Gescinska herkent daarin twee oude deuntjes van links. ‘Het communisme dat men tot nu toe heeft toegepast was geen écht communisme’ – de No True Scotsman-drogreden –, en ‘de misdaden van het communisme vloeien niet rechtstreeks voort uit de ideologie.’ Gescinska vat haar antwoord als volgt samen:
Het communisme heeft kansen te over gehad. En overal waar men het communisme in de praktijk wilde brengen, volgden verarming, vernietiging van het milieu, verontmenselijking en verdrukking op massale schaal … We zijn het verschuldigd aan zijn miljoenen slachtoffers om het woord ‘communisme’ niet lichtzinnig te hanteren of te begrijpen.
Dat laatste had ze niet mogen schrijven. Als je een polemiek voert met een tegenstander die dom, lui, oneerlijk, fanatiek of – in het geval van Pfeijffer – niet goed op de hoogte is, dan moet je vermijden om hem een al te makkelijke uitweg te bieden. In zijn antwoord op Gescinska kiest Pfeijffer zonder aarzelen die uitweg. Hij geeft Gescinsca gelijk op de secundaire kwestie van de woordkeuze.
Zo'n samenleving hoeven we van mij niet communistisch te noemen. Uit respect voor de slachtoffers van de in naam communistische dictaturen moeten we misschien inderdaad een ander woord kiezen.
En dan kan hij in een moeite door laten uitschijnen dat Gescinska hem verkeerd begrepen heeft:
Een democratische, communistische rechtsstaat heeft nog nooit ergens bestaan. Dat is wat ik bedoelde toen ik zei dat het communisme eigenlijk nog nooit is uitgeprobeerd.
Maar Gescinska had het maar al te goed begrepen. Haar argument was juist dat het communisme, waar men het ook heeft uitgeprobeerd, tot nu toe altijd de democratische rechtstaat heeft vernietigd, en dat zoiets wel geen toeval zal zijn geweest. Dat is het inductief-empirisch-historische argument. Er hebben allerlei soorten kapitalistische maatschappijen bestaan – democratisch, autoritair, totalitair – maar de communistische maatschappijen van hun kant waren nóóit democratisch.
Nu kan Pfeijffer antwoorden: ‘Wat niet is, kan nog komen.’ In een openbaar debat zal hij daar geen punten mee scoren, maar vanuit de logica is het geen slecht argument. Het is niet omdat we tot nu alleen witte zwanen hebben gezien, dat er morgen geen zwarte zwaan kan opduiken. Daarom wil ik Gescinska galant ter hulp schieten met een logisch-deductief argument dat zij ongetwijfeld kent, maar Pfeijffer misschien niet. Het komt hierop neer: die zwarte zwaan van het democratisch communisme kán niet bestaan.
De redenen zijn eenvoudig. Het communisme houdt in dat een aantal als natuurlijk aangevoelde vrijheden worden afgeschaft: de vrijheid om handel te drijven, om te ondernemen, om vrijwillige contracten af te sluiten, om te kopen en te verkopen aan onderhandelde prijzen, om eigendom te verzamelen, en om eigendom door te geven aan je kinderen. Maar de afschaffing van die vrijheden heeft een prijs. Als men bijvoorbeeld de vrije markt vervangt door een ander distributiesysteem, ontstaat vanzelf een zwarte markt en een wijdvertakte corruptie. En die toestanden moeten dan met harde hand worden onderdrukt*.
Ten tweede kan men zich moeilijk voorstellen dat een overheid haar macht gebruikt om de economische vrijheid te beknotten, en er tegelijk alles aan doet om de politieke vrijheid wél in stand te houden. Dat zou een heel idealistische overheid moeten zijn. Politieke vrijheid is voor de overheid een veel grotere bedreiging dan economische vrijheid. Politieke vrijheid kan per definitie gebruikt worden om de overheid, of minstens de regering, ten val te brengen. Met economische vrijheid (vrije markt) is dat veel minder het geval. Vandaar dat er best wat autocratische regimes zijn die een grote mate van economische vrijheid tolereren, van het Chili van Pinochet tot het China van Xi Jinping. Zolang ondernemers en handelaars zich in een min of meer vrije economie kunnen verrijken, voelen ze niet noodzakelijk de drang om politieke vrijheid te eisen en oppositie te voeren**.
Ten derde creëert een kapitalistische economie meer welvaart dan een communistische economie. Dat betekent dat een belangrijk deel van de samenleving – niet altijd, maar meestal een meerderheid – de voorkeur zal geven aan een of andere variant van de kapitalistische economie. Bij democratische verkiezingen zal die voorkeur zich vertalen in de overwining van niet-communistische en anticommunistische partijen. Wie het communisme wil beschermen zal die democratische verkiezingen dus aan banden moeten leggen en ‘kapitalistische propaganda’ moeten verbieden, zo niet dreigt een ‘kapitalistisch herstel’.
Dat laatste argument zal op Pfeijffer weinig indruk maken. Hij hoopt juist, om ecologische redenen, dat de algemene welvaart daalt, zolang die maar maar eerlijk verdeeld wordt***. En hij heeft niet veel vertrouwen in ‘democratische meerderheden’. Vandaar dat hij zijn ideaal omschrijft als een ‘democratische, communistische rechtstaat****.’ Niet een democratische, communistische ‘staat’, maar een democratische, communistische ‘rechtstaat’. Wat bedoelt Pfeijffer met die nuance in de context van een communistisch ideaal?
Ik vermoed dat hij het zo ziet: de burgers verkiezen een parlement, dat parlement schrijft in de grondwet enkele principes waar niemand tegen kan zijn, over sociale rechten en bescherming van het leefmilieu, en de rechters en opperrechters zorgen ervoor dat die binnen een communistisch kader worden geïnterpreteerd. Verkiezingsuitslagen, meerderheden en wetten die dat kader bedreigen, zijn van geen tel want dat zijn vormen van verwerpelijke ‘absolute democratie’, ‘populisme’ en ‘tirannie van de meerderheid.’*****
De vraag is niet of Pfeijffer voor zijn ideaal het woord ‘communisme’ moet gebruiken, de vraag is veeleer of hij het woord ‘democratie’ moet gebruiken. Democratie is voor hem, geloof ik, een ding dat geëngageerd, geïnformeerd, institutioneel, rechtstatelijk, liberaal en beperkt ******moet zijn. Dat zijn allemaal zeer goede eigenschappen. Maar is het ding ook nog democratisch?
* Daar komt nog het argument bij dat Hayek ontwikkelde in The Road to Serfdom. Als je de vrije markt vervangt door overheidsplanning, dan moet de overheid de tegenstrijdige belangen van economische actoren op arbitraire verzoenen. Dat gebeurt in het beste geval door compromissen. Maar zoals dat bij compromissen gaat, is dan niemand tevreden, is er een permanente bron van ontevredenheid waardoor de overheid zich bedreigd voelt en waarbij ze dan evolueert van arbitrair naar autoritair.
** Een politiek autoritair systeem met een vrije markt blijft een precaire evenwichtsoefening, want economisch machtige spelers kúnnen op termijn een politieke bedreiging vormen.
*** Zie mijn eerdere stukje over Pfeijffer hier.
**** Uiteraard weken de ‘in naam communistische landen’ af van de rechtstatelijke traditie omdat de rechters niet onafhankelijk waren, en omdat er geen natuurrechtelijke basis van de wetgeving erkend werd.
***** Voor een verdediging van de democratie, zie mijn stukje hier.
****** Beperkt ... behalve als het op economische regulering en planning aankomt.
** Zie mijn eerdere stukje over Pfeijffer hier.
*** Voor een verdediging van de democratie, zie mijn stukje hier.

Gescinska en Verhofstadt deden dat zeer goed.Voor Pfeijffer zou het ' gefundenes Fressen' zijn wanneer men naar Hayek verwijst. Dàn pas kan hij ' zijn Pinochet en Allende' bovenhalen.
BeantwoordenVerwijderenDie Pijper, die blijkbaar van schaarste houdt, moet in Cuba gaan wonen. Da's het paradijs van de schaarste. Westerse Eco-marxisten zijn er gek op, maar.... met dollars op zak. Hij moet zich wel haaasten, want Trumpie heeft nu ook gezegd dat hij zich binnenkort eens wat meer met dat regime gaat bezighouden.
BeantwoordenVerwijderenOok de jinetera-liefhebbers reppen zich maar beter, eer het te laat is....
Pinochet maakte Chili groot. Allende was communistische ellende..
BeantwoordenVerwijderen