maandag 14 juli 2025

Apache en Maarten Boudry


     Wie denkt dat alleen laagintelligente proleten de sociale media vervuilen met gescheld, moet eens de berichten en reacties bekijken waar fijne lieden met universitaire diploma’s hun mening geven over Maarten Boudry. Het lijken wel de Orwelliaanse two minutes of hate. Ik kan daar niet goed tegen.
      Wat ik evenwel nog erger vind dan dat agressieve gescheld, zijn artikels als dat van Apache waarin Boudry ‘ontmaskerd’ wordt. Het begint al met de taal van zo’n artikel – het stijltje van: Men fronst de wenkbrauwen als Maarten Boudry steevast aanschurkt tegen aangebrande pseudowetenschappers van extreem-rechts*. Ik heb de zin verzonnen, maar de lezer zal alle gebruikte uitdrukkingen en nog veel meer in het artikel zelf aantreffen.
     Mijn voornaamste bezwaar tegen het Apache-artikel is de gebruikte truc van guilt by association. Boudry is opgemerkt in het gezelschap van mensen die ooit opgemerkt zijn in het gezelschap van andere mensen die ooit opgemerkt zijn in het gezelschap van nog andere mensen, en met die laatsten is iets mis. Ik heb daar vroeger al over geschreven, en ga dat hier niet herhalen**.
      Ik wil liever iets zeggen over een andere kwestie. Boudry wordt verweten dat hij zich ophoudt in het gezelschap van pseudowetenschappers die bovendien extreemrechts zijn. Zo’n dubbele beschuldiging vind ik verdacht. Waarom is het verwijt van pseudowetenschap niet voldoende? Het is alsof een openbaar aanklager zou zeggen: ‘Edelachtbare, de beklaagde heeft niet alleen zijn vrouw vermoord; uit de getuigenissen blijkt ook dat hij op zondag vaak niet ter kerke gaat.’ Als die moord vaststaat, doet de kerkgang niet ter zake, en als de pseudowetenschap vaststaat, dan moet er over de extreemrechtse meningen van de auteur of het overspel waar hij zijn vrouw verdriet mee doet niet worden gezeurd***.
     Apache besluit:

 Boudry is duidelijk. “Ik ben een voorstander van maximale academische vrijheid en zal altijd de verdediging opnemen van onderzoekers die omwille van een ideologische heksenjacht ontslagen, opgejaagd of gecanceld worden.” Maar door te pleiten voor ongebreidelde academische vrijheid negeren Boudry & co dat ook daar ethische en wetenschappelijke grenzen aan zijn.

      Het dilemma wordt niet correct geschetst. Boudry is bij mijn weten niet tegen ethische en wetenschappelijke grenzen aan de academische vrijheid. Ik ben er in elk geval niet tegen. Er zijn ethische regels voor experimenten op dieren, en er zijn nog meer ethische regels bij experimenten op mensen, medische en andere. Maar Boudry spreekt over ‘ideologische’ grenzen – dáár is hij tegen, en ik ook. Follow the science and the evidence wherever they may lead.
     En de wetenschappelijke grenzen dan? Welja, die moeten er zijn. Academische vrijheid is niet hetzelfde als vrije meningsuiting in het algemeen. Er bestaan binnen de verschillende vakdisciplines bepaalde methodologische vereisten. Wie zich daar niet aan houdt, heeft niet het ‘recht’ om in wetenschappelijke tijdschriften te publiceren – een regel die min of meer, maar allesbehalve perfect, bewaakt wordt door het peer review proces. Wie plagieert, liegt of resultaten verzint, mag voor mijn part zijn benoeming aan de universiteit verliezen.
     Maar met die eisen voor een degelijke methodologie moet men voorzichtig zijn. Volmaakt wetenschappelijk onderzoek bestaat niet, en al zeker niet als het gaat om statistisch onderzoek dat peilt naar verbanden en verklaringen****. Verschillende wetenschappers komen tot verschillen conclusies en noemen die van hun opponenten 
‘controversieel’. De Engelse term die men in de polemiek vaak gebruikt is geloof ik ‘flawed’*****.
      Uit redelijk robuust onderzoek – al zal het op zijn manier ook wel ‘flawed’ zijn – blijkt dat wij allemaal veel strengere criteria aanleggen voor bewijsmateriaal dat onze eigen bias tegenspreekt dan voor bewijsmateriaal dat onze bias bevestigt. Dat is voor de meeste wetenschappers niet anders en het is voor leken een reden om voorzichtig te zijn als het om inhoudelijke academische controverses gaat.
      Apache haalt het geval aan van Noah Carl die artikels had gepubliceerd over een mogelijk verband tussen ras en IQ. Meer dan vijfhonderd wetenschappers hebben daar boos op gereageerd en daarop werd Noah Carl ontslagen. Dan stel ik mij twee vragen. Eén: waren er echt meer dan vijfhonderd wetenschappers nodig om de slechte methodologie van Carl vast te stellen? En twee: zouden die vijfhonderd wetenschappers even zware of nog zwaardere methodologische fouten hebben opgemerkt in een artikel dat elk verband tussen ras en IQ ontkende? Waarschijnlijk niet.
     Maarten Boudry wordt verweten dat hij, samen met onder andere Steven Pinker, Peter Singer en Jonathan Haidt, een petitie ondertekend had tegen het ontslag van Carl. Mocht ik wetenschapper zijn, ik zou zo’n petitie ook ondertekenen, uit principe, en de methodologische kwesties overlaten aan de specialisten in de materie, waarbij ik er niet automatisch van zou uitgaan dat de meerderheid onder hen gelijk heeft tegen de minderheid of de enkeling.
     Het heeft niet rechstreeks met Boudry te maken, maar Apache heeft laatst ook een open brief gepubliceerd van ‘leden van de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de Universiteit van Gent.’ Ze verwijten sommige van hun collega’s dat die ‘racistische pseudowetenschap’ bedrijven. 
     Ik citeer uit hun besluit het stukje dat mij het redelijkst lijkt:

 Wanneer we via ons onderzoek komen tot wat zo’n ongemakkelijke waarheid lijkt te zijn, is het dan ook onze academische plicht om deze te checken en dubbelchecken, om te allen prijze te voorkomen d8t dubieuze claims een legitimiteit krijgen die onterecht is, vooral als daardoor maatschappelijk onrecht veroorzaakt of versterkt wordt. 

      Wie wil kan hier een oproep tot zelfcensuur in lezen, maar de aansporing tot checken en dubbelchecken kan ik alleen beamen. Een mens is beter voorzichtig. Maar ik zou als wetenschapper vooral voorzichtig zijn om collectief het werk van een collega als ‘pseudowetenschap’ weg te zetten. Als Maarten Boudry na een uitgebreide studie concludeert dat Freuds werk ‘pseudowetenschap’ is, mag hij dat gerust schrijven. Maar als hij zich met 25 collega’s zou samenzetten om zich te distanciëren van de laatste Freudiaan aan zijn universiteit, zou ik dat nogal belachelijk vinden. En als hij een publicatieverbod voor die Freudiaan zou eisen, was Boudry een schurk.
     De legendarische Leuvense rector Piet De Somer begon het academisch jaar ooit met een rede over het ‘recht op dwaling’. Hij had gelijk. Een wetenschapper mág fouten maken. En een andere wetenschapper mág hem daarvoor terechtwijzen. En in die terechtwijzingen mógen ook weer fouten worden gemaakt. Enzovoort. Maar als wetenschappers beginnen met zich in groep te ‘distantiëren’ van dissidenten, dan zegt dat waarschijnlijk niet veel goeds over hun wetenschappelijke ernst.

 

* Nochtans is Apache erg streng als ánderen zich aan gekleurd taalgebruik bezondigen. Een van de bezwaren tegen Boudry is dat hij een petitie ondertekende tegen het ontslag van  Noah Carl. In het ‘rechtse’ blad Quillette, schrijft Apache, was een artikel geschreven met ‘de misleidende kop Cambridge geeft toe aan de meute en ontslaat een jonge wetenschapper.’ Onder ons: ik vind die titel niet zó misleidend, maar ik zou ‘meute’ vervangen door ‘een zeshonderdtal anti-racistische wetenschappers.’ En binnensmonds zou ik ze een ‘meute’ noemen.


** Hier bijvoorbeeld mijn stukje over een ander guilt-by-association artikel van Apache.


*** Op een FB-pagina vond ik formules als ‘methodologisch bescheten onderzoek waaruit verwrongen ethische conclusies worden getrokken’ en ‘papers die zowel ethisch verwerpelijk als wetenschappelijk problematisch zijn.’Dat men eerst maar eens op een nauwkeurige, en misschien zelfs faire manier nagaat hoe bescheten en problematisch het gewraakte onderzoek wel is. 


**** Mijn zoon leerde tijdens zijn artsenopleiding dat 90 procent van de medisch publicaties gebaseerd waren op slordig of ontoereikend onderzoek.


***** Het verwijt ‘flawed’ is in de wetenschap even venijnig als het verwijt ‘feitelijke onjuistheid’ in de journalistiek. Apache schrijft: ‘Zo nam Steven Pinker deel aan een podcast van Aporia, waar hij akkoord ging met de beweringen uit het controversiële boek The Bell Curve, dat intelligentie aan klasse en ras koppelt.’ Dat is nogal onnauwkeurig. Mocht ik in een slechte bui zijn, zou ik spreken van ‘feitelijke onjuistheid’. 

zaterdag 12 juli 2025

7 maanden regeringsonderhandelingen


7 maand regeringsonderhandelingen

     Tijdens de regeringsonderhandelingen heb ik mij af en toe afgevraagd waarom het allemaal zo lang moest duren. Het was vanaf het begin duidelijk dat er geen alternatief was voor Arizona. Mathematisch kon men eventueel iets doen met de PS of met Open-VLD, maar een klein kind begreep dat dat geen realistische oplossingen waren. En toch waren er 7 maanden onderhandelingen nodig om te komen tot een conclusie die op voorhand vast lag. Waarom?
      Goed, de onderhandelingen werden onderbroken door de gemeenteraadsverkiezingen. Dat heeft de onderhandelingen gedurende enkele maanden onmogelijk gemaakt. Maar de uitslag van die gemeenteraadsverkiezingen had achteraf voor een stroomversnelling moeten zorgen, en die kwam er niet. Alweer: waarom?
      Wouter Verscheldens boek De verovering van België geeft aanvaardbare antwoorden op die vraag. Veel ervan kende ik al. De vergadertijgers hadden een verschillende visie op wat goed was voor het land op de lange termijn. Daarnaast moesten ze elk een ander deel van het kiespubliek tevreden stellen op de korte termijn. Ze kwamen aan tafel met een ander rugzakje vol karaktertrekken, leeftijdskenmerken, ervaringen, vooroordelen, persoonlijke ambities, ruzies en soms zelfs lauwe vriendschappen en strategische bondgenootschappen. Dat maakt het niet makkelijk.
     Anderzijds:  al die rugzakjes veranderden niets aan de verkiezingsuitslag, en die onderhandelaars op hoog niveau zijn elk op hun manier ongeveer allemaal even sluw. Waarom duurde het dan zo lang? De prioriteitenlijstjes waren op voorhand bekend, de verkiezingsuitslag gaf aan die lijstjes een bepaald gewicht, en al het trekken en duwen kon er niet veel aan veranderen. Elke toegeving die je als partij bekwam, moest je ruilen voor een toegeving aan een andere partij. Sommige partijen twijfelden wel eens aan hun eigen prioriteiten, maar voor die twijfels heb je geen 7 maanden nodig om eruit te raken. Het compromis dat uiteindelijk werd bereikt, had ook na één maand vergaderen kunnen worden goedgekeurd. Had men goede artificiële intelligentie op de prioriteitenlijstjes en de zetelverdeling losgelaten, dan was er in enkele seconden een regeerakkoord op het scherm verschenen.
      Nu ik Verschelden gelezen heb, meen ik te weten waarom het toch zo lang duurde. Het waren de emoties angst en hoop die de hoofdrol speelden, en die eigenlijk op hetzelfde neerkwamen. Bij iedere compromis dat op tafel lag, was Conner Rousseau bang dat hij te veel had toegegeven, en leefde er bij Georges-Louis Bouchez de hoop dat hij iets beters kon krijgen. En omgekeerd. Het is in zulke zaken vooral hoop in samenhang met zelfoverschatting die het gevaarlijkst is. Iemand als Bouchez scheen er nogal van overtuigd dat hij met zijn koppigheid, slimheid, charme, overtuigingskracht, gekonkel en intimiderend geroep meer uit de brand kon slepen dan waarop hij volgens de harde cijfers recht had.
     Ook het vermogen van Bouchez om alleen te horen wat hij graag hoorde, speelde een rol. Wij hebben het allemaal, dat vermogen, maar Bouchez heeft het in de overtreffende trap. Het is een gebrek dat komt met voor- en met nadelen. Net voor het finale akkoord zou worden afgesloten belde hij alle kopstukken van zijn partij op om te vragen wat zij ervan vonden. Zij zeiden allemaal hetzelfde: ‘Het akkoord is niet ideaal, maar het is het best mogelijke en je moet het aanvaarden.’ Dat laatste deel hoorde hij niet en dus zei hij voor de zoveelste keer ‘nee’. De MR-leiders waren in paniek. ‘Maar Georges-Louis, wat doe je nu?’ Waarop hij: ‘Je hebt toch zelf gezegd dat het akkoord niet ideaal was.’

*
     Aangezien ik de partijpolitiek niet goed volg, heb ik uit het boek van Verschelden veel bijgeleerd. Ik wist bijvoorbeeld niet waarom Bouchez bij elk tv-optreden herhaalde dat hij een regering wilde ‘avec Bart De Wever.’ Nu weet ik het wel. Hij vreesde dat uiteindelijk Sander Loones of Jan Jambon premier gingen worden. Eén ding had ik kúnnen weten: dat het publieke imago van die politici niet naadloos aansluit bij hun binnenskamers gedrag. Verschelden citeert daarover uitgebreid een gesprek tussen de MR-leiders Bouchez en Clarinval:

 Er zijn twee categorieën van mensen in de Wetstraat, zo analyseert de voorzitter van de MR bij Clarinval. ‘Er is de “faux gentil”, de zogenaamd vriendelijke Mr Nice Guy. Bij uitstek iemand als Alexander De Croo: een heel aaibaar imago, precies de fijnste mens uit heel de Wetstraat. Terwijl in werkelijkheid is dát degene die in de meetings roept en tiert, u tegen de muur kan zetten en bedriegen en beliegen’, legt hij uit. ‘En dan is er de “faux méchant”. De zogenaamd valse. De Wever bij uitstek. De grote mond in de media, de man die iedereen beledigt, de grote Darth Vader. Terwijl in werkelijkheid, tot mijn verbazing, De Wever nooit roept, nooit superhard durft te zijn, en al zeker niet mensen hun arm omwringt. 

      Het feit dat hij zelf een faux gentil is, zal Bouchez wel geholpen hebben om dat onderscheid scherp te zien. Hij komt uit het verslag van Verschelden als de grootste lastpak van de bende. Prévot komt eruit als de sympathiekste, Mahdi als de kilste sociopaat. Bouchez is wel, en dat neemt mij voor hem in, een donkerblauwe liberaal. Op zeker ogenblik begint hij zelfs een ‘hele lofzang af te steken over Javier Milei, de ultraliberale Argentijnse president met zijn kettingzaag.’ Tegelijk is hij echter ook een echte Waal. Wanneer hij met De Wever overlegt over de begroting is hij brutaal eerlijk: ‘In Wallonië ligt niemand daar wakker van, Bart, dat is geen thema voor MR-kiezers.’




   

woensdag 9 juli 2025

2 x 55-plussers

 Sensitivity reading voor 55-plussers
     Op Facebook kun je plaatjes zien van verouderde gebruiksvoorwerpen met de melding ‘Als je dit herkent, ben je geboren vóór …’ Het is een soort generatietest. Peter De Caluwé, algemeen directeur-intendant van de Koninklijke Muntschouwburg, heeft een nieuwe test bedacht. Laat mensen libretti lezen van klassieke opera’s. Als ze géén struikelblokken ontdekken, zijn ze geboren vóór …’ 

    Ik heb het hier wat belachelijk voorgesteld. In werkelijkheid wil De Caluwé niet de mensen maar de libretti testen.  In Bruzz zegt hij

We proberen nu bij elke productie in te schatten wat de struikelblokken van het libretto kunnen zijn. Ziet een jongere generatie misschien problemen die een oudere niet opmerkt?

      Alleen stel ik mij de vraag of die leeftijdsvereiste voor opera-sensitivity readers niet discriminerend werkt. Hoe kan een werkloze die ouder is dan 55 jaar nu in godsnaam solliciteren voor die job als hij de problemen in libretti ‘niet opmerkt’? 

55-plus en werkloos
     De Standaard (14/6) interviewde een vijftal 55-plussers die werkloos waren. Het blijkt voor hen heel moeilijk om aan werk te geraken. Ik citeer ‘Pascal’:

Ik ben hoogopgeleid, heb boeken geschreven, was lector sociaal werk aan de hogeschool, heb een daklozencentrum gecoördineerd, heb een decennialange carrière … Maar het voorbije anderhalf jaar heb ik 52 keer ‘nee’ gehoord … Meestal kwam er gewoon geen reactie. Toen ik zes maanden na mijn ontslag op mijn 54ste nog geen job had, moest ik naar een arbeidsintegratiebureau. Dat was heel vernederend. Op een bepaald moment kwam een student aan wie ik les had gegeven, beoordelen hoe goed ik kon solliciteren. Een keer verplichten ze me te solliciteren op een HR-functie bij de Chiro, anders zouden ze me schrappen. Toen ik aankaartte bij de VDAB dat dat mij echt niet lag, zeiden ze: ‘Wees blij dat ze je geen job als poetshulp voorstellen.’

     Dat is inderdaad schrijnend. Ik kan mij in die situatie inleven. Als ik op mijn 54ste als leraar was ontslagen, en er was geen werk in het onderwijs, dan hadden ze mij misschien ook een job voorgesteld als rekkenvuller of kassier. Maar het zou ook schrijnend geweest zijn als andere rekkenvullers of kassiers belastingen hadden moeten betalen om mijn uitkering te bekostigen. Toen mijn vrouw ontslagen werd als hoofdredacteur, heeft ze zich voor alle zekerheid ingeschreven bij een poetshulpbedrijf. Gelukkig vond ze op de valreep nog een job in haar vertrouwde branche. 


Verfilmingen van Jane Austen-boeken

Pride and Prejudice
     Ik herinner mij mijn enthousiasme toen de BBC-serie Pride and Prejudice werd uitgezonden. Dat was in 1995, het begin van een Austen-revival. Ik kende toen iemand die mijn enthousiasme voor Austen deelde, maar niet voor de serie. De verfilming van 1940 met Laurence Oliver en Greer Garson vond ze beter. Ik zweeg, want ik kende die niet.
      Gisteren echter heb ik de film op Youtube teruggevonden en ik kan nu mijn dertigjarig stilzwijgen eindelijk verbreken: die film is niet beter. Het eerste kwartier loop je verloren tussen de verschillende personages. Leerlingen van mij die een boek van Austen moesten presenteren weten dat de plot zich niet makkelijk laat vertellen. De film worstelt daar ook mee tijdens de expositie. Erger zijn de kostuums. In plaats van de elegante regency kleren van 1810 heeft men de gruwelijke antebellummode van Gone With the Wind gekopieerd, wellicht om een graantje mee te pikken van het succes van die film.
     Maar Olivier is goed in zijn rol. Zijn Darcy is nogal verlegen, vergeleken met die van Colin Firth en Matthew Macfadyen. Er zijn in de film heel wat scènes toegevoegd. Zo is er een waarin Darcy aan Elisabeth wil uitleggen hoe ze een boog moet vasthouden. Het is een duidelijk geval van mansplaining, en de personages gaan er correct mee om. Elisabeth protesteert niet, maar laat zien hoe handig ze is in het boogschieten en Darcy verontschuldigt zich voor zijn faux pas. 

Bridgerton en The Buccaneers
     Vroeger werden Jane-Austenverhalen verfilmd in Victoriaanse kledij, nu worden Victoriaanse verhalen verfilmd in Jane-Austenkledij. Over de vroegere werkwijze heb ik hierboven al gewezen naar aanleiding van de klassieke Pride and Prejudice-verfilming met Laurence Olivier en Greer Garson. Ze surfte op het succes van Gone With The Wind. De nieuwe werkwijze wordt gedemonstreerd in de Apple TV-reeks The Buccaneers. Ze surft op het succes van de tv-serie Bridgerton. 

 Persuasion
     Vrouwen ergeren zich wel eens aan de mannen in hun omgeving, en het omgekeerde gebeurt ook. Je kunt daarover mooje plaatjes tekenen, zoals Peter Van Straaten dat doet, of je kunt er ideologisch mee aan de slag. Zo hebben sommige feministen het begrip mansplaining in omloop gebracht: een man die iets uitlegt aan een vrouw om zich zo superieur te kunnen voelen.
     Dat is deels een misverstand. In communicatie leggen mannen nu eenmaal meer nadruk op report en de vrouwen op rapport. Een man brengt verslag uit van feiten – een vrouw ziet hoe door dat verslag een relatie tot stand komt tussen leraar en leerling. Mijn vrouw houdt er niet van dat ik haar iets uitleg, maar ze houdt er nog minder van om iets aan mij te moeten uitleggen. 
     Ik signaleerde hierboven een voorbeeld van mansplaining in een oude verfilming van Pride and Prejudice. Een veel duidelijker voorbeeld vindt men in een nieuwe verfilming van een andere Austen-roman: Persuasion. Dat is een heel moderne verfilming, met veel zwarte acteurs die Britse upperclass personages uitbeelden, en met Dakota Jones als Anne Eliot die zich af en toe met een knipoog tot het publiek richt. Jones staat ver van de langoureuze Anne die in andere Persuasion-verfilmingen wordt opgevoerd. Ze is getekend door ontgoocheling en verdriet, zeker, maar ze blijft vitaal en ironisch – een beetje zoals we ons Jane Austen zelf voorstellen.
     Wie het boek gelezen heeft zal zich herinneren dat Louise Musgrove, de schoonzus van Anne, verliefd is op kapitein Wentworth. In een cruciale scène springt ze van de pier in Lyme om zich te laten opvangen door Wentworth. Maar in de film zijn daar twee scènes aan toegevoegd. Aan tafel laat ze zich door Wentworth uitleggen hoe ze vork en lepel moet gebruiken. En bij een wandeling vraagt ze meer uitleg over het verschil tussen een fregat en een sloep. ‘Someone has been studying,’ zegt Anne tegen de kijkers. Het is een moderne formulering, maar de observatie had van Austen zelf kunnen komen.

* Over mansplaining, zie ook mijn stukje hier.

 

De erecties van ezels

      Toen ik elf, twaalf jaar was heb ik de hele bijbel gelezen. De héle bijbel? Niet helemaal. Ik had twee pockets van elk ongeveer 300 bladzijden. Het Nieuwe Testament bevatte de hele tekst, maar het Oude Testament, merkte ik later, moet een flink ingekorte versie zijn geweest.
      Mijn lectuur kwam niet voort uit een bovenmatige godsvrucht; ik had op de kostschool gewoon weinig om handen. We zaten ongeveer drie uur per dag in de studiezaal, verdeeld over vier sessies, en ik had niet altijd een bibliotheekboek bij mij. Maar het Oude en Nieuwe Testament waren aangekocht als schoolboeken, al kan ik mij niet herinneren dat ze ooit in de klas werden gebruikt.
     Veel van de Bijbelverhalen kende ik van het vak Gewijde Geschiedenis. Maar er stonden in het Oude Testament ook verhalen die in de klas niet werden verteld, die van Esther en Judith bijvoorbeeld. Wat ik mij vandaag afvraag is hoe de redacteurs omgingen met de scabreuze passages uit die teksten. Werden die gecensureerd? In Ezechiel 23:20 wordt verteld dat Oholiba die terugverlangde naar haar minnaars met ‘erecties als die van ezels en ejaculaties als die van hengsten.’ Zou dat de ingekorte versie gehaald hebben? En zo ja, hoe werd dat geformuleerd?  In de huidige Willibrord-vertaling van de katholieken lees ik dat ze ‘brandde van begeerte naar mannen die geil zijn als ezels en toestoten als hengsten.’
     Protestantse kinderen kon men nog in de onwetendheid laten dankzij de archaïsche Statenvertaling. Oholiba werd verliefd op mannen ‘welker vlees is als het vlees der ezelen, en welker vloed is als de vloed der paarden.’ De vertalers hebben ‘als’ gecursiveerd omdat het woord niet in de oorspronkelijke tekst voorkomt. Ze hebben van de metafoor een vergelijking gemaakt, en maken de lezer daar attent op.  Maar de moderne lezer heeft andere problemen. Ik zou zonder opzoekingswerk niet eens weten wat ‘vlees’ en ‘vloed’ hier betekenen.

Kortjes

 De literaire canon
     De canon van 50 belangrijkste Nederlandse auteurs is weer aangepast. Men doet dat om de vijf jaar. Ik heb gezien dat Vondel, Multatuli, Couperus, Nescio en Elsschot er nog altijd in staan. En uiteraard enkele van de middeleeuwers. Dan ben ik al lang tevreden. 

Frank Vandenbroucke en de artsen
     De filosoof Karl Popper schreef in de jaren 50 al dat België een goede gezondszorg had, zeker vergeleken met het National Health Service in Groot-Britannië. Voor een leek in de materie, zoals ik, lijkt het dat de wij in ons land ergens een goed evenwicht hadden gevonden tussen vrijheid van artsen en patiënten enerzijds en staatsinterventie anderzijds. Als ik het goed begrepen heb, wil Frank Vandenbroucke nu veel meer staatsinterventie. ‘Meer macht … aan zichzelf,’ schrijft De Standaard (8/6).
    In ben in zulke zaken ronduit vooringenomen. Als Vandenbroucke zegt dat hij maximumnormen wil opleggen voor ereloonsupplementen, denk ik: ‘Waar moeit die zich mee? Hij moet die toch niet terubetalen vanuit zijn budget?’ Maar ik wil mijzelf ook niet te veel moeien. Ik heb echter wel een raad voor de artsen. Als ze op televisie komen, zoals een van hen enkele weken geleden, mogen ze niet klagen ‘dat ze niet rond komen.’ Ze moeten een minder lachwekkende formulering zoeken. 

Scepticisme
     In commentaren over maatschappelijke problemen zie je vaak donkere diagnoses gevolgd door rooskleurige oplossingen. Dat vloekt met mijn sceptische natuur. Mijn normale reactie is om problemen te relativeren en om oplossingen te beschouwen als wensdenken.

Gewetensnood over New York
     Als de linkse socialist Zohran Mamdani tot burgemeester van New York verkozen wordt, kom ik in gewensnood. Kan ik dan eigenlijk nog met goed fatsoen een citytrip maken naar New York? Ik kom er niet elk jaar, maar ik hou van de gedachte dat ik er elk jaar zou kúnnen komen. 
     PS. Een lezer meldde mij dat Zohran Mamdani de zoon is van filmmaakster Mira Nair. Ik geef toe dat zoiets mijn oordeel gunstig beïnvloedt. Zo voelde ik ook plaatsvervangende trots dat P.J. O
’Rourke getrouwd was met de dochter van filmregisseur Sidney Lumet, tevens de kleindochter van Lena Horn.

Paul De Grauwe en het defensiebudget
     Bij de tegenstanders van het verhoogde defensiebudget lees je vaak dat de ‘Navo vele keren meer uitgeeft aan bewapening dan Rusland,’ en men geeft dan miljardencijfers die ik niet kan onthouden. Het viel mij daarom mee dat Paul de Grauwe, ook een tegenstander, niet meedoet aan die vervalsing. In De Standaard (18/6) zei hij:

 Het globale Europese defensiebudget bedroeg in 2024 326 miljard euro. Dat van Rusland 145 miljard euro. Dat moet je natuurlijk corrigeren naar koopkracht. Maar dan nog blijft de vaststelling dat Europa minstens evenveel uitgeeft aan defensie als Rusland.

     Het is bewonderenswaardig dat De Grauwe geen optelling maakt van het Amerikaanse en het Europese budget (‘de Navo’) en dat hij vervolgens de cijfers ‘naar koopkracht’ corrigeert. Wel moet ik helaas concluderen dat Europa militair veel minder sterk is dan Rusland gezien, ik citeer,  ‘de ongelooflijke inefficiëntie van 27 nationale legers met elk hun eigen wapentuig en commandostructuur.’ Daar komt nog bij dat Rusland een minder groot budget nodig heeft omdat het bereid is om heel veel soldaten te verliezen. Iedereen weet dat Europeanen daar niet toe bereid zijn. Ze hebben dus veel meer materiaal nodig om een vijand geloofwaardig af te schrikken. 

Het vest van Jeff Bezos
    
 Toen ik beelden zag van Jef Bezos in zijn trouwkostuum, wist ik met grote zekerheid dat er iets fout aan was, en met nog grotere zekerheid dat Geraard Goossens die fout op zijn FB-pagina zou uitleggen. Nu weet ik wát er fout was. Het vest was hoog uitgesneden, wat prima is voor een zakenkostuum, maar bij een smoking zoals Bezos er een droeg, hoort een laag U-vormig uitgesneden vest. Hoe het moet, zien we in de grandioze openingsscène van The Godfather. Dat is een bijkomende reden waarom gangsters en zakenlui niet zomaar inwisselbaar zijn.  

De meerwaarde-belasting
     Eindelijk 
– eindelijk is er nu een liberaal oppositiegeluid van de liberalen, dankzij de meerwaardebelasting. ‘De enige belasting die nog niet bestond, wordt nu ingevoerd,’ zei Alexia Bertrand, woordvoerster van Open-VLD. Ze heeft gelijk. De meerwaardebelasting is een anti-middenklasse maatregel, wat jammer is voor de middenklasse, en het is een anti-investeringsmaatregel, wat jammer is voor iedereen.  Maar Bouchez heeft ook gelijk als hij in de meerwaardebelasting de prijs ziet die hij moet betalen voor andere hervormingen waar hij wél achter staat.
      Links vreest nu twee dingen: dat de meerwaardebelasting niet genoeg zal opbrengen en dat de 1 procent rijksten eraan zullen ontsnappen. Rechts moet vooral vrezen wat Lieven Sieoen – overigens een voorstander – schreef in zijn commentaar: ‘Het is een kraantje in de muur dat in de toekomst eerder opengedraaid zal worden dan weer dichtgezet.’
      (DS 2/7). 

Musk
     Men kan voor of tegen Musk zijn, maar je moet hem nageven dat hij principes heeft. Door zijn ruzie met Trump riskeert hij allerlei contracten en belastingsvoordelen te verliezen omdat hij zich verzet tegen handelstarieven en tegen de ontsporende begroting. Zelfs de linkse Democratische senator Elizabeth Warren zegt dat Musk voor één keer gelijk heeft. En ik zeg dat Elizabeth Warren voor één keer gelijk heeft.
     Maar dat hij met zijn eigen America Party veel succes zal hebben, geloof ik niet. In de boedelscheiding heeft hj alle onpopulaire standpunten meegenomen. Ook al heeft hij gelijk, ver zal hij er niet mee geraken.
    (DS 2/7)

Vlaams Belang en het onderwijs
     Miranda Ulens van het ABVV is van oordeel dat het discours van Vlaams Belang radicaliseert en aan invloed wint. ‘Maar niet iedereen schuift mee,’ schrijft ze. ‘Er zijn politici, journalisten, leerkrachten en burgers die wél weerstand bieden.’ Over de politici, journalisten en burgers wil ik niets zeggen, maar over de leerkrachten had Ulens beter gezwegen. Die moeten zich in elk geval in de klas niet bezig houden met strijd te voeren tegen de invloed van het Vlaams Belang.
     (DS 2/7)

De populisten en de grote steden
     ‘Waarom populisten steden haten,’ vraagt The Guardian-journalist Andy Becket zich af. Hij ziet nochtans niets dan voordelen in die grote steden: het zijn centra van vernieuwing, diversiteit, discussie, compromis-cultuur, ondernemerschap, pragmatisme en welvaartscreatie. Er zit veel waarheid in dat lijstje. Als Becket nu ook een lijstje zou aanleggen van de ‘grootstedelijke problemen’ zou hij misschien begrijpen waarom er niet alleen een populistisch discours bestaat maar dat het ook aanslaat bij zoveel mensen.
     (DS 2/7)

België warmt op
     Op snikhete dagen hebben we de indruk dat de zomers nu gemakkelijk 5 graden warmer zijn dan ‘vroeger’. Het is dan beter niet naar enkele uitschieters te kijken, maar naar de jaargemiddelden. Dan blijkt onze indruk niet helemáál fout. 20 jaar geleden was 10,5 graden een typisch jaargemiddelde. Rond 1850 was het nog 9,5 graden. Nu schommelen we al enkele jaren rond de 12 graden. Het is wel een geruststelling dat de wereld niet alleen uit landen als België en Spanje bestaat. Onze opwarming sinds 1850 – met 2,5 graden – is het dubbele van het wereldgemiddelde. Dat laatste is sinds 1850 slechts gestegen met 1,2 graden. 


maandag 7 juli 2025

Dyab Abou Jahjah over Palestina-acties


       Een goede vriendin stuurde mij vandaag een videofilmpje dat aanspoorde tot anti-Israëlische acties. Kort daarna zie ik op x.com een bericht verschijnen van Dyab Abou Jahah waarin hij zijn hoop uitspreekt dat zulke acties radicaler zouden worden (zie hieronder). Op de twee berichten zou ik het liefst antwoorden met wat Abou Jahah zelf schreef op 7 oktober 2023 (zie hierboven).
 
     Het is waar dat het bovenstaande bericht al snel gevolgd werd door een niet te stelpen vloed van andere berichten waarin werd ‘bewezen’ dat de Hamas-raid van 7 oktober lang niet zo wreed was als in de pers was voorgesteld. Eigenlijk wou men, aldus Abou Jahjah, met een minimum aan geweld enkele honderden gijzelaars nemen, maar de actievoerders werden daarbij beschoten door Israëlische militairen. Toen ze zich verdedigden zijn daarbij inderdaad ook burgerslachtoffers gevallen.
    Terug naar het eerste bericht van 7 oktober. Toen de bevolking met terecht afgrijzen kennisnam van de Hamas-raid, sloeg Abou Jahjah aan het moraliseren. Nu de bevolking met terecht afgrijzen dagelijks kennisneemt van de ellende in Gaza, roept Jahjah op om niet verder te moraliseren. Ik hield meer van Abou Jahah in zijn moraliserende periode.
     De berichten die Abou Jahjah vandaag verspreidt zijn van de volgende soort:

      En nu ik toch screenshots aan het posten ben, wat dacht de lezer van onderstaand FB-bericht? Ik heb de naam onzichtbaar gemaakt, maar ik ken de afzender persoonlijk en het is een verstandige, gecultiveerde man die iets afweet van geschiedenis en die enige ervaring heeft in het politieke bedrijf.  

Voor wie de printscreens op een klein scherm niet kan lezen ...

Dyab Abou Jahah op 7 oktober 2023 

‘Wij zijn als bevolking en burgers hier in het westen verdeeld over wat er in Palestina/Israël plaatsvindt. Dit zal niet veranderen. De kans is dat de verdeeldheid nog groter zal worden. Laten we dit aanvaarden als een onderdeel van de vrijheid van meningsuiting. De emoties zullen oplaaien met beelden die uit Palestina komen en zullen komen. Maar laten we het gesprek hier beschaafd en vreedzaam houden. Laten we elkaar beschermen ondanks de verschillen. Wij, allemaal, Joden, Moslims, Christenen, Agnosten, Atheïsten, pro-Palestina, pro-Israël of neutraal, wij zijn burgers van dit land. Laten we geen conflicten importeren naar onze straten en tegelijkertijd het recht op vrije mening van iedereen respecteren.’

Dyab Abou Jahah op 3 juli 2025

‘In general, most people are never really outraged by genocide. Seriously, look at historical records. People usually aren’t. They are anesthetized to it. Put to sleep by a thousand things. This will always be the case until the victims and their allies stop whispering. Until they break the script. No, the difference will not be made by the ones who tweet ‘Free Palestine’ from cafés, but disappear when things get serious, when paint hits the walls, when people block the weapons factories, when an artist says: Death to Death.
Difference is made when the moralizing stops and the disruption starts. This movement is not here to seek approval, it is here to resist and to win.’ 

Bericht op Facebook van een Palestina-sympathisant

‘De bloem die de uitgehongerde mensen van Gaza slechts met mondjesmaat kunnen halen bij uitdelingen waarbij op hen willekeurig wordt geschoten, door Israëlische huurlingen, blijkt nu bovendien te zijn vergiftigd.Wanneer worden de daders van dergelijke mensenrechtenschendingen voor een internationaal tribunaal gesleept?’



* Ik heb over Dyab Abou Jahah vroeger ook al iets geschreven zoals hier, hier en hier. 

zondag 6 juli 2025

De Ceulaer en Boudry over Gaza


De Ceulaer en Boudry over Gaza

      Joel De Ceulaer en Maarten Boudry hebben in De Morgen een kleine woordentwist uitgevochten over de Gaza-oorlog. Die twee kennen elkaar persoonlijk, delen een aantal standpunten en hebben samen ooit een boekje geschreven*. De toon is dus van beide kanten beleefd en welwillend. Alleen schrijft De Ceulaer in zijn inleiding dat hij zijn vriend komt bevrijden ‘uit de opiniefuik waarin je opgesloten zit.’ Opiniefuik, net zoals rabbit hole, vind ik een dodelijke belediging. Het woord moet niet noodzakelijk het einde van een vriendschap betekenen, maar in eervolle tijden had er minstens een duel van moeten komen, waarbij de heren dan allebei in de lucht hadden kunnen schieten.
 
     Wat nu de kern van de zaak betreft. Zoals veel anti-Hamasmensen vergelijkt Boudry de burgerdoden in Gaza met de burgerdoden in Duitsland door geallieerde bombardementen**. De Ceulaer vindt dat de vergelijking niet klopt.

 Ik ken je argumenten. Jij vergelijkt Israël met de geallieerden en Hamas met de nazi’s. Dat is een beeld waar Netanyahu ook van houdt. Maar het slaat nergens op. Nazi’s hebben ooit Europa veroverd, zoals de Romeinen destijds. In vergelijking daarmee zijn de vijanden van Israël zwak. Israël hoeft niet bevrijd te worden van Hamas, Israël moet worden beschermd tegen Hamas. Meestal lukt dat goed, met dank aan de grootste militaire macht ter wereld. Wat zeg je? Zeker: Gaza moet worden bevrijd van Hamas. Maar je bevrijdt mensen niet door hun land en hun kinderen tot as te herleiden. Denk ik, hè.

       Natuurlijk klopt de vergelijking van Boudry niet, althans niet helemaal. Omnis comparatio claudicat. En Boudry geeft dat in zijn antwoord ook toe. Maar wat De Ceulaer zegt klopt ook niet helemaal. ‘Je bevrijdt mensen niet door hun land en hun kinderen tot as te herleiden.’ Welja, dat is nochtans wat de geallieerden gedaan hebben, toen ze niet alleen Europa heroverden, maar ook Duitsland zelf van het nazisme te bevrijdden.
      De Ceulaer gebruikt trouwens ook een vergelijking die niet helemaal klopt. Hij schrijft aan zijn vriend:

Je hebt kritiek, alleen is die schaars en vaak naast de kwestie. Dat de liberale democratie in Israël kraakt, baart je zorgen. Alsof de seriemoordenaar je zorgen baart omdat hij zijn hygiëne verwaarloost.

     Ik wil het niet hebben over de vergelijking tussen Israël en een seriemoordenaar, maar over die tussen de liberale democratie en de lichaamshygiëne. Met die vergelijking wordt de liberale democratie tot een bijzaak gedegradeerd. De Ceulaer mag dat doen, maar hij mag niet vergeten dat het voor Boudry geen bijzaak is. Zonder de liberale democratie zou hij weinig redenen hebben om Israël te ‘verdedigen’ zoals dat heet.
     Zelf weet ik niet in welke mate de liberale democratie in Israël door Netanyahu wordt bedreigd. Wel geloof ik dat er mensen zijn die dat een bijzaak vinden, volgens de sentimentele redenering ‘het leven van één kind is belangrijker dan dat mooie ideaal van liberale democratie.’ Ik denk niet dat De Ceulaer tot die mensen behoort, maar mocht dat wel het geval zijn, dan moet hij maar eens denken aan het aantal kinderen dat gedood is bij de al eerder vermelde geallieerde bombardementen 
– bombardementen die mee aan de basis lagen van de naoorlogse liberale democratie in West-Duitsland.
     Veel verder wil ik mij met de vriendenruzie niet moeien***.  ‘Ja, na 7 oktober 2023 moest Israël reageren,’ schrijft De Ceulaer. Dat is een realistisch uitgangspunt waarin ik mij kan vinden. De rest – hoe ver je bij dat reageren kunt gaan – is een zaak van proporties, speculaties en geopolitiek. Ik volg die discussie wel, maar ik hou mij er zoveel mogelijk buiten.

* Aan dat corona-boekje heb ik in februari 2021 een longread gewijd. Zie hier.  

** Ik geef toe dat ikzelf bij het woord bombardementen altijd eerst aan de Tweede Wereldoorlog denk, en vooral aan de geallieerde bombardementen op Duitsland, waar mijn vader toen verbleef als gedeporteerde. En daarna denk ik aan de onnodige bombardementen op Dresden, terwijl ik toch in gedachten blijf supporteren voor de geallieerden.

*** Soms zou ik De Ceulaer willen verbeteren. Hij schrijft: ‘Het verslag over je gesponsorde Israël-reis voor de website Quillette leest als een reisbrochure.’ In plaats van ‘reisbrochure’ had ik geschreven: ‘een reportage van een fellow traveller in stalinistisch Rusland of maoïstisch China.’ Hoewel kritisch en zelfkritisch doet Boudry’s proza een beetje denken aan het reisverslag van - zeg - Alberto Moravia over de Culturele Revolutie. Het is de stijl van iemand die iets wil verdedigen tegen een algemeen vooroordeel in. Of dat vooroordeel terecht of onterecht is, doet hier niet terzake.


vrijdag 4 juli 2025

Voor particratie, tegen burgerdemocratie


     ‘Particratie’ is, zoals ‘neoliberalisme’, een woord dat bijna alleen door tegenstanders ervan wordt gebruikt. En ‘burgerdemocratie’ wordt bijna alleen door ervan voorstanders gebruikt. Toch zag ik laatst kort na elkaar twee voorbeelden van het tegenovergestelde. Eerst was er Valérie Van Peel die uit de kast kwam als voorstandster van de particratie. Van Peel:

 Ik heb altijd geloofd in de particratie, omdat een parlement met 150 Jean-Marie Dedeckers niet zou werken. Leve Jean-Marie, maar je zou alleen nog populistische statements krijgen. Eén persoon kan geen expert zijn in 137 verschillende thema’s. Partijen brengen al die expertise samen, voeren een intern debat om hun standpunten te bepalen en ondersteunen de regering. Anders krijg je chaos.

        Nu is Van Peel zelf voorzitter van een partij, en dan zou het inderdaad vreemd zijn als ze tekeer ging tegen de macht van politieke partijen is, maar het blijft vreemd dat ze dat zo vlakaf zegt, zonder rond de pot te draaien. Ik ben overigens zelf ook voorstander van ‘particratie’, zeker als je het begrip een beetje fatsoenlijk invult. Een mooie invulling is bijvoorbeeld die van Rudi Laermans (DS 3/7): 

Politieke democratie, dat is partijpolitiek conflict, de georganiseerde botsing en afweging van uiteenlopende ideologieën en belangen. Verkozen politici ontlenen hun legitimiteit juist aan die strijd. De burger stemt op de partij die volgens hem het beste aansluit bij zijn overtuigingen en besognes.

        De column van Laermans is een briljant antwoord op een eerder voorstel van acht promimenten, waaronder David Van Reybrouck, om de senaat te vervangen door een aparte kamer, een soort federaal panel van door loting aangeduide burgers en neutrale experts. Laermans noemt dat ‘burgerisme’.

Het ‘burgerisme’ vertrouwt op de zuivere rede waarin de overtuigingskracht van argumenten losstaat van ideologische opvattingen en onderliggende belangen … De deelnemers overleggen geïnformeerd en rationeel. De burger van de burgerdemocratie koestert geen uitgesproken standpunten, vergeet individuele belangen en is een passieloos wezen. Hebben we dan wel met een burger te maken?

     Je zou in de burgerkamer de zoveelste poging kunnen zien om te weten te komen wat de volonté générale is*. Dit keer moeten de burgers die dat bepalen niet moreel volmaakt zijn maar zij moeten volmaakt redelijk zijn. Je vraagt je af welke veronderstelling het verst van de werkelijkheid verwijderd is.
      Laermans gebruikt terecht het voorbeeld van het asielbeleid**, waarover hij, naar ik vermoed, een totaal andere mening heeft dan ik. Wie wil zo’n kwestie nu in godsnaam overlaten aan een burgerpanel? Ik in elk geval niet. Ik zou om te beginnen al heel weinig vertrouwen hebben in de experts die de discussies van de burgers moeten begeleiden.
     Ik ben zelfs pessimistischer dan Laermans. Hij gelooft dat het deliberatieve proces op zich nog wel tot een eenstemmige burgerkamer zou kunnen leiden. Ik betwijfel dat. Mochten mensen als Laermans en ik in die burgerkamer zitten, dan zou snel blijken dat we een zo verschillende ideologische achtergrond hebben dat eenstemmigheid ver buiten ons bereik ligt. Het enige haalbare is een compromis.
       Je zou de kans op eenstemmigheid kunnen verhogen door op voorhand de hevigste voor- en tegenstanders van bijvoorbeeld een streng dan wel laks asielbeleid van het panel uit te sluiten. Je ziet dat soms in Amerikaanse rechtbankfilms waarin een verdachte ter dood kan worden veroordeeld. De advocaat wraakt de jurykandidaten die hartstochtelijke voorstanders zijn van de doodstraf, en het openbaar ministerie wraakt de jurykandidaten die hartstochtelijke tegenstanders zijn. Maar zou het eerlijk zijn om juist die mensen van de burgerkamer uit te sluiten die hartstochtelijk in de samenlevingsproblemen geïnteresseerd zijn? Is het rechtvaardig om over brandende kwesties alleen de onverschilligen te laten delibereren?
     Dat is ongeveer de redenering die ik zou hebben gebruikt tegen de burgerkamerdemocratie. Ik zou er nog wat persoonlijke ervaringen met panel- en plenumdiscussies aan toegevoegd hebben. Hoe vaak werden die niet geleid door gewiekste manipulatoren, lieden die helaas niet zo moreel volmaakt, onbaatzuchtig en redelijk waren als utopisten dat graag zouden willen.
      Maar Laermans voegt aan de redenering een schakel toe waar ik zelf nooit op zou zijn gekomen. Veronderstel, zegt hij ongeveer, dat een burgerpanel eenstemmig een reeks verstandige, redelijke aanbevelingen zou formuleren, wat dan? Waarom zouden de andere burgers van het land die aanbevelingen moeten aanvaarden? Waarom zouden zij ze 
‘redelijk en verstandig’ moeten vinden? Omdat Laermans en Clerick ze ‘redelijk en verstandig’ vinden? Er zou in werkelijkheid al snel een kloof groeien tussen de burgers in de burgerkamer en de burgers buiten de burgerkamer, waarbij we niet mogen vergeten dat die laatsten die eersten niet eens verkozen hebben. Ze zijn met elkaar zelfs niet verbonden door die denkbeeldige draad die van het verkiezingshokje naar de zetel van de verkozene loopt.
      Men kan nu antwoorden: Clerick, die kloof waar je over spreekt is er nu ook: tussen de burger en de politiek verkozenen. Dat is waar. Om op de asielkwestie terug te komen, er is een kloof tussen het asielbeleid dat gevoerd wordt en het asielbeleid dat ik zou willen. Er is ook een kloof tussen dat asielbeleid en dat wat Laermans zou willen. Maar de kloof tussen wat wij allebei willen is nóg groter. Het is geloof ik omdat Laermans en ik dat allebei weten dat we voorstander van de representatieve democratie en van de ‘georganiseerde botsing en afweging van uiteenlopende ideologieën en belangen’ waarbij de samenleving al zigzaggend van het ene compromis in het andere rolt.
      Botsen, afwegen, zigzaggen en compromissen sluiten is een onvermijdelijk onderdeel van de democratie. Meningsverschillen horen erbij.  Laermans begint zijn stuk met de stelling dat de politieke macht meer speelruimte moet krijgen vergeleken met de ‘marktmacht’. De politici moeten meer meer middelen hebben om op te treden tegen ‘mondiaal opererende kledingsketens als Primark of techgiganten als Meta.’ Daar begint het al. Ik ben de tegenovergestelde mening toegedaan, namelijk dat de politici zich niet te veel moeten wringen tussen Primark en Meta enerzijds en hun klanten anderzijds. Alweer een moeilijke kwestie – die ik niet door een burgerkamer wil opgelost zien. 

*  Zie over het begrip volonté générale bij Rousseau ook mijn stukje hier.

** Voor een voorbeeld rond het klimaatbeleid, zie het stuk van Syp Wynia hier.

donderdag 3 juli 2025

De verplichte fietshelm


     
27 juni 2025 zal de geschiedenis ingaan als de dag dat ik akkoord ging met Kris Peeters, lector Verkeerskunde en columnist in De Standaard. Peeters is tegen de verplichte fietshelm. Ik ook. Zelfs met sommige van zijn argumenten kan ik instemmen. Goed, ja, hij spreekt van victim blaming en haalt er de prijs van de fietshelm bij, maar daar kan ik voor één keer wel tegen. 
    Peeters haalt er ook de statistiek bij. Hij beweert dat er door de verplichte fietshelm minder kilometers zullen worden gefietst, en dat minder gefietste kilometers ‘op populatieniveau’ voor meer hart- en vaatziekten zorgen. Hij heeft het wellicht bij het rechte eind, maar ik vertrouw de redenering maar half. Zullen die hart- en vaatziekten ‘op populatieniveau’ meer levensjaren kosten dan de verbrijzelde hersenpannen die door een fietshelm vermeden hadden kunnen worden.  Peeters beweert van wel, maar dat moet allemaal nogal moeilijk uit te rekenen zijn. Tegenstanders van de fietshelmverplichting citeren andere cijfers. Peeters beschuldigt hen van cherrypicking maar bij die beschuldiging word ik altijd achterdochtig. Misschien doet Peeters zelf ook aan cherrypicking. En trouwens, wat heb ik met dat populatieniveau te maken? 
      Eén argument van Peeters is mij echter uit het hart gegrepen, namelijk dat fietsen door de fietshelmverplichting ‘minder comfortabel en minder plezierig’ wordt. Dáár heeft hij overschot van gelijk. Hij beweert ook dat fietsen ‘moeilijker’ wordt omdat je altijd een helm moet meenemen. Dat gaat zeker op voor mensen als ik. Je moet zo’n helm niet alleen uit de kast halen en opzetten, je moet hem ook afzetten als je bij de winkel bent aangekomen, en wat doe je er dan mee? En thuisgekomen moet je hem weer opbergen.  Dat is allemaal niets voor mij. Ik ben bijna gestopt met fietsen toen ik besefte dat ik voor de rest van mijn leven mijn fiets iedere keer op slot zou moeten doen. En dan zwijg ik nog van de esthetische kant van het fietshelmdragen*.
     Natuurlijk blijft het aan mijn geweten knagen dat Verkeerskunde-Peeters en ik een standpunt delen. Daar zal ik mee moeten leren leven. Ik kan mij altijd troosten met de gedachte dat Bart Eeckhout – met wie ik ook liever van mening verschil – de fietshelm wél graag verplicht wil zien. Eeckhout wil niet alleen kinderen maar ook volwassenen tegen zichzelf te beschermen. ‘Met verplichtingen moeten we zuinig zijn,’ schrijft Eeckhout, maar dat zegt hij wel vaker als opstapje om weer een of andere verplichting ‘als uitzondering’ te rechtvaardigen**. Dan zet ik mijn stekels op.
     En ondertussen ben ik blij dat mijn zoon geheel vrijwillig een helm opzet als hij gaat fietsen. Maar hij heeft een racefiets. Dat is iets anders. 

*

     Op dit stukje tegen de fietshelmverplichting kreeg ik een interessant antwoord. Een zekere ‘Dirk’ vond mijn houding ‘irrationeel’.

 Ik fiets sedert begin jaren ‘90 altijd met helm. Zonder helm voelt verkeerd aan. Dat is zoals autorijden zonder de gordel vast te klikken. In de eerste 15 jaar na invoer van de gordelverplichting was er in sommige bevolkingsgroepen ook veel weerstand tegen autogordels. Ik schrijf bewust ‘sommige groepen’, want er leek een sociale differentiatie te voorschijn te komen. Verplichting of niet, veel mensen deden toen sowieso al de gordel om, een hardnekkige groep vond dat waarschijnlijk niet compatibel met hun imago. De vraag of een fietshelm dan verplicht moet gemaakt worden is een andere. Maar dan kan je natuurlijk ook de verplichting van autogordel afschaffen, of de verplichte ziekteverzekering, werkloosheidsverzekering, of waarom zou je elektriciteitsinstallatie binnenshuis moeten gekeurd worden ... Verhaaltje zonder einde.

      Tja, wat is irrationeel? De redenen waarom ik geen helm draag zijn, in volgorde: gemakzucht, comfort, esthetiek en – ik had er niet aan gedacht, maar Dirk herinnert mij eraan – imago. Daartegenover staat een verhoogd risico op een zwaar, eventueel dodelijk hersenletsel. Hoe moet ik dat rationeel afwegen? Als ik door een fietsongeluk met vermijdbaar hersenletsel voor de rest van mijn leven verlamd in bed lig, zal ik mij mijn keuze natuurlijk beklagen. Maar de kans dat dit gebeurt is klein. Als ik de komende tien, twintig jaar een hersenletsel krijg, is de kans veel groter dat dat veroorzaakt is door een beroerte. Om dié kans te verkleinen wil ik gerust dagelijks een bloedverdunner nemen.
     Dirk merkt terecht op dat de ‘verplichting’ weer andere vragen oproept. Als ik zo hevig tegen verplichting ben, wil ik dan ook af van de verplichte autogordel, de verplichte ziekteverzekering, de verplichte werkloosheidsverzekering, de verplichte elektriciteitskeuring? Daar heb ik inderdaad een mening over. Die autogordel stoort mij niet meer sinds de nieuwe, telescopische modellen zo comfortabel geworden zijn. Ik zou ook zonder verplichting een ziekteverzekering ‘grote risico’s’ nemen en ben niet tegen een verplichting daarvan. Over een werkloosheidsverzekering verkeer ik in twijfel. De verplichte keuring van elektriciteitsinstallaties vind ik rechtvaardig omdat onveilige installaties die brand veroorzaken ook schadelijk kunnen zijn voor anderen*.
     De hele redenering kan trouwens ook worden omgekeerd. Als Dirk zo vóór verplichtingen en verbodsbepalingen is, wil hij dan ook een verbod op tabak, alcohol en frietkramen? Ik volg in zulke zaken de stelregel van Bart Eeckhout die ik in mijn vorige stukje aanhaalde: ‘Met verplichtingen moeten we zuinig zijn,’ alleen ben ik nog heel wat zuiniger dan hij.
     Bij brede maatschappelijke discussies is het altijd goed om vooral naar de gebruikte argumenten te kijken. Maar ik geef toe dat ik ook graag weet welke andere omstandigheden iemand tot een standpunt aanzetten. Bij Dirk is het duidelijk: hij stelt veiligheid boven imago en weet uit ervaring dat secundaire bezwaren verdwijnen als de gewoonte een keer is ingesleten. Van traumatologen is het ook duidelijk: zij zijn het die de slachtoffers op hun operatietafel krijgen. Wat in de nationale statistiek een cijfers is ver na de komma, betekent voor hen al snel enkele tientallen gevallen per jaar.
      Het interessantste in dit verband is de opstelling van fietsbevorderaars als Kris Peeters. Die hebben er geen ‘belang’ bij dat mensen met dan wel zonder helm fietsen, als ze maar fietsen. Die fietsbevorderaars zijn vaak mensen die in andere kwesties snel naar verplichting of verbod grijpen. Het is geloof ik een beetje tegen hun natuur in dat ze tégen de fietshelmverplichting opkomen. Maar statistisch onderzoek heeft hen met de neus op de realiteit gedrukt: als de fietshelm verplicht wordt, zal er minder worden gefietst. Voor één keer was men niet op zoek naar statistieken die een mening moesten staven, men zocht naar statistieken om zich een mening te kunnen vormen. 

* Mogelijke schade aan ‘derden’ is ook weer een kwestie van proporties. Bij Patrick Loobuyck (In de ban van wij en zij) las ik laatst een voorbeeld dat mij te ver gaat. ‘Ook het verplichten van motorhelmen is gebaseerd op het schadeprincipe. Een helm beschermt niet alleen de drager zelf, maar voorkomt ook ernstige gevolgen voor anderen. Stel dat ik een motorfiets aanrijd en ik ben in fout (het kan de besten overkomen), dan maakt het voor mij een enorm verschil of de motorrijder een helm droeg. Dat kan het verschil betekenen tussen een ernstig en een dodelijk ongeval, en een trauma dat mij de rest van mijn leven kan achtervolgen.’ Kris Peeters noemt dat soort argument ‘victim blaming’. Ik noem het een gechargeerde toepassing van een correct beginsel. 


* Over de fietshelmesthetiek: zie ook mijn stukje hier. 

**De Morgen, 28/6. Het stuk van Eeckhout is een antwoord op dat van Peeters, zonder dat diens naam vermeld wordt. Het is overigens waar dat Eeckhout niet zomaar álles wil verplichten of verbieden. Zo is hij tegen een wettelijke regeling om kinderen tegen sociale media-misbruik te beschermen. Hij noemt dat ‘de overheid die bepaalt wanneer kinderen naar hun telefoon mogen kijken.’ Dát is dan weer een regeling die ik kan billijken. Zie mijn stukjes daarover hier.