Vrijheid is de reden om te herbewapenen, te herindustrialiseren, open markten te beschermen met regelgeving of om meer energie-autonomie na te streven.
Dat de sociale media en artificiële intelligentie in handen zijn van slechts enkele, aan Trump onderdanige hyperrijken en gigabedrijven, heeft gevolgen. Die technologie wordt wel degelijk gebruikt om politiek te bedrijven … Wij moeten de openheid van de publieke gespreksruimte garanderen, en zo de persoonlijke vrijheid versterken. Dat staat haaks op het libertaire ideaal van Sillicon Valley, dat vrijheid onbegrensd wil uitbreiden, enkel voor eigen lust en baten.
Hier worden de zaken verkeerd voorgesteld. De sociale media garanderen immers óók de openheid van de publieke gespreksruimte. Het is waar dat een stuk in De Standaard zowel in de betrouwbaarheid van zijn informatie als in de redelijkheid van zijn opiniëring boven de gemiddelde commentaar op de sociale media uitsteekt. Maar de bandbreedte van de opiniëring en de selectie van de feiten wordt bij De Standaard beperkt door het ‘engagement’ van de krant. En helaas valt die bandbreedte en selectie ongeveer samen met die van de andere grote media in Vlaanderen.
Vandaag kan ik de informatie van De Standaard aanvullen door bij de chatbots van AI een bredere context van feiten en cijfers op te vragen. Ik kan dankzij de sociale media kennis nemen van meningen die buiten de links-liberale consensus vallen. En vooral kom ik door dezelfde sociale media ándere journalistieke bronnen – vooral buitenlandse – op het spoor die een noodzakelijk supplement zijn op mijn Standaard-dieet.
Denk bijvoorbeeld alleen al aan de berichtgeving over Israël-Palestina. In een opiniestuk schreef Brigitte Herremans (DS 25/4) dat ‘het gebrek aan empathie met Israëls slachtoffers gevoed wordt door de dominantie van het Israëlische narratief.’ Van dié dominantie heb ik in De Standaard in elk geval niet veel gemerkt.
Voor mij staat de publieke gespreksruimte van De Standaard dus niet ‘haaks’ op het libertaire ideaal van de sociale media. Ze vullen elkaar aan. De Standaard wordt aangedreven door engagement en deontologie. Prima. De sociale media worden aangedreven door de winstzucht van gigabedrijven. Ook prima. Omdat die bedrijven zoveel mogelijk winst willen maken, willen ze ook zoveel mogelijk stemmen aan bod laten om een zo groot mogelijk publiek te geven wat het zoekt. Dat heeft zijn nadelen, maar ook zijn voordelen.
Kinderrijmpjes
Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: ‘Oranges and lemons, say the bells of St Clement’s.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: ‘Apples and pears, say the bells of St Clare’s.’
De centrum partijen
Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen overkomt (DSL 25/4). Ze zijn geschreven door Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.
Zwartkijken van Franquin
Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires) van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel ‘generaals’ maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven. Mijn vroegere buurman was kolonel.
Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een heer van stand was, liet ik Theo dus door de stront zakken.
En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.
Stad en platteland in de VS
Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden:
Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn.
Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak.
Reynebeau over klimaat en migratie
In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.
Is klimaat rechts en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.
Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen.
Lize Spit over plot in literatuur
Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5). Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden):
Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’
Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’ Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’
Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’
Kippenvelmoment
Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.
Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea:
Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit.
Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar.
Maar één keer zien
Naar aanleiding van de film Die My Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat ‘films waarvan hij blij is dat hij ze gezien heeft.’

Geen opmerkingen:
Een reactie posten