Een klassieke manier om naar politiek links en rechts te kijken is het hoefijzermodel. De twee takken stellen links en rechts voor en aan de uiteinden – de extremen – buigen ze naar elkaar toe. ‘Les extrêmes se touchent.’* Dat is een typische voorstelling voor iemand die zichzelf in het centrum waant, maar ze doet geen recht aan de assymetrie in het dominante taalgebruik. Iedereen kent het begrip ‘verrechtsing’, maar je moet je al in stevig rechtse milieus begeven om het begrip ‘verlinksing’ tegen te komen. De waarschuwing dat N-VA niet met VB mag samengaan, klinkt altijd veel luider dan die dat de socialisten niet met de PVDA mogen samengaan.
FB-vriend Geraard Goossens heeft voor die situatie een uitleg:
Rechts bevind je je op een hellend vlak, je moet áltijd opletten dat je niet afglijdt. Bij links is dat niet het geval, écht 'links' ben je nooit genoeg. Extreem-links is dan ook zonder problemen het slechte geweten van links ... Dit wil dus zeggen dat de twee extremen van het politieke spectrum een andere rol spelen: extreem-rechts is altijd een gedeformeerde, grimmige versie van rechts; extreem-links steeds een pure, gecondenseerde versie van links. Links is eigenlijk een perversie van extreem-links en extreem-rechts is een perversie van rechts. Links is altijd bang té gematigd te zijn en rechts is altijd bang om niet gematigd genoeg te zijn.
Daar zit veel waarheid in. De centrum-linkse Louis Tobback vormde ooit in de jaren 80 een coalitie met extreemlinks; dat was met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen. Tobback noemde extreemlinks toen wel niet ‘het geweten van links’ maar dan toch ‘het zout in de soep.’ Vleierij natuurlijk, om extreem-links te paaien met woorden in plaats van met verkiesbare plaatsen op de lijst. Maar het was meer dan dat; het was ook het aanvoelen van veel traditionele socialisten: extreem-linksen houden weliswaar te weinig rekening met de realiteit, maar ze verliezen ten minste het einddoel niet uit het oog. Diep in hun hart vrezen ministrabele socialisten dat ze hun jeugdideaal vegeten zijn. Zoals Adriaan Roland-Holst dichtte:
Hebben zij het uitgerekend
Maar hier is meer aan de hand dan opspelend geweten, nostalgie naar jeugdidealen en romantische dromen van een nieuwe wind die over de wereld moet waaien. Als voor links het hoogste goed bestaat uit de sociale gelijkheid, dan is het extreme standpunt dat die gelijkheid volkomen en absoluut moet zijn. Dat is dan een ultiem streefdoel waar geheel links zich achter kan scharen.
Ter rechter zijde ziet de zaak er anders uit. Als voor (een bepaald soort) rechts het hoogste goed bestaat uit de natie**, dan zal de extreme vorm ervan dat goed nastreven ten koste van andere naties, iets waar inderdaad slechts de grimmige extremisten zich achter kunnen scharen.
* Over het hoefijzermodel: zie hier. Het model illustreert onder andere dat extremisten van links en rechts op elkaar gelijken in hun enthousiasme voor geweld en dwang, en in hun verwerping van de liberale democratie.
** Het is overigens niet noodzakelijk om rechts te herleiden tot een of andere vorm van nationalisme. Er moeten ook conservatieve Amerikanen bestaan die individuele vrijheid als hoogste goed zien en die zich ’s avonds voor het slapengaan afvragen of ze hún idealen wel trouw gebleven zijn. Voor hen is Ayn Rand dan hun ‘slechte geweten’.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten