Ik heb de nieuwe verfilming van de Odyssea gezien in de IMAX-zaal in Brussel. Ik zat pal in het midden van de eerste rij – de enige plaats die nog vrij was toen ik op de dag van de première een ticket kocht. Ik kan die zitplaats voor een IMAX-voorstelling aan iedereen afraden. Anderzijds moet ik toegeven dat het gevoel van misselijkheid na een kwartier weer verdwijnt.
De film bevat veel gevechten. Die worden helemaal anders gekadreerd en gemonteerd dan in Troy (2004): minder overzichtelijk, minder gestileerd, meer ruwe chaos. Meer Géricault dan Louis David. Meer de Le radeau de Méduse dan Les Sabines. Bij de stills van Troy kon je er geloof ik de vechtende figuurtjes met een schaar uitknippen. Dat zou met de film van Christopher Nolan, met al dat gewriemel van lijven en ledematen, niet lukken, met uitzondering misschien van de scène met de Laestrygonen, de geharnaste reuzen die je op de reclameposter ziet afgebeeld.
Door die poster had ik trouwens een vooroordeel tegen de film: die harnassen waren naar mijn smaak te middeleeuws en de helm van Odysseus te Romeins. Maar in de film valt het mee: er worden zoveel stijlen door elkaar gemengd – zoals in Game of Thrones – dat je je er al snel niet meer aan stoort. Agamemnon heeft een mantel als Darth Vader en een helm als Batman, en het werkt. Het Odysseus-verhaal is een sprookje, en is dat altijd geweest.
Ook aan de zwarte Helena heb ik mij veel minder gestoord dan ik had verwacht. Het was maar een heel kleine rol, en het was tenminste geen zwarte Anne Boleyn; want dat is, ik ben daar streng in, mijn rode lijn. Maar dat de aanpak van een historische film mee evolueert met de conventies van het tijdperk, daar kan ik niet te zwaar aan tillen. Het was zo in de jaren 50, en het is vandaag nog altijd zo – maar anders. De fantasy-wereld van Nolans Odyssey lijkt in meer dan een opzicht – thematiek, psychologie, moreel universum, taal – op de westerse wereld van vandaag. Die is anders dan de Myceense beschaving van 1200 voor Christus, anders dan de Ionische beschaving van 700 voor Christus, en anders dan de Hollywood-beschaving van 1950 na Christus.
In de film wordt de raciale diversiteit van de westerse wereld van vandaag gewoon overgeplant naar de half-mytische wereld van de Achaeërs – die in de film trouwens ook niet ‘langharig’ zijn zoals ze nochtans door Homeros worden genoemd. Helena is zwart, haar zus Clytaemnestra is zwart, Athena en Agamemnon zijn niet blank, en de mannen van Odysseus vormen een bont allegaartje. De film opent met een zwarte rapsode die een primitieve versie van het Troje-epos declameert.
Het is, lijkt mij, een kwestie van proporties. Die rapsode en die manschappen, daar zal bijna niemand over vallen; Helena en Clytaemnestra in die bijrollen, tot daar aan toe*; een zwarte Odysseus of Penelope daarentegen, dat zou een knieval voor woke, een bewuste provocatie, en een commerciële blunder geweest zijn.
Eigenlijk gelijkt The Odyssey heel goed op de sandalenfilms van mijn kindertijd, alleen is alles beter gemaakt: de toon is waardiger, de vertelling is subtieler, de interieurs zijn beter doordacht, de karakters zijn genuanceerder, de dialogen – hoe plechtig ook – klinken natuurlijker, en wat de special effects betreft, op dat vlak is er geen vergelijking mogelijk. Die minotaurussen en vechtende skeletten van 60 jaar geleden zijn nu niet meer om aan te zien; en dat waren zij bij het verschijnen van die films ook al niet. Als kind werd ik door schaamte bevangen als ik het ‘brandend braambos’ of de ‘splitsing van de Rode Zee’ op het scherm zag. Special effects zijn trouwens niet alleen een kwestie van techniek, maar ook van goede smaak. Stel: je moet een enogige cycloop opvoeren. Hoe vermijdt je dat het wezen er belachelijk uitziet in plaats van angstaanjagend?
Twee scènes die ik gemist heb zijn de ontmoeting met Nausicaa en het gesprek tussen Odysseus en Achilles in de onderwereld. In beide gevallen begrijp ik waarom Nolan de scènes heeft laten vallen en moet ik hem gelijk geven: de samenhang van het verhaal wint bij de weglating. Uit de bekende scène met de hond heeft hij dan weer het grootst mogelijke emotionele effect gehaald.
Een eindoordeel over de film schort ik op. Ik wil hem eerst eens zien in een gewone bioscoop vanop achterste rij. Maar je ziet dat er over alles is nagedacht. Dat is het voordeel van iets te maken dat al vaak gemaakt is. Dat paard, hoe moet er dat uitzien? Primitief gesculpteerd zoals in de verfilming met Steve Reeves (1961)? Of duidelijk samengesteld uit wrakstukken zoals in de film van Wolfgang Petersen? Laten we er iets moois van maken moet Nolan gedacht hebben, iets geheimzinnigs waarvan je niet goed ziet of het van brons of van hout gemaakt is. En waarom zouden we het niet laten steigeren? Ja, waarom niet? En dan begraven we het half in het zand. En dan naar de stad laten slepen, zonder wielen eronder. Dat zal cool zijn.
.* In de Odyssea-verfilming van 1997, die ik zo vaak met mijn zoon gezien heb toen hij een jaar of acht was, werd Calypso ook al gespeeld door een zwarte actrice, Vanessa Williams.

Zonder de film gezien te hebben, denk ik dat hij de Oscar voor de slimste marketingcampagne verdient.
BeantwoordenVerwijderen