Bonny over ‘Sancta’
Het beste aan Johan Bonny’s stuk (DS 1/4) over de ‘Sancta’-voorstelling is dat hij het gewoon in de krant plaatste, en niet op de radio voorlas. Dat zalvende katholieke toontje van hem is onverdraaglijk. ‘Leren ze dat op de priesterschool?’ vroeg mijn vrouw onlangs. En niet alleen de Vlaamse katholieken hebben dat. Als je op France 2 een mis hoort opdragen, hoor je het zelfde toontje dat onvermijdelijk de indruk van schijnheiligheid wekt.
Dat Bonny de katholieke jongeren oproept om niét te betogen tegen de voorstelling maakt de zaak er niet beter op. Betogen is, binnen zekere perken, een onderdeel van de vrije meningsuiting. Maar daar wringt, geloof ik, de schoen. Mensen als Bonny houden niet zo van het vrije woord als het over godsdienst gaat. Het vrije woord is allemaal goed en wel, tot ze ‘diep gekrenkt worden’. Ik had eigenlijk liever gehad dat Bonny wél opriep tot betogen, zoals zijn katholieke medestandster Mia Doornaert doet in haar column. Zolang die katholieke jongeren maar niet betogen voor de herinvoering van de oude wet op godslastering. Die wet is in 2018 gecremeerd en kan beter niet uit haar as te herrijzen.
Tegen de gevoelens van Bonny kan ik niets inbrengen. Wat iemand voelt, schrijft Elsschot, gaat een ander niet aan. En dat hij bepaalde dingen dieper voelt tijdens de Goede Week is ook helemaal zijn zaak. Maar wanneer hij begint te argumenteren, voel ik mijn vingers jeuken. Hij vergelijkt, langs een sluwe omweg, de opvoering van een blasfemische opera met de dreiging van geweld tegen de Joodse gemeenschap in Antwerpen. Dat is één van de slechte vergelijkingen in zijn betoog.
Bonny schrijft dat de opvoering van ‘Sancta’ niet bijdraagt tot de ‘interreligieuze of levensbeschouwelijke dialoog in ons land’. Welnee, en moet dat dan? Hij schrijft dat ‘geen enkel recht op zichzelf bestaat.’ Misschien niet, maar het recht op het vrije woord komt dicht in de buurt. Hij schrijft dat de initiatiefnemers van Sancta ‘zich niet kunnen verbergen achter het recht op ‘artistieke vrijheid’. Maar natuurlijk kunnen ze dat wel. De artistieke vrijheid is een oud en respectabel argument. Zelfs toen pornografische literatuur in Engeland en de VS nog wettelijk verboden was, werd door de rechters rekening gehouden met de artistieke waarde van een werk. Professoren in de literatuurwetenschap kwamen voor de rechtbank getuigen dat volgens hen Lady Chatterley’s Lover wél literaire kwaliteiten had.
Na drie alinea’s rond de pot draaien, schrijft Bonny wat hem eigenlijk echt zo diep gegriefd heeft, niet bij het zien van een stuk, want hij heeft het stuk niet gezien, maar bij de gedáchte dat een stuk, dat hij niet gezien heeft, wordt opgevoerd.
Evenmin past het om een nudistische persiflage te maken van het religieuze leven van zusters. Uiteraard voelden religieuzen zich diep gekrenkt door die banale parodie.
Ik ken het stuk niet, maar hier neemt Bonny niet eens aanstoot aan spot met God of godsdienst, maar met de kerk. Nochtans behoort antiklerikale spot tot een traditie die zelfs in de katholieke middeleeuwen gedoogd en gewaardeerd werd. Ik wees daarop in mijn lessen literatuur als het ging over Karel ende Elegast, La Divina Comedia, Il Decamerone, Van den vos Reynaerde en zekere gedichten van Anthonis De Roovere. Dat de kerkmensen zelf daar niet mee kunnen lachen, begrijp ik. Nul n’est tenu à l’impossible.
En dan komt er ook nog eens nudisme aan te pas: blote borsten! Is het dan die naaktheid op zich waar de bisschop van wakker ligt? Niet helemaal.
‘Ik heb niets tegen naakte dames,’ verklaarde Bonny in Terzake. ‘Mij gaat het om de identificatie met het religieuze leven. De actrices hebben allemaal een zusterkap aan … Als er een volk kan lachen, dan zijn het de christenen en de katholieken. Als het om naakt gaat, ga naar de kathedraal. Daar hangt sinds de tijd van Rubens meer dan genoeg. Humor hebben we wel, hier gaat het om respect voor mensen.’
Ach die hedendaagse pastoors. Ze hebben geen probleem met naakt hoor, als het om te lachen is, of als het van Rubens komt, want dan is het excuus van de artistieke vrijheid wel geldig. Maar het blijft iets wat nog altijd vies genoeg is om het uit de buurt van het religieuze leven te houden.
Zijn die pastoors altijd zo kinderachtig geweest? vraag je je af. Daar moeten vroeger toch mannen bij geweest zijn die hun wereld kenden. Er bestaat een mooie anekdote over Paus Leo XIII, toen hij nog nuntius in Brussel was tussen 1843 tot 1846. Hij werd op een receptie benaderd door een vrijzinnige markies die hem een tabaksdoos liet zien met een pikante afbeelding van een naakte dame. De nuntius antwoordde gevat: ‘C’est très beau. Votre femme sans doute?’ Zijn er vandaag nog veel pastoors die zo’n superieur sarcasme kunnen opbrengen?
Mag ik Bonny overigens aanraden om in het vervolg de opiniebladzijden van De Standaard te mijden? Hij zal niemand overtuigen die nog niet overtuigd is en hij mag zich de volgende dag verwachten aan een even zalvend antwoord, zoals dit keer van Drie Douibi, artistiek leider (DS 2/4)
‘Sancta’ vertrekt van een opera uit 1922 en herneemt religieuze rituelen en symbolen om ze te bevragen en te herdenken. Het is confronterend, ja. Het schuurt. Maar het doet dat vanuit een fundamentele vraag die ook het christendom centraal stelt: hoe verhouden lichaam, schuld, liefde en gemeenschap zich tot elkaar … Die combinatie is geen tegenstelling. Ze is precies de rijkdom van een open samenleving: we kunnen tegelijk kunst beleven die bevraagt, en rituelen koesteren die verbinden.
Hier wordt de bisschop indien niet overtroffen, dan toch geëvenaard op zijn eigen terrein. En er is voor hem nog een tweede reden om de opiniebladzijden van De Standaard te mijden. Hij moet altijd vrezen dat de eindredactie een illustratie kiest die de boodschap van zijn tekst ondergraaft. In dit geval moesten ze niet ver zoeken: een foto van de opvoering zelf, een naakt rolschaatsende non. Voor het bijschrift hebben ze wel even moeten nadenken: ‘Weinig appetijt voor het habijt.’
Raf Njotea over Cofnas
Op de laatste pagina van De Standaard (2/3) staat een stuk van Raf Njotea met als kop ‘De biologische loterij van Nathan Cofnas’. Ik begon meteen te speculeren over de inhoud. Die Njotea, links als hij is, blijft altijd een man van eer, dacht ik. Die zal niet oproepen tot censuur en die gaat niet doen alsof hij wél weet hoe het nu precies zit met IQ en erfelijkheid en ras. Ik heb het stuk daarna gelezen en mijn vooroodeel bleek juist. Dat komt door dagelijkse oefening.
Jonathan Holslag over Willem Elsschot.
Ik heb de hele Elsschot-lezing van Jonathan Holslag nog niet gelezen, maar de fragmenten die mij onder ogen kwamen, overtuigen mij niet:
‘Wie de echte geesteswereld van de schrijver wil binnentreden: lees zijn brieven en gedichten. Dit is de Elsschot die mij intrigeert, de strijdmakker die ons aanmoedigt om te putten uit het verleden, te handelen in het heden en verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. Dit is de patriot die ons oproept onze vrijheid te koesteren, onze soevereiniteit, hoe sterk de tegenstander ook is.’
Ik weet ongeveer aan welke passages Holslag refereert, maar als ik zijn commentaar lees, moet ik meewarig glimlachen. Hier is iemand, geloof ik, aan wie Elsschot is voorbijgegaan.
Spelling van eigennamen
Gisteren wou ik iets schrijven over de auteur Erik Vlaminck. Omdat ik weet hoe zwak ik ben in spelling, heb ik de naam opgezocht op Wikipedia, en de schrijfwijze bestudeerd. Erik met een k, en Vlaminck met ck. Maar in mijn korte-termijngeheugen was geen plaats meer voor de a die in mijn versie ae werd. Gelukkig was er een aandachtige lezer die mijn fout opmerkte.
Reclameslogan
In de jaren dertig van de voorbije eeuw werd voor het populaire aperitief Dubonnet een prachtige slogan bedacht: Dubo Dubon Dubonnet. Louis-Paul Boon vond de slogan zo mooi dat hij hem gebruikte als titel voor een hoofdstuk van de Kapellekensbaan. Thuis hebben we in de bergruimte een koelkast van het merk Liebher. Telkens als ik er kom mompel ik Lieber ein Liebherr. Zou Boon zijn slogan ook af en toe gemompeld hebben bij het drinken van een aperitief?


Ach laat Bonny maar doen, hij is tenslotte bisschop en geen klimaatmeisje. Ik parafraseer hier Mia Doornaert die dan weer in dezelfde De Standaard stelt dat "Jezus geen doetje was" toen hij de geldwisselaars (kooplui?) uit de tempel verjoeg. Een late ABVV opstoot? Ze vergist zich wel eens vaker.
BeantwoordenVerwijderenDeze reactie is verwijderd door de auteur.
BeantwoordenVerwijderenAchterhoedegevechten
BeantwoordenVerwijderenIk heb de indruk dat we in een periode leven van achterhoedegevechten die er weinig toe doen. Er is een antikatholieke mijnheer die een stuk schrijft waarin blote mensen, verkleed als nonnen en priesters en andere religieuze personages, hun ding doen. Zoals bijvoorbeeld met een nonnenkap op in hun blote flikker op rolschaatsen over het toneel rijden. Wat ik best grappig vind trouwens. Ik heb het stuk niet gezien, dus ik heb het alleen maar van horen zeggen en van het bijhorend plaatje in het artikel. Het toneel zal wel weer een aanklacht zijn tegen de misbruiken van de kerk et cetera et cetera...een genre waarmee we de afgelopen halve eeuw wel vertrouwd geworden zijn en dat allesbehalve iets vernieuwends bijbrengt.
Ook de repliek op het stuk is een vast genre. Mijnheer Bonny is ongelofelijk gekwetst en diep gekrenkt, net zoals de zusters die het voorwerp van spot zijn in het toneelstuk. Ik denk niet dat er veel nonnen zijn die diep gekrenkt zouden zijn als Mijnheer Bonny hen niet zou opgeroepen hebben om die gevoelens te hebben. Ik heb het even laten opzoeken door Mijnheer Chatgpt en die zegt droogweg: “Er zijn vandaag waarschijnlijk nog enkele duizenden (± 4.000–5.000) kloosterzusters in België, maar hun aantal daalt snel en de gemiddelde leeftijd ligt hoog.” Ik vraag me af hoeveel van die oude besjes van het blasfemisch spectakel gehoord hebben en hoeveel daarvan er zich iets van aantrekken. Ik heb alles bij mekaar het idee dat de opvoering een vrij elitaire aangelegenheid is. Het zijn dus elitaire vijgen na Pasen, want er zijn bijna geen nonnen meer. Net zoals de begijnen gaan ze de vergetelheid tegemoet in dit land.
Het is net zoals met het Plaasteren Beeldjes Conflict. Enkele bevrijde geesten menen dat ze een “statement” moeten doen door wat oubollige katholieke symbolen te molesteren en enkele professionele katholieken menen daarop met gepast vertoon hun hartzeer te moeten uitdrukken. Geeuw. Dat was misschien een volwaardig thema in de jaren zestig toen de Vlaamse jeugd tijdens de obligate retraites nog serieus debateerde over het beruchte thema van de “voorhuwelijkse betrekkingen”. Ondertussen leven we in een wereld waarin naturisme (nudisme!) vrij algemeen aanvaard wordt, er in de gewone pers artikelenreeksen verschijnen over onderwerpen zoals parenclubs, homoseksuele koppels mogen trouwen en kinderen adopteren en pornografie even dagelijks is als de kalender van de Druivelaar.
Ik vraag me af wie het belachelijkste is in dit opgeklopte conflictje.