zondag 29 maart 2026

StuBru-iconoclasten, e.a.


StuBru-iconoclasten
      Ik heb ze niet speciaal gezocht, de verontwaardigde commentaren aangaande de Stubru-iconoclasten, maar ik heb er toch een aantal zien voorbijkomen, van links en van rechts. Rechts was verontwaardigd over het stukslaan van de beelden, en links was verontwaardigd over die verontwaardiging: men had over iets ánders verontwaardigd moeten zijn.
   
     Een stuk dat representatief was voor rechts was geschreven door Joren Vermeersch. Hij vindt dat zulke respectloze humor niet mag worden uitgezonden door een openbare omroep die betaald wordt met het geld van alle – ook de katholieke – belastingbetalers. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat zoiets wél moet kunnen, zeker op zenders waarvan we geredelijk kunnen veronderstellen dat ze weinig katholieken onder hun publiek hebben.
     Vermeersch schrijft ook dat men ‘doelbewust op de ziel van elke katholiek getrapt heeft.’ Dat is zeer twijfelachtig. Als je die StuBru-mensen achteraf hoorde, bleek juist dat ze niét doelbewust, maar eerder ondoordacht te werk waren gegaan. Vandaar dat de katholieke districtburgemeester van Antwerpen Paul Cordy een van hen een ‘stom kalf’ noemde. Met die onkarakteristieke uitspraak bewijst Cordy echter dat er inderdaad op zijn ziel is getrapt. Maar dat betekent weer niet dat er op de ziel is getrapt van élke katholiek. Van véél katholieken, dát geloof ik wel.
     Wat mij in deze reacties van Vermeersch en Cordy geweldig meevalt is dat ze de smakeloze actie aangrijpen om nog eens – tegen hun eigen belangen in zou je kunnen zeggen – de vrije mening te verdedigen. Zij maken tenminste het elementaire onderscheid tussen laakbaarheid en juridisch verbod. Vermeersch schrijft: 

Valt dit nog onder vrije meningsuiting? Wat mij betreft wel, ook al vind het het, naast stupide, moreel verwerpelijk.   

En Cordy schrijft:

Zolang je niet het bezit van een ander, of een stuk erfgoed, stukslaat is dat in een vrije samenleving toelaatbaar. Het getuigt misschien van weinig respect, maar respect is niet altijd een verplichting. Beeldenstormerij getuigt wellicht van intellectuele armoede, maar goed, ook daar hebben mensen recht op.

     Bij links ligt die reflex veel minder voor de hand. Het eerste voorbeeld dat mij te binnenschiet is het autobiografische boekje Another Life, van de Grieks-Zweedse schrijver Kallifatides. Daarin legt hij uit waarom hij destijds geweigerd had de vrije mening van de Charlie Hebdo-redactie te verdedigen. Hij vond dat de vrije mening geen ‘recht op belediging’ inhield. De moslims – de zwakkeren in de samenleving – waren door de cartoons beledigd. In het algemeen mocht er niet worden gespot met godsdienst, want daarmee werd ‘op de ziel getrapt’ van mensen als zijn gelovige grootmoeder, die zoveel had meegemaakt in het leven. Ook had Voltaire nooit gezegd dat je de vrijheid moest verdedigen van meningen waar je niet mee akkoord ging, en bovendien bedoelde hij iets anders. En ten slotte waren spottende afbeeldingen van Mohammed niet beter dan nazi-vlugschriften destijds waarin Grieken als apen werden voorgesteld.
       Een ding moet ik Kallifatides nageven: hij heeft een repliek gevonden op de oude wijsheid: Sticks and stones will break my bones, but words can’t hurt me. Zijn antwoord, dat hij aan zijn grootmoeder toeschrijft, luidt: Words have no bones, but they can break bones. Het is aardig, maar toch heel wat minder leuk dan het origineel. Van de treffende wissel van trochee naar jambe schiet in het vormloze ritme van het alternatief niets meer over;  het rijm stones/bones is vervangen door een rime riche bones/bones, wat meestal onhandig klinkt; en van de mooie assonantie words/hurt blijft niets meer over. Maar misschien klonk de boutade beter in het Grieks of het Zweeds.


Democratisering van het onderwijs
      Het vlag 
democratisering van het onderwijs’ kan verschillende ladingen dekken. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer inspraak van de leerlingen moet komen in het schoolbeleid of dat de leraren hun directeur mogen verkiezen. Maar het vaakst bedoelt men dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle klassen van de bevolking. Arbeiderskinderen moeten evengoed hoogwaardig onderwijs kunnen genieten als de kinderen van dokters, notarissen en fabrikanten.
      Toen uit onderzoek in de jaren 60 bleek dat de barrières voor het onderwijs niet alleen van financiële aard waren, rees bij politiek links het idee dat er ook aan de inhoud van het onderwijs moest worden gemorreld. Bijna niemand durfde dat openlijk zo zeggen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat het onderwijs gemakkelijker en minder veeleisend moest worden. Woorden als ‘communicatiever’, ‘procesgericht’, ‘minder theoretisch’, ‘geïntegreerd’ moesten die nivellering camoufleren.
     Die verwarring vanaf de jaren 70 tussen democratisering en nivellering inspireerde de aardige spotternij ‘Free distribution of diploma’s among the deserving poor.’ Vandaag hebben we de FB-stukjes van leraar Frank D’hanis. Mocht ik mij tot spot aangetrokken voelen, dan zou ik ze samenvatten als ‘Minder taken en makkelijker toetsen voor het werkmanskind.’


Rechtvaardige oorlog in Iran
     Het interview met geopolitiek analiste Michelle Haas in De Morgen (21/3) is heel goed. Ik heb onmiddellijk het boek besteld, maar ik moet eerst nog de dikke pil van Tocqueville gelezen krijgen. Haas gelooft dat De Wever een fout maakte door te spreken over ‘de oorlog die Oekraïne niet kan winnen.’ Ik heb in mijn stukje gewezen op het mogelijke voordeel van dergelijke uitspraken. Maar dat er nadelen aan verbonden zijn, is zeker. 
     Haas is van oordeel dat sommige oorlogen rechtvaardig kunnen zijn, en dat zoiets niet volledig afhangt van de formele legaliteit, of van het strikt defensieve karakter, ervan, maar bijvoorbeeld ook van de gevolgen. Ze vergelijkt bijvoorbeeld de oorlog tegen de Ayatollahs met die tegen het Qadhafi. Hieronder volgt een stukje uit het interview

  •  Is de oorlog in Iran rechtvaardig? Er was geen imminente dreiging. Israël greep de kans om Khamenei en zijn entourage uit de weg te ruimen. Zo is het toch begonnen?
  • Zo is het begonnen, we weten niet waar het zal eindigen … Er is veel denkbaar, maar het is niet totaal uitgesloten dat op haast miraculeuze wijze de democratische krachten de overhand nemen. Dat is niet de prioriteit van de VS en Israël, maar het zou kunnen. En als de democratie in Iran wint, verandert ons oordeel wellicht.
  • Een oorlog die zonder legitiem mandaat begint, kan rechtvaardig eindigen?
  • Absoluut. Voor mij is dat ethisch gezien mogelijk. De situatie waarin de Iraanse bevolking zich na een democratische shift zal bevinden, is rechtvaardiger dan hun bestaan onder repressie … Het kan ook andersom, in Libië begon de oorlog met een legitiem mandaat en eindigde het in chaos. De uitkomst bepaalt voor mij in hoge mate of een oorlog rechtvaardig is. … We moeten wel een eerlijk gesprek kunnen voeren: welke crisis verdient onze aandacht? En is de inzet van militaire middelen in bepaalde situaties gerechtvaardigd?
  • Is het in Iran gerechtvaardigd?
  • Waarschijnlijk niet. Omdat de intentie van Israël en de VS niet het welzijn van de Iraanse bevolking is. Je mag het internationale recht schenden … maar alleen met humanitaire bedoelingen.

     Ik ben het daar allemaal mee eens, behalve met die laatste hasty generalization. Humanitaire bedoelingen zijn volgens mij maar één aspect om de rechtvaardigheid van een oorlog te beoordelen, naast de legaliteit, de gevolgen, de defensieve aard, de rules of engagement,  en de verantwoordelijkheidszin van de regeringsleiders. Maar ik verondertel dat Haas daar wel mee akkoord zal gaan. 


‘Positieve’ en ‘negatieve vrijheid’

     In een vorig stukje wees ik erop dat Ignaas Devisch een verkeerde interpretatie gaf aan Isaïah Berlins concept van ‘positieve’ vrijheid. Die fout val valt gemakkelijk te verklaren vanuit een falend geheugen. Misschien had Devisch ChatGPT kunnen gebruiken om een en ander wat op te frissen.
      Mijn eigen herinnering aan het essay dat ik meer dan 30 jaar geleden gelezen heb, was eveneens gebrekkig. Ik had bij het schrijven ChatGPT wél gebruikt, maar nu ik het essay in zijn geheel herlezen heb, besef ik dat mijn eigen commentaar evengoed fouten bevat. Als ik schrijf dat ‘positieve’ vrijheid inhoudt dat de burger ‘bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen’ heeft dat slechts weinig te maken met wat Berlin over dat begrip schrijft.
      Het is, geloof ik, gedeeltelijk de schuld van Berlin zelf dat Devisch zich vergist.  Mijn FB-vriend Ecce Ios merkte op dat de termen positief en negatief gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, zoals wanneer we spreken van een positieve uitslag van een kankertumorentest. Er is in zulke gevallen een tegenstelling tussen de beschrijvende en de evaluatieve waarde van het woord. Bij positieve vrijheid denk je spontaan aan iets positiefs, en dat is niet de strekking van Berlins verhandeling.
     Berlin wil in de eerste plaats klaarheid scheppen. Dat is ook nodig. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘vrijheid’ wordt mooi geïllustreerd door de woorden van John Winthrop (1588–1649) die door Tocqueville worden geciteerd in het begin van De la démocratie en Amérique.

Er bestaat inderdaad een soort verdorven vrijheid, die zowel bij de dieren als bij de mens gangbaar is en die erin bestaat alles te doen wat men wil. Deze vrijheid is de vijand van elke autoriteit; zij verdraagt geen regels; met haar worden wij minder dan onszelf; die vrijheid is de vijand van de waarheid en van de vrede; en God verzet er zich tegen. Maar er bestaat ook een burgerlijke en morele vrijheid die haar kracht vindt in de eenheid en die door de autoriteit moet worden beschermd: het is de vrijheid om zonder vrees alles te doen wat rechtvaardig en goed is. 

   De eerste definitie van vrijheid, die Winthrop verwerpt, is die welke J.S. Mill als uitgangspunt neemt. Berlin verwoordt het enigszins anders: de afwezigheid van dwang, verplichting of verbod. De vrijheid is in eerste instantie ‘leeg’ en je moet die zelf opvullen. De tweede formulering gaat naar de aanwezigheid (vandaar ‘positief’) van waarden om de lege vrijheid op te vullen. Bij de fanatieke puritein Winthrop is dat het goede en rechtvaardige, maar een satanist, of erger: een racist, zou die vrijheid kunnen opvullen met andere waarden.
    Iedereen beseft dat de negatieve vrijheid niet onbeperkt kan zijn. Je huivert bij de gedachte aan fanatieke puriteinen, satanisten, of erger, racisten die alles doen wat ze willen. Nu zijn er twee soorten beperkingen. De eerste soort beperking is inherent aan de negatieve vrijheid zelf, namelijk de negatieve vrijheid van andere individuen. Niemand mag jou beletten lekker je gang te gaan, maar jij mag ook niemand anders beletten lekker zijn gang te gaan. Bij Mill wordt dat dat je alles mag doen wat je wil, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat is nog altijd een zeer liberale definitie, alhoewel niet iedereen het eens zal zijn over wat schade is en wat niet.
     Maar je kunt de vrijheid ook beperken in de naam van andere waarden, zoals gelijkheid, broederlijkheid, fatsoen, deugd, onderling begrip, solidariteit, verbondenheid, respect, erkenning, veiligheid, welvaart, nationale trots, democratie, traditie, geluk, enzovoort. Berlin beweert niet dat die waarden minder belangrijk of belangrijker zijn dan vrijheid. Hij beweert in de eerste plaats dat vrijheid niet met die andere waarden mag worden verward, wat men nochtans vaak doet door te spreken van ‘nationale bevrijding’, ‘sociale ontvoogding’, ‘democratische vrijheden’, enzovoort.
       Ten tweede argumenteert hij dat er een privésfeer moet bestaan – groot of klein – waar het individu zich van die andere waarden niets hoeft aan te trekken.
     En ten derde moet volgens Berlin de maatschappij een zeker pluralisme van waarden tolereren waarbij individuen kunnen
  beslissen welke van die waarden ze hoger of lager aanslaan, en welke keuzes ze maken als die waarden met elkaar in conflict komen.
     Het essay van Berlin is dus  een pleidooi om ‘negatieve’ vrijheid als waarde, naast andere waarden, te waarderen. Over de ‘positieve’ vrijheid is Berlin heel wat kritischer. Er is op zich niets kwalijks aan het opvullen van de negatieve vrijheid. Mill doet dat ook. Hij gelooft bijvoorbeeld dat waarheid, verbeelding, originaliteit en creativiteit mooie waarden kunnen zijn om de lege en abstracte vrijheid mee op te vullen.
     Maar Mills vulsel is van recente datum. De oudere opvatting van de positieve vrijheid is dat de mens zich moet bevrijden van zijn spontane, lage driften, en zich moet richten op het hogere in zijn natuur: de deugd en het rationeel inzicht, die dan ook nog eens door een gelukkig toeval zouden samenvallen, althans sinds Socrates.
      Alleen is er een blijvend verschil tussen de reële mens, met zijn lage driften, en de ideale mens, met zijn zuivere rationaliteit en zijn deugdzaamheid. Die reële mens heeft niet altijd een goed begrip van wat voor hem van echte waarde is, zoals zieleheil, sereniteit, heroïsme, maatschappelijke verbondenheid en lichamelijke gezondheid. De reële mens moet dus geholpen worden door wetgevers, priesters, opvoeders, filosofen, experts en ministers van Volksgezondheid, wat in het beste geval leidt tot paternalisme, en in het slechtste geval tot wrede onderdrukking.
     Dat is allemaal geen reden om de positieve vrijheid an sich te verwerpen. Een maatschappij zonder opvoeding is niet wenselijk en een maatschappij zonder repressie is een utopie. Maar het is een reden om de ‘positieve’ vrijheid met argwaan te bekijken. We moeten erkennen dat ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid niet altijd complementair zijn, maar vaak tegengesteld, en dat ‘positieve’ vrijheid gemakkelijk ontaardt in autoritair collectivisme.
     Ten persoonlijken titel zou ik er nog aan toevoegen dat het woord ‘vrijheid’ best alleen voor het negatieve concept wordt gebruikt. Anders krijg je filosofen zoals Ignaas Devisch die zich op de positieve ‘vrijheid’ beroepen om ideeën, zoals die van Cofnas, te censureren aan de universiteit. Voor die censuur kunnen goede redenen bestaan, maar met vrijheid heeft het niets te maken.
 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten