donderdag 26 maart 2026

China-pater

     Als we binnenkort verhuizen naar ons appartement, zullen we de meeste van onze boeken niet mee kunnen nemen. Ik heb drie  plankjes China-boeken, en daar zullen er heel wat van sneuvelen. De deeltjes Simon Leys neem ik mee, maar wat doe ik bijvoorbeeld met Jung Chang? Neem ik Han Suyin mee uit nostalgie? Of Fanshen van William Hilton?
     Een van de boeken die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zal meenemen is dat van de franciscaanse pater Gabriel Boutsen. Mijn vader kreeg het cadeau van een bevriende abt van die orde. Het boek is van 1963, maar ik moet het gelezen hebben rond 1990. Het heet De vier China’s, waarmee Boutsen Honkong, Macao, Taiwan en Rood China bedoelt. Ik herinner mij nog veel van wat in het boek staat. De pater heeft rondgereisd in het Oosten en met veel mensen gesproken, zelfs met de legendarische Chiang Kai-shek.
      Een van de obsessies van de pater is de ontucht in de wereld. Hij moet op zijn reizen nogal wat straatprostitutie gezien hebben. Hij wordt niet moe van te herhalen dat de andere godsdiensten – Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme – wel mooie praatjes hebben over goede zeden, maar dat alleen de christenen en de Kerk echt iets dóen om de ontucht te bestrijden.
     Het voornaamste doel van de pater was om de opkomende sympathie voor communistisch China in het Westen te bestrijden. Het was de tijd dat onze Koningin Elisabeth naar China reisde en bij haar terugkeer verklaarde dat de Chinese bevolking ‘bijna’ zo goed leefde als de Belgische. De pater kon in tegenstelling tot Elisabeth het grootste van de vier China’s niet bereizen, en moest daarom op zoek gaan naar experten. Hij vertelt hoe hij in Hongkong in het gezelschap komt van een groep Westerlingen en de volgende vraag stelt.

 ‘Mijne heren, vrienden in Chicago en de Mid-West hebben me gevraagd om naar Amerika terug te keren met een juist beeld over de toestanden van het eigenlijke China … Mensen in Amerika zien alles, horen alles, lezen alles, maar ze zeggen als besluit: “Nu weten we niets meer. Ga jij maar eens kijken” … Daarom, mijne heren, ik zoek een man, hij moge zijn een atheïst, een vrijmetselaar, een jood, een gestampte heiden. Ik zoek een man die (1) vroeger in China geweest is, (2) perfect Chinees spreekt en verstaat, (3) Chinees leest en schrijft, en (4) die zich uitsluitend met de studie en de wetenschap van het Chinese communisme bezighoudt.’ Ik dacht Zo’n man hebben ze toch niet,maar ze antwoorden met drieën tegelijk: We hebben zo’n man voor jou, met de schaar geknipt.’ Ik vroeg: Is het een atheïst, een francmaçon, een ongelovige? Wel, zeiden ze, het is een jezuïet. Ik was totaal uit mijn lood geslagen. Je verwacht je aan een francmaçon en ze je gooien je daar een jezuïet voor de voeten.

     En dan vertelt de pater over de ontmoeting met de expert.

 ‘Het schijnt, eerwaarde,’ zie ik bescheiden, dat u een en ander weet over het communisme op het Chinese vasteland. De de man sloot zijn ogen, opende heel wijd de armen en zei: ‘Daar weten we alles van.’ Ik antwoordde flitsvlug: ‘You are a true Jesuit’.

     Mooi toch, die milde naijver tussen de verschillende religieuze ordes.
     Ik heb dat allemaal 35 jaar geleden gelezen, maar herinnerde mij die woorden bijna letterlijk. Ik wist ook dat die jezuïet, van wie de naam niet wordt vermeld, Laszlo Ladany moet zijn, van wie ik rond dezelfde tijd het boek over The communist Party of China and Marxism had gelezen. Maar, nu komt het, ik kon die passages die ik mij zo goed herinnerde niet terugvinden in het boek van mijn franciscaan. Ik heb het boek de laatste vijf jaar zeker tien keer uit de kast gehaald, en bladzijde per bladzijde bekeken, en niet gevonden wat ik zocht.
     Maar, en nu komt het opnieuw, gisteren neem ik het boek nogmaals ter hand, en op de titelbladzijde zie ik een aantal notities in potlood, waaronder: p.136-147: Ladany. Hoe is dat nu mogelijk? De waarschijnlijkste verklaring is dat ik het boek niet al te lang geleden – vorig jaar bijvoorbeeld – opnieuw doorbladerd heb, toen het citaat wél gevonden heb, de vondst meteen genoteerd heb, en daarna alles weer vergeten ben.  Maar waterdicht is die verklaring niet. De titelbladzijde bevat nog andere notities en die zijn maar al te duidelijk van 1990, toen ik nog veel wist, en niet van 2025, toen ik al veel vergeten was. Dat Ladany-notitie staat daar waarschijnlijk al van 1990. 
     Is het mogelijk dat ik bij het doorbladeren van het boek iedere keer opnieuw de titelbladzijde heb overgeslagen? Dat kan, maar dat verklaart niet dat ik geen enkele keer de passage zelf gevonden heb, aangezien die toch waarlijk niet verstopt is, meer dan tien bladzijden telt, en in de inhoudstafel vermeld staat als 
‘Grote Hongkong-dialogen. Misschien heb ik al die keren veel minder nauwkeurig gezocht dan ik mij herinner. Of misschien heb ik al die keren een ánder boek doorbladerd. Maar welk boek?
     In elk geval, nu heb ik gevonden wat ik zocht, en de woorden die ik citeer kon ik letterlijk overtypen, zonder mij te moeten verlaten op mijn onbetrouwbare geheugen.

 

1 opmerking:

  1. Het geheugen kan verrassen. < 'The sense of an ending' by Julian Barnes.

    BeantwoordenVerwijderen