De elite
Af en toe vraag ik mij af wie nu eigenlijk deel uitmaakt van die elite waar populisten het altijd over hebben. Ik weet het ongeveer. Ian Buruma (DS 1/3) vatte het nog eens samen: ‘de pers, de universiteiten, rechters en politici.’ Verder vernoemt hij nog de ‘experts’ die overigens vooral door de universiteiten geleverd worden. Bij de ‘pers’ zou ik eraan toevoegen de lui die vaak door de pers worden opgevoerd.
Buruma is niet gelukkig met de populistische kritiek op de elite. Ze verstrekt de roep om ‘een sterke man’ en dus om dictatuur. Maar hij begrijpt ook waar de kritiek vandaan komt. De elite is in zekere opzichten geprivilegieerd en zelfgenoegzaam, wat afgunst en wrevel veroorzaakt. De specialisatie van de universiteiten staat heel ver af van de interesses van de gemiddelde burger. En wat de pers betreft, schrijft Buruma: ‘Wie heeft er nog journalisten nodig als iedereen zijn mening op het internet kan spuien?’
Die laatste vraag kan worden uitgebreid. Wie heeft er überhaupt een elite nodig? Je kunt gemakkelijk argumenteren dat we computerspecialisten nodig hebben, net als rechters, goede journalisten, economen, sociologen, gezondheidsspecialisten, volksvertegenwoordigers en ministers. Maar moeten die samen een elite vormen, met een eigen smaak, met een eigen ideologie, met eigen voorkeuren? Misschien wel, maar wat is dan de functie van die elite?
‘Een liberale democratie is in veel opzichten afhankelijk van een elite,’ schrijft Buruma. Dat is een interessante gedachte. Tocqueville beschreef in 1835 de jonge, liberale democratie in de Verenigde Staten, die het grotendeels zonder elite – Tocqueville spreekt van ‘aristocratie’ – moest stellen. Het universitair onderwijs en de pers stelden niet veel voor, en de volksvertegenwoordigers onderscheidden zich amper van het plebs. Alleen de juristen vormden een soort aristocratie, met een eigen maatschappelijke missie: de bescherming van tradities, de verdediging van de goede smaak, de begunstiging van ratio boven emotie, en de zorg voor een stabiel beleid ondanks de wispelturigheid van het volk.
Uitspreken van eigennamen
Niet alleen de spelling maar ook de uitspraak van eigennamen kan voor problemen zorgen. Hoe spreek je bijvoorbeeld de naam uit van Peter Magyar? Op de televisie hoor ik de ene keer /mɑhia:r/ en een andere keer /mɑːdjɑːr/. In de jaren 80 hoorde je de ene keer over Lech /wɑlesɑ/ en de andere keer over Lech /wɑlɛnsɑ/.
Gelukkig kun je dat vandaag meestal oopzoeken op de Engelse Wikipedia. Maar is die wel altijd betrouwbaar? Op Het Nieuws zei de presentator dat de Franse filmactrice Nathalie Baye overleden was. Ze sprak het uit als /baj/. Dat was ook de mening van Wikipedia. Maar ChatGPT vertelde me dat het /bɛ/ moest zijn, zoals ik heel mijn leven gedacht had. ChatGPT zei vlakaf dat Wikipedia ernaar streeft om ‘een fonetische uitspraak voor Engelstaligen weer te geven, wat vaak onnauwkeurigheden oplevert, zeker bij Franse namen.’
Ik had dus gelijk: het is /bɛ/. Alleen hoorde ik op France 24 duidelijk dat ze daar ook /baj/ zeggen.
AI-afkeer en enthousiasme
In De Standaard is het vooral Dominique Deckmyn die over AI schrijft. Het is alsof hij twee brillen heeft om naar zijn onderwerp te kijken. Als hij zijn politieke bril opzet, is hij heel kritisch. Big Tech bedreigt onze werkgelegenheid, veiligheid, privacy, democratie, vrijheid en misschien zelfs ons voortbestaan. Als hij zijn technische bril opzet, kan hij zijn enthousiasme niet verbergen. Zie bijvoorbeeld hoe hij zijn column Technocraat van18 april afsluit:
In een handvol heel belangrijke dingen zoals softwareontwikkeling en nu ook computerbeveiliging, zijn AI-agents de afgelopen maanden zo spectaculair goed geworden dat er simpelweg geen terugkeer meer is naar vroeger.
Chatcontrol, etc.
Begin januari was er op de opiniepagina’s van De Standaard een polemiek tussen juristen. Advocaat Joris Van Cauter had J.D. Vance gelijk gegeven over de kwestie van de vrije meningsuiting in Europa (DS 6/1). Die wordt volgens Van Cauter en Vance aan banden gelegd. Van Cauter haalde onder andere aan dat de Europese Raad sancties had uitgesproken (inreisverbod, beperking op gebruik van digitale diensten) tegen de Zwitserse oudkolonel Jacques Baud vanwege het verspreiden van pro-Russische standpunten en complottheorieën. Van Cauter noemde een en ander praktijken waar de ‘voormalige DDR alleen maar van kon dromen.’
Die overdrijving werd meteen tegen hem gebruikt in het antwoord van twee professoren in EU-recht. Ik zou dat ook doen. Je moet geen stroman-argumentatie verzinnen als de opponent zelf een stroman in elkaar flanst. In hun antwoord legden de professoren dus uit dat er een heel verschil is tussen de DDR en de EU. Binnen de EU worden nieuwe wetten en regelingen, in tegenstelling tot in de DDR vroeger, heel-heel-heel lang besproken in verkozen parlementen en onverkozen commissies. Ook gaven de professoren aan dat die oud-kolonel in beroep kon gaan tegen de beslissing van de Raad. Dan zou het Hof van Justitie nagaan of de kolonel écht, en op gecoördineerde manier, complottheorieën verspreid had.
Maar dat maakt de zaak er niet veel beter op. Dat een censuurregeling veel tijd vergde en democratisch werd beslist, en dat sancties op grond van die regeling worden gecontroleerd door een gerechtelijke instantie, dat verandert niets aan de censuur zelf. Democratische en rechtstatelijke censuur is óók censuur.
De professoren geven toe dat de EU met haar nieuwe regelgeving rond ‘verspreiden van desinformatie en Russische propaganda’ vragen doet rijzen zoals
‘hoe de scheidingslijn moet worden getrokken tussen informatie, misinformatie en desinformatie, maar dat is iets helemaal anders dan niet wenselijk geachte meningen sanctioneren.’
Dat is helemaal niet iets anders! Het is precies hetzelfde. In een vrije maatschappij maakt noch de wet noch de rechter onderscheid tussen een informatie, misinformatie en desinformatie*. Er is geen censuur tegen wat sommigen desinformatie vinden, en anderen niet. Het enige aanvaardbare argument voor censuur is dat van de nationale veiligheid die bedreigd wordt door buitenlandse subversie**, en zelfs dat argument schept een gevaarlijke opening naar verdere censuur over andere onderwerpen.
Van Cauter had ook naar ChatControl gewezen als hefboom voor censuur. De professoren antwoorden daarop dat er een verschil bestaat tussen de supervisie van digitale communicatie superviseren op de verspreiding van pedofiel beeldmateriaal enerzijds en die op de verspreiding van boodschappen die strijdig zijn met de antidiscriminatiewetgeving anderzijds.
Dat is een goed voorbeeld. Vanuit principieel standpunt zou dat eerste moeten worden gecontroleerd en verboden en het tweede niet. Maar voorstanders van de vrije mening zijn bang dat de technische mogelijkheden om de pedofiele beelden te superviseren, later zullen worden aangewend om ‘discriminerende boodschappen’ te superviseren, plus eventueel andere niet wenselijk geachte meningen die na heel-heel-heel lange besprekingen in verkozen parlementen en onverkozen commissies aan de lijst van misdadige desinformatie worden toegevoegd.
* Een interessante uitzondering is wanneer een burger door een andere burger beschuldigd wordt van opzettelijke desinformatie en daarom een proces wegens laster inspant. Dan moet de rechter natuurlijk wel het onderscheid maken tussen informatie en desinformatie. Zie daarvoor de film Denial (2016) over holocaust-negationisme.
** Uiteindelijk is buitenlandse subversie ook het argument van de EU tegen de Zwitserse oud-kolonel, en de zaak bewijst hoe makkelijk dat argument kan worden misbruikt.
Slimmer
Word je slimmer van het lezen van romans dan van het kijken naar films casu quo tv-series? Ik denk het wel - ceteris paribus natuurlijk. Een caveat echter: je leest geen romans of kijkt niet naar films om slimmer te worden. Mutatis mutandis kun je dezelfde afwegingen maken over muziek maken, muziek beluisteren, videospelletjes spelen en doomscrollen op de sociale media.

Toen Tocqueville schreef dat er geen elite in de VSA was Andrew Jackson president. Jackson was van bescheiden afkomst maar werkte zich op en werd een zeer machtig en welvarend man die honderden slaven bezat. Er was misschien niet onmiddellijk een elite in de ex-kolonie, maar het duurde niet lang of ze bestond en ze leeft nog door. Er was trouwens een elite (cfr. de familie Stuyvesant van New York) in de koloniale tijd. Zo gaat het altijd: er zijn altijd mensen met talent, ambitie, wilskracht en voldoende opportunisme om om het even waar de fundering voor elites te leggen.
BeantwoordenVerwijderen