Deze week is Peter Mertens komen spreken in Brugge. Ik was er niet bij, maar Eva Vanhoorne, gemeenteraadslid van Groen, schreef er iets over op haar FB-pagina:
Het interessantste moment van de avond kwam opnieuw uit het publiek. Iemand richtte zich tot Peter Mertens als politicus … met een eenvoudige vraag: ‘Als jullie weten wat er moet gebeuren, waarom moeten jullie dan blijven vergaderen? Waarom schieten jullie niet gewoon in actie? Zeg ons wat we moeten doen.
Zeg ons wat moeten we doén. Ik heb die vraag ook gesteld, niet in Brugge maar in Menen, in 1971. Ik was zestien en zat in het voorlaatste jaar van de humaniora. Op een vrijdagavond kwam Fernand Tanghe, een student uit Leuven, de film Loin du Vietnam voorstellen. Vietnam moet je weten, was het Palestina van die tijd, alhoewel Palestina, in beperkte kring, ook al een beetje het Palestina van die tijd was. De filmvoorstelling vond plaats in de feestzaal van het college en was georganiseerd door het Jong-Davidsfonds. Van de film herinner ik mij weinig, en van de inleiding van Fernand – ik heb de man vorige week nog teruggezien – begreep ik niets.
Na de film werden de geïnteresseerden uitgenodigd voor een nabespreking in de bar. Fernand gaf zijn uitleg over het staatsmonopoliekapitalisme. Dat wou ik niet horen. ‘Dat weten wij allemaal,’ zei ik, ‘maar wat moeten we doén?’ Iedereen in de zaal knikte. Over het staatsmonopoliekapitalisme wisten we alles, maar wat moesten we doén?
Er waren nogal wat studenten uit Leuven aanwezig die in de discussie goed thuis waren. Eén van hen zei dat de vraag die ik zojuist gesteld had, de vraag was die Lenin ook gesteld had in 1902. Die student had ‘in Parijs Cohn-Bendit meegemaakt.’ Menen leek hem minder te interesseren. Een blonde dame zei dat we het voorbeeld van Mao moesten volgen die een lange mars had ondernomen om de machtsovername voor te bereiden. Alleen moesten wij niet met een leger trekken door berglandschappen en woestijnen, maar door de instituties. We moesten solliciteren voor belangrijke functies in de politiek, het staatstapparaat, het gerecht, de pers, de universiteiten, enzovoort, en de boel overnemen. Een baardige reactionair in het gezelschap waarschuwde ons dat we niet in de fout van Savonarola mochten vervallen want dan zouden we ‘onverdraagzaamheid zaaien en fascisme oogsten.’
Wie Savonarola was wist ik niet, maar ik kende wel de Franse journalist Régis Debray, die in Bolivië had meegewerkt met de guerrilla-beweging van Che Guevara. Ik had de week ervoor, terwijl ik eigenlijk mijn huiswerk had moeten maken, het boekje gelezen: Revolutie binnen de revolutie. Daarin hield Debray een vernuftig pleidooi om revolutionaire propaganda wat meer body te geven met guerrilla-acties. Ik vroeg aan Fernand of die theorie ook in ons land kon worden toegepast. Nee, dat kon niet, antwoordde hij, want Debray had niets begrepen van de ‘massalijn’. Als ik mijn adres opgaf, zou er wel iemand langskomen om uit te leggen hoe de ‘massalijn’ werkte. Ik heb toen de week erop een andere rode missionaris op bezoek gekregen, gelukkig op een ogenblik dat mijn ouders niet thuis waren. Ook ontving ik vanaf dan gratis het tijdschrift China vandaag.
Genoeg over 1971, terug naar 2026. Het antwoord van Peter Mertens op de vraag wat we moeten doén, moet nogal braaf geweest zijn: je organiseren, actie voeren, deelnemen aan betogingen, kritisch nadenken, dominante verhalen in vraag stellen, het gesprek aangaan met de mensen rondom je. Niet iedereen zal met zo’n antwoord tevreden zijn geweest. Sommige mensen willen nu eenmaal iets stevigers*. En stevige antwoorden zijn er altijd geweest: missionaris worden, naar het Oostfront trekken, aanslagen plegen, revolutionaire cellen oprichten in de fabrieken …
Als ik even terug mag naar 1971... Mijn ouders sloegen mijn revolutionaire aspiraties met bezorgdheid gade. Zij kenden andere ouders die hun zonen en dochters eveneens in de verkeerde richting zagen evolueren. Zulke ouders gingen soms naar subversieve bijeenkomsten om te spioneren. Aan een zo’n subversieve bijeenkomst had mijn moeder een mooi verhaal overgehouden. Een Leuvense student had een uitleg gegeven over het staatsmonopoliekapitalisme en de revolutie, en daarna was een wat oudere man in het publiek opgestaan. ‘Ik hoor hier alleen mooie woorden. Toen ik jullie leeftijd had, ben ik naar het Oostfront vertrokken om te gaan vechten. Wie van jullie zou hetzelfde durven doen?’ Dat vond mijn moeder mooi gezegd. Ze voelde enige sympathie voor die felle generatiegenoot. Het verschil tussen vechten voor of tegen het communisme, interesseerde haar niet erg. Maar dat morele absolutisme fascineerde haar, hoewel het haar natuurlijk vooral ook afstootte. Die Oostfrontstrijders waren immers in de eerste plaats misleide sukkels geweest. Hopelijk was ik niet zo’n naïeveling.
Zelf ben ik vandaag vooral geïnteresseerd in een ander soort naïviteit. De mensen die de Grote Vraag stellen – wat moeten we doen? – hebben onbewust en naïefweg een andere Grote Vraag al beantwoord: waar komen alle maatschappelijke onvolkomenheden – van kinderarmoede tot onbetaalbare bejaardenzorg – vandaan? Die mensen denken dat ze dát antwoord al lang kennen. Dat alles fout loopt ligt aan het systeem, door de machtsstructuren, door het militair-industrieel complex, door het roofzuchtige kapitalisme, door de multinationals, door het dominante discours, door Big Pharma–Big Oil–Big Tech–Big Finance, enzovoort**. Het komt bij zulke mensen niet op om de voor- en nadelen van ‘het systeem’ etcetera op een rationele manier af te wegen. De enige vraag die overblijft is: hoe komen we van die rottigheid af, dat wil zeggen: wat moeten we doen? Dát het allemaal rottigheid is, hebben ze al lang beslist, en ook dat die rottigheid één Grote Oorzaak moet hebben die met wortel en tak moet worden uitgeroeid.
In 1971 bestond de meest fotogenieke rottigheid uit de oorlog in Vietnam en de honger in de wereld. Dat Kissinger, een man van het systeem, al twee jaar bezig was om een diplomatieke oplossing voor de Vietnamoorlog uit te werken, wist ik niet. Het zou mij ook niet hebben geïnteresseerd. En dan de honger in de wereld. Dat was toen een even actueel thema als de klimaatopwarming nu. Maar dat Norman Borlaugh met zijn innovatieve landbouwtechnieken het probleem aan het oplossen was, wist ik ook al niet***. Ik had het kúnnen weten, want in de aardrijkskundeles werd wel iets over de ‘groene revolutie’ verteld. Helaas lette ik niet goed op in de les, en bovendien interesseerde het mij niet. De enige vraag die mij interesseerde was: wat moeten we doen?
* Ook het antwoord ‘bij de volgende verkiezingen voor de goei stemmen’ zal op sommige mensen weinig indruk maken.
** Vandaag wordt de Grote Oorzaak nog aangevuld met het patriarchaat en de neokoloniale erfenis.
*** Uiteraard wist ik niet dat Mao’s pogingen om tussen 1958-1962 het integrale communisme toe te passen geleid hadden tot vermoedelijk de grootste hongersnood in de geschiedenis, en dat de armoede in het land later vooral zou verholpen worden door een flinke scheut kapitalisme toe te voegen aan de economische mix.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten