Eredoctoraat voor Francesca Albanese
De eerste keer dat ik de naam van Francesca Albanese hoorde, was over de autoradio, een jaar geleden. Albanese nam een stevig pro-Palestijns en anti-Israëlisch standpunt in, wat in het Westen niet ongewoon is. Ik heb er niet veel over gezegd, want mijn vrouw zat naast mij en wij denken anders over die kwestie. Maar het stoorde mij dat dat standpunt kwam van een ‘speciaal rapporteur van de UNO voor de mensenrechtensituatie in de bezette Palestijnse gebieden.’ Israël is toch ook een lid van de UNO, dacht ik, moet zo’n rapporteur dan niet wat meer neutraliteit aan de dag leggen? En bestaat er ook zo’n ‘rapporteur’ voor de mensenrechtensituatie in Iran*?
Maar nu hebben de raden van bestuur van de VUB, de UGent en de Universiteit van Antwerpen beslist om aan Albanese een eredoctoraat toe te kennen. Daar is hier en daar wat protest tegen. De Standaard publiceerde en open brief van Joël Kotek, politicoloog, en Viviane Teitelbaum, voorzitster van Jonathas, een instituut dat het antisemitisme wil bestrijden.
Kotek en Teitelbaum roepen de drie universiteiten op om dat eredoctoraat niét uit te reiken. Ze vinden dat sommige anti-Israël uitspraken van Albanese ‘aansluiten bij het repertoire van antisemitische stereotypen’ en geven daarvan enkele voorbeelden. Ze nemen er ook aanstoot aan dat Albanese zulke uitspraken deed in de aanwezigheid van Hamas-leiders. Ook vinden ze de uitspraken van Albanese misschien wel in strijd met de racisme-wet van 1982 en de anti-negationisme-wet van 1995.
Ik ben een koele minnaar van het antisemitisme-argument, en van de wetten van 1982 en 1995 ben ik een verklaard tegenstander. Maar ook zonder die wetten vind ik de beslissing om dat eredoctoraat uit te reiken ongelukkig. In het algemeen is het beter om eredoctoraten uit te reiken voor academische of humanitaire prestaties, veeleer dan voor politiek engagement. Maar ik begrijp dat de grens tussen het humanitaire en het politieke niet altijd scherp te trekken valt**. De universiteiten zullen doen wat ze niet laten kunnen, en ondertussen ben ik al blij dat De Standaard ook eens een stuk tégen Albanese heeft geplaatst
. En toen las ik op FB een boze reactie van, dacht ik, Tom Naegels:
Als Albanese al geen eredoctoraat zou mogen krijgen, volgens deze twee doctrinair-zionistische apartheidsverdedigers en Nakba-ontkenners, waarom zouden zijzelf dan wel vereerd moeten worden met een podium in een kwaliteitskrant?
Hoe had Tom zoiets kunnen schrijven? Zo’n kinderachtige redenering! En dan: ‘doctrinair-zionistische apartheidsverdedigers en Nakba-ontkenners.’ Was dat misschien een pastiche op de stijl van de open brief? De dag erna zag ik de papieren krant, met de boze reactie als lezersbrief. Het raadsel was opgelost. De auteur was niet Tom Naegels, maar Tom Lanoye.
* Voor alle duidelijkheid: ik ben er geen voorstander van dat er zo’n Uno-rapporteur voor de mensenrechten in Iran zou komen. Kritiek op de mensenrechtenschending moet komen van individuele landen of niet-gouvernementele organisaties.
** Ook de grens tussen het academische en het politieke valt niet altijd scherp te trekken. Zie mijn stukje hier over onder andere het eredoctoraat dat de KULeuven uitreikte aan de Amerikaanse fysicus Norman Rasmussen.
De olifanten van Gaia Schoeters
Ook op de autoradio, maar recenter, hoorde ik een interview met Gaia Schoeters. De schrijfster heeft een nieuw boek uit: Het geschenk. Het gaat over Berlijn te maken krijgt met een invasie van 20.000 olifanten uit Botswana. Hoe zal de politieke wereld reageren? Volgens Schoeters gaat het om een literaire allegorie, een poging om een onderwerp bespreekbaar te make,n tegen de bestaande vooroordelen in. Het boek gaat dus, als ik het goed begrepen heb, over de olifant in de kamer.
Links, rechts en extreem
Een klassieke manier om naar politiek links en rechts te kijken is het hoefijzermodel. De twee takken stellen links en rechts voor en aan de uiteinden – de extremen – buigen ze naar elkaar toe. ‘Les extrêmes se touchent.’* Dat is een typische voorstelling voor iemand die zichzelf in het centrum waant, maar ze doet geen recht aan de assymetrie in het dominante taalgebruik. Iedereen kent het begrip ‘verrechtsing’, maar je moet je al in stevig rechtse milieus begeven om het begrip ‘verlinksing’ tegen te komen. De waarschuwing dat N-VA niet met VB mag samengaan, klinkt altijd veel luider dan die dat de socialisten niet met de PVDA mogen samengaan.
FB-vriend Geraard Goossens heeft voor die situatie een uitleg:
Rechts bevind je je op een hellend vlak, je moet áltijd opletten dat je niet afglijdt. Bij links is dat niet het geval, écht 'links' ben je nooit genoeg. Extreem-links is dan ook zonder problemen het slechte geweten van links ... Dit wil dus zeggen dat de twee extremen van het politieke spectrum een andere rol spelen: extreem-rechts is altijd een gedeformeerde, grimmige versie van rechts is; extreem-links steeds een pure, gecondenseerde versie van links. Links is eigenlijk een perversie van extreem-links en extreem-rechts is een perversie van rechts. Links is altijd bang té gematigd te zijn en rechts is altijd bang om niet gematigd genoeg te zijn.
Daar zit veel waarheid in. De centrum-linkse Louis Tobback vormde ooit in de jaren 80 een coalitie met extreemlinks; dat was met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen. Tobback noemde extreemlinks toen wel niet ‘het geweten van links’ maar dan toch ‘het zout in de soep.’ Vleierij natuurlijk, om extreem-links te paaien met woorden in plaats van met verkiesbare plaatsen op de lijst. Maar het was meer dan dat; het was ook het aanvoelen van veel traditionele socialisten: extreem-linksen houden weliswaar te weinig rekening met de realiteit, maar ze verliezen ten minste het einddoel niet uit het oog. Diep in hun hart vrezen ministrabele socialisten dat ze hun jeugdideaal vegeten zijn. Zoals Adriaan Roland-Holst dichtte:
Hebben zij het uitgerekend
Maar hier is meer aan de hand dan opspelend geweten, nostalgie naar jeugdidealen en romantische dromen van een nieuwe wind die over de wereld moet waaien. Als voor links het hoogste goed bestaat uit de sociale gelijkheid, dan is het extreme standpunt dat die gelijkheid volkomen en absoluut moet zijn. Dat is dan een ultiem streefdoel waar geheel links zich achter kan scharen.
Ter rechter zijde ziet de zaak er anders uit. Als voor (een bepaald soort) rechts het hoogste goed bestaat uit de natie**, dan zal de extreme vorm ervan dat goed nastreven ten nadele van andere naties, iets waar inderdaad slechts de grimmige extremisten zich achter kunnen scharen.
* Over het hoefijzermodel: zie hier. Het model illustreert onder andere dat extremisten van links en rechts op elkaar gelijken in hun enthousiasme voor geweld en dwang, en in hun verwerping van de liberale democratie.
** Het is overigens niet noodzakelijk om rechts te herleiden tot een of andere vorm van nationalisme. Er moeten ook conservatieve Amerikanen bestaan die individuele vrijheid als hoogste goed zien en die zich ’s avonds voor het slapengaan afvragen of ze hún idealen wel trouw gebleven zijn. Voor hen is Ayn Rand dan hun ‘slechte geweten’.

Toen FDR de VN uit zijn koker haalde, had hij zich allicht nooit kunnen voorstellen wat deze aanvankelijk respectabele organisatie sedert de jaren 60 werd: een agitprop- forum voor allerlei communistische bananendictatortjes en een werkverschaffingsentiteit (in Vl. ook wel postjesbak genoemd) voor terroristen- en islam-knuffelaars als Albanese en andere links-liberale tot extreem-linkse Israël-detractoren. En eveneens een financieringsentiteit voor terreur groepen zoals UNRWA.
BeantwoordenVerwijderenIk vraag me af waarom Trump dezez parasitaire instelling al niet lang uit NY verbannen heeft. Lenin Moreno deed het wel met de castro-chavistische UNASUR -zetel die hij een paar jaar geleden sloot in Quito.
"Als Albanese al geen eredoctoraat zou..." enzovoort: het was een Tom, maar niet Tom Naegels.
BeantwoordenVerwijderenAaargh, ik heb te snel gereageerd, zonder verder te lezen. Schaamte. Kan ik bovenstaande deleten? Nee zeker?
Verwijderen