vrijdag 3 april 2026

Besparingen op het openbaar vervoer

     Van alle deskundigen heb ik het minste vertrouwen in verkeersdeskundigen. Dat komt misschien omdat ik alleen Kris Peeters ken die in die hoedanigheid een column heeft in De Standaard. Die man, heb ik de indruk, streeft niet naar optimaal openbaar vervoer, maar naar maximaal openbaar vervoer. Maar in De Standaard van 12 maart stond nu een column van twee economen dat meer waard was dan tien stukken van Peeters.
      In het begin van hun stuk schrijven de economen dat de politieke discussie zich niet mag beperken tot ‘individuele verhalen van mensen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer.’ Welnu, ik heb zelf zo’n individueel verhaal. Indertijd legde ik het traject Menen – Grasheide verschillende keren per jaar af met het openbaar vervoer. Ik raakte tot in Mechelen met de trein, en vandaar was er elk uur een bus naar Grasheide. Ik had meestal 2 tot 3 medepassagiers. Die bus rijdt nu maar twee keer per dag meer, voor jongelui van het platteland die in Mechelen op school willen gaan, en voor jongelui van Mechelen die op het platteland op school willen gaan.  Zelf moet ik voor die verplaatsing een andere regeling zoeken, door bijvoorbeeld mijn agenda af te stemmen op die van mijn vrouw.
     En nu zeggen die professoren dat de politieke discussie niet mag worden beperkt tot mijn verhaal. Ze hebben natuurlijk gelijk. Ze leggen ook uit waar de oplossing ligt: economisch berekenen van optimale tarieven en frequenties, kostprijs afdekken door ticketverkoop, differentiatie tussen spits- en daluren, samenwerking met taxibedrijven en Uber, rekeningrijden voor auto’s. Het heeft geen zin, schrijven zij, om het  algemeen prijs- en frequentiebeleid af te stemmen op de groep van de zeer lage inkomens. Voor hen moet er een specifiek beleid zijn met bijvoorbeeld gerichte toelagen. 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten