te relativeren. 
     De vijanden van Trump I weten dat. Het was dan ook volstrekt voorspelbaar dat ze een redenering zouden ontwikkelen - en argumenten zouden vinden - volgens dewelke Trump II véél gevaarlijker zou zijn dan Trump I. Nu misschien is hij dat ook. Ik zou eens de tegenargumenten moeten bekijken voor ik mij een oordeel vorm. Ik zou de site van The Heritage Foundation eens moeten aanklikken. Dat is lang geleden. 

Trump uitgespeeld?
      Ik was er vast van overtuigd dat Trump vier jaar geleden, na de bestorming van het Capitool, en na de verloren rechtszaken rond de zogezegde verkiezingsfraude, politiek uitgespeeld was. Van die stommiteiten zou hij nooit herstellen, dacht ik. Ook hier had ik, zoals het mijn gewoonte is, de publiek perceptie verkeerd ingescha. Maar dit keer had ik een excuus: ik ben geen Amerikaan, en zelfs de meeste Republikeinse leiders, échte Amerikanen, hebben toen dezelfde inschattingsfout gemaakt.

Trump en Oekraïne
     Mijn belangrijkste bezwaar tegen Trump is dat hij vulgariteit en agressiviteit cultiveert om zijn populariteit op te blazen. Daarmee geeft hij het slechte voorbeeld aan zijn medeburgers. Mijn tweede bezwaar betreft Oekraïne. Niemand kan voorspellen hoe hij met die oorlog zal omgaan. Volgens de Russische dissident Vladislav Inozemtsev (DS 24/10) is die onvoorspelbaarheid echter een voordeel. Trump zou een staakt-het-vuren en een bestandslijnen kunnen opleggen met een dubbel dreigement. Als Oekraïne de deal niet aanvaardt verliest het de Amerikaanse steun. Als Poetin de deal niet aanvaardt gaat Amerika voluit in de steun aan Oekraïne in plaats van het huidige ‘pappen en nathouden’-beleid.
     Inozemtsev beweert dat het territoriaal compromis achteraf weer kan herroepen worden als na Poetin een redelijker leider de macht overneemt. Ik heb niets tegen het territoriaal compromis als het vrije deel van Oekraïne maar lid wordt van de Navo – de zogenaamde ‘West-Duitse oplossing’, naar het voorbeeld van de Bondsrepubliek die tijdens de Koude Oorlog, na amputatie van de oosten, ook lid werd van de Nato. Zo’n lidmaatschap heeft trouwens een voordeel voor Poetin omdat het het Oekraïense revanchisme – nog zo’n Koude Oorlog-woord – in bedwang kan houden. 


* De context was de volgende. Trump riep zijn aanhangers op om dit keer zeker te gaan stemmen voor hem. In vier jaar tijd zou hij dan zoveel realiseren dat het er de volgende keer niet meer op aan kwam wie de verkiezingen won.

** Dat is een gevoelige uitbreiding van het Amerikaanse ‘system of spoils’, waarbij de partij die de verkiezingen wint een deel van de ambtenaren vervangt. Bij een normale aflossing van de wacht worden ongeveer 4.000 ambtenaren vervangen. 

*** Dat laatste argument - de electorale kracht - komt niet in het artikel van Goossens voort, maar je vindt het in veel Amerikaanse commentaren terug, bijvoorbeeld die van Fukuyama.