zaterdag 4 april 2026

'Positieve' en 'negatieve' vrijheid

    In een vorig stukje wees ik erop dat Ignaas Devisch een verkeerde interpretatie gaf aan Isaïah Berlins concept van ‘positieve’ vrijheid. Die fout val valt gemakkelijk te verklaren vanuit een falend geheugen. Misschien had Devisch ChatGPT kunnen gebruiken om een en ander wat op te frissen.
      Mijn eigen herinnering aan het essay dat ik meer dan 30 jaar geleden gelezen heb, was eveneens gebrekkig. Ik had bij het schrijven ChatGPT wél gebruikt, maar nu ik het essay in zijn geheel herlezen heb, besef ik dat mijn eigen commentaar evengoed fouten bevat. Als ik schrijf dat ‘positieve’ vrijheid inhoudt dat de burger ‘bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen’ heeft dat slechts weinig te maken met wat Berlin over dat begrip schrijft.
      Het is, geloof ik, gedeeltelijk de schuld van Berlin zelf dat Devisch zich vergist.  Mijn FB-vriend Ecce Ios merkte op dat de termen positief en negatief gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, zoals wanneer we spreken van een positieve uitslag van een kankertumorentest. Er is in zulke gevallen een tegenstelling tussen de beschrijvende en de evaluatieve waarde van het woord. Bij positieve vrijheid denk je spontaan aan iets positiefs, en dat is niet de strekking van Berlins verhandeling.
     Berlin wil in de eerste plaats klaarheid scheppen. Dat is ook nodig. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘vrijheid’ wordt mooi geïllustreerd door de woorden van John Winthrop (1588–1649) die door Tocqueville worden geciteerd in het begin van De la démocratie en Amérique.

Er bestaat inderdaad een soort verdorven vrijheid, die zowel bij de dieren als bij de mens gangbaar is en die erin bestaat alles te doen wat men wil. Deze vrijheid is de vijand van elke autoriteit; zij verdraagt geen regels; met haar worden wij minder dan onszelf; die vrijheid is de vijand van de waarheid en van de vrede; en God verzet er zich tegen. Maar er bestaat ook een burgerlijke en morele vrijheid die haar kracht vindt in de eenheid en die door de autoriteit moet worden beschermd: het is de vrijheid om zonder vrees alles te doen wat rechtvaardig en goed is. 

   De eerste definitie van vrijheid, die Winthrop verwerpt, is die welke J.S. Mill als uitgangspunt neemt. Berlin verwoordt het enigszins anders: de afwezigheid van dwang, verplichting of verbod. De vrijheid is in eerste instantie ‘leeg’ en je moet die zelf opvullen. De tweede formulering gaat naar de aanwezigheid (vandaar ‘positief’) van waarden om de lege vrijheid op te vullen. Bij de fanatieke puritein Winthrop is dat het goede en rechtvaardige, maar een satanist, of erger: een racist, zou die vrijheid kunnen opvullen met andere waarden.
    Iedereen beseft dat de negatieve vrijheid niet onbeperkt kan zijn. Je huivert bij de gedachte aan fanatieke puriteinen, satanisten, of erger, racisten die alles doen wat ze willen. Nu zijn er twee soorten beperkingen. De eerste soort beperking is inherent aan de negatieve vrijheid zelf, namelijk de negatieve vrijheid van andere individuen. Niemand mag jou beletten lekker je gang te gaan, maar jij mag ook niemand anders beletten lekker zijn gang te gaan. Bij Mill wordt dat dat je alles mag doen wat je wil, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat is nog altijd een zeer liberale definitie, alhoewel niet iedereen het eens zal zijn over wat schade is en wat niet.
     Maar je kunt de vrijheid ook beperken in de naam van andere waarden, zoals gelijkheid, broederlijkheid, fatsoen, deugd, onderling begrip, solidariteit, verbondenheid, respect, erkenning, veiligheid, welvaart, nationale trots, democratie, traditie, geluk, enzovoort. Berlin beweert niet dat die waarden minder belangrijk of belangrijker zijn dan vrijheid. Hij beweert in de eerste plaats dat vrijheid niet met die andere waarden mag worden verward, wat men nochtans vaak doet door te spreken van ‘nationale bevrijding’, ‘sociale ontvoogding’, ‘democratische vrijheden’, enzovoort.
       Ten tweede argumenteert hij dat er een privésfeer moet bestaan – groot of klein – waar het individu zich van die andere waarden niets hoeft aan te trekken. 
     En ten derde moet volgens Berlin de maatschappij een zeker pluralisme van waarden tolereren waarbij individuen kunnen
  beslissen welke van die waarden ze hoger of lager aanslaan, en welke keuzes ze maken als die waarden met elkaar in conflict komen.
     Het essay van Berlin is dus  een pleidooi om ‘negatieve’ vrijheid als waarde, naast andere waarden, te waarderen. Over de ‘positieve’ vrijheid is Berlin heel wat kritischer. Er is op zich niets kwalijks aan het opvullen van de negatieve vrijheid. Mill doet dat ook. Hij gelooft bijvoorbeeld dat waarheid, verbeelding, originaliteit en creativiteit mooie waarden kunnen zijn om de lege en abstracte vrijheid mee op te vullen.
     Maar Mills vulsel is van recente datum. De oudere opvatting van de positieve vrijheid is dat de mens zich moet bevrijden van zijn spontane, lage driften, en zich moet richten op het hogere in zijn natuur: de deugd en het rationeel inzicht, die dan ook nog eens door een gelukkig toeval zouden samenvallen, althans sinds Socrates.
      Alleen is er een blijvend verschil tussen de reële mens, met zijn lage driften, en de ideale mens, met zijn zuivere rationaliteit en zijn deugdzaamheid. Die reële mens heeft niet altijd een goed begrip van wat voor hem van echte waarde is, zoals zieleheil, sereniteit, heroïsme, maatschappelijke verbondenheid en lichamelijke gezondheid. De reële mens moet dus geholpen worden door wetgevers, priesters, opvoeders, filosofen, experts en ministers van Volksgezondheid, wat in het beste geval leidt tot paternalisme, en in het slechtste geval tot wrede onderdrukking.
     Dat is allemaal geen reden om de positieve vrijheid an sich te verwerpen. Een maatschappij zonder opvoeding is niet wenselijk en een maatschappij zonder repressie is een utopie. Maar het is een reden om de ‘positieve’ vrijheid met argwaan te bekijken. We moeten erkennen dat ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid niet altijd complementair zijn, maar vaak tegengesteld, en dat ‘positieve’ vrijheid gemakkelijk ontaardt in autoritair collectivisme. 
     Ten persoonlijken titel zou ik er nog aan toevoegen dat het woord ‘vrijheid’ best alleen voor het negatieve concept wordt gebruikt. Anders krijg je filosofen zoals Ignaas Devisch die zich op de positieve ‘vrijheid’ beroepen om ideeën, zoals die van Cofnas, te censureren aan de universiteit. Voor die censuur kunnen goede redenen bestaan, maar met vrijheid heeft het niets te maken.
 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten