De PVDA en het antifa-geweld
Het artikel in De Standaard (13/6) vat het goed samen: de PVDA komt ‘in nauwe schoentjes’ te staan door het gewelddadige straatprotest tegen de hervormingen in het Franstalig onderwijs, en door antifa-acties in het algemeen. De partij kan het zich niet veroorloven om dat geweld te verdedigen en riskeert daarbij langs links te worden ingehaald door burgertrutten als Anuna De Wever en Martha Balthazar*. Dat is pijnlijk.
Ik weet nog hoe het vroeger was. Binnen de uiterst-inkse beweging had je de traditionele Kommunistische Partij (KP). Die riep op tot ‘kalm en waardig’ protest. Daarnaast had je de opkomende communisten van Amada, de voorloper van de PVDA. Die waren voor revolutionaire massa-actie Ze werden daarom door de KP uitgescholden voor ‘provocateurs’ en ‘avonturiers’. En nu lijkt de PVDA de weg van de KP op te gaan.
Wat bedoelde Amada destijds met ‘revolutionaire massa-actie’? ‘Revolutionair’ betekende dat confrontatie met de politie niet uit de weg werd gegaan, desnoods zelfs werd opgezocht door het organiseren van verboden betogingen. Vechten met de politie, met stakingsbrekers of met fascisten was oké, gratuite vernietigingen moesten echter worden vermeden.
Massa’ betekende dan weer dat de partij het geweld niet zelf organiseerde maar eraan deelnam, en dat alleen als er voldoende niet-partijleden aan deelnamen, bijvoorbeeld stakende dokwerkers, en als er een redelijke kans bestond dat het geweld in progressieve middens op begrip kon rekenen.
In de praktijk was de grens soms moeilijk te trekken. Ik herinner mij een actie tegen een NSV-meeting in Leuven. We vormden voor de ingang van de zaal een menselijke een ketting zodat niemand naar binnen kon. Een heethoofdige student, geen lid van de partij, begon met een ijzeren staaf te een glazen deur kapot te slaan. Partijfunctionaris M.R. die naast mij stond, zei genoeglijk glimlachend: ‘Kijk, de revolutionaire massa’s aan het werk.’ Het was minstens half ironisch bedoeld.
Maar nu? Hoe moet de PVDA reageren als onderwijsbetogers bijvoorbeeld het parlement bestormen, zoals gebeurde op 4 juni? Eigenlijk beantwoordt zoiets aan de criteria van de ‘revolutionaire massa-actie’. Maar een groot deel van de progressieve wereld denkt nog met afschuw aan de bestorming van het Capitool. Dat ligt dus gevoelig. Oproepen tot ‘kalmte en waardigheid’ dan maar, zoals de KP destijds? Dat zit niet in het DNA van de partij**. Wat blijft dan nog over? Ik zou vanuit mijn eigen revolutionaire jeugd vijf raadgevingen meegeven. De PVDA moet
- benadrukken dat een groot deel van het protest vreedzaam verliep
- de rechtse partijen het verwijt maken dat ze het geweld overdrijven om de aandacht af te leiden van het eisenpakket
- de meest crapuleuze voorbeelden van het geweld – de gratuite vernielingen – desnoods veroordelen
- desgevraagd antwoorden – wellicht naar waarheid – dat de PVDA geen organisatorische banden heeft met antifa groepen*
- heel veel nadruk leggen op het politiegeweld.
De politie slaat minderjarigen neer voor het oog van tientallen camera’s, om hen dan weg te voeren. Achter gesloten deuren gaat het er nog veel gewelddadiger aan toe.
Wacht eens even. De politie slaat minderjarigen neer, voert hen weg, en achter gesloten deuren … gaat het er nog veel gewelddadiger aan toe. Worden die minderjarigen meegenomen naar een folterkamp misschien? Ik ben in mijn extreemlinkse jeugd wel eens neergeslagen door de politie, en ik ben ook wel eens ‘achter gesloten deuren’ terechtgekomen. Ik heb tientallen mensen gekend die in mijn geval geweest zijn, en het was héél zeldzaam dat ze ‘achter gesloten deuren’ nog ‘veel gewelddadiger’ werden aangepakt. Heeft Balthazar bewijzen voor wat ze schrijft, of zegt ze zomaar wat?
En dan is er nog iets wat we leren uit het stuk in De Standaard. De PVDA ontkent dus, conform mijn raad, de organisatorische banden met antifa. De Standaard vroeg in dit verband naar een reactie van Julien Dohet, vakbondsman bij BBTK en coördinator van het Front Antifasciste Liège.
Veel mensen die zichzelf antifascistisch noemen, zijn geen lid van de PVDA. Soms willen ze geen enkele link hebben met een politieke partij. Iedereen heeft andere motieven. Maar als een linkse partij zich distantieert van antifascisme, betekent het dat de partij fascistisch is. Dan zitten we met een probleem.
Beweert kameraad Dohet hier dat de PVDA fascistisch is? Of zegt hij zomaar wat? Er lopen blijkbaar nogal wat simpele zielen rond in dat uiterst-linkse milieu.
* Over Martha Balthazars houding tegenover het straatgeweld, zie mijn stukje hier.
** Uit het artikel in De Standaard heb ik begrepen dat de PVDA mijn raad niet nodig had om dat allemaal keurig zo te doen.
A Star is Born (1954)
De Hollywood-film met de meeste remakes is geloof ik A Star is Born: 1937, 1954, 1976 en 2018. Je zou kunnen denken aan The Front Page: 1931, 1948, 1970, 1974, die dan ook nog eens onder twee andere titels is uitgekomen: His Girl Friday (1940, grappigste film aller tijden) en de heel vrije bewerking Switching Channels (1988). Maar The Front Page is een verfilmd toneelstuk, dat is een categorie apart. En als we ook verfilmde romans en stripverhalen zouden opnemen, werd de lijst eindeloos.
Dus: A Star is Born. Het is een mooi melodramatisch gegeven. Een oudere, aan lager wal geraakte zanger of acteur, ontdekt een jonge, talentvolle zangeres of actrice. Ze trouwen. Het kan niet goed aflopen. Hoe groter het succes van de zangeres of actrice, hoe dieper de has-been onder zijn neergang lijdt.
Op IMDB kan ik de scores nagaan die het publiek (op 10) en de recensenten (op 100) gaven aan de verschillende versies.
- 1937 (Janet Gaynor, Fredric March): 7,3 - 77
- 1954 (Judy Garland, James Mason): 7,5 - 89
- 1976 (Barbara Streisand, Kris Kristofferson): 6,1 - 59
- 2018 (Lady Gaga, Bradley Cooper): 7,6 – 88
De scores lopen grotendeels gelijk, maar die van het publiek zijn meer afgevlakt. Komt dat door de wet van de grote getallen? In elk geval moeten we onthouden dat het niet dezelfde recensenten en niet hetzelfde publiek is dat de scores heeft toegekend. De meeste recensenten die in 1954 over Judy Garland schreven - zoals Pauline Kael - waren al overleden toen in 2018 de Lady Gaga-film uitkwam. En het hedendaagse publiek dat in Lady Gaga geïnteresseerd is, is niet hetzelfde publiek dat zich vandaag nog voor Judy Garland interesseert.
Ik heb drie van die versies enkele jaren geleden kort na elkaar gezien. Van die van 1937 heb ik onthouden dat Fredric March een heel mooie man was. Van die van 2018 herinner ik mij alleen de beginscène. Van die van 1976 was ik een maand nadien al alles vergeten, alhoewel ik mij vaag een huiskamerdecor meen te herinneren.
En nu heb ik eergisteren de Judy Garland-versie gezien, dankzij Amazon-Prime. De regisseur is George Cukor: niet de eerste de beste. De film begint met een breed gefilmd society event in Hollywood. Cinemascope, technicolor, grootse mise-en-scène. Maar dan krijgen we enkele vaudeville-optredens te zien. Ik vind zulke scènes bijna altijd vervelend. En vanaf dan was er nog veel dat tegenviel: alles wordt heel uitdrukkelijk verteld, de choreografie bij de muzikale nummers is ongeïnspireerd; af en toe zijn er treffende beeldcomposities maar de achtergrondmuziek is oubollig; Judy Garland is een beperkte actrice en als ze zingt werkt haar gestiek op de zenuwen. Mason is natuurlijk een groot acteur, maar ik hou niet van zijn gezicht noch van zijn stem. Ten slotte is er nog de melodramatische villain, public relations manager Libby, die een onsympathieke, jaloerse intrigant is. In films zie ik liever sympathieke intriganten.
Maar ik had de televisie amper uitgezet, of daar zette zich het reëvaluatieproces in. Ik zag de scènes weer voor mijn ogen verschijnen. De oscar-uitreiking, de slotwoorden, Garland die een liedje zingt in een kleine club, zomaar, nadat alle klanten de zaal verlaten hebben en alleen de muzikanten nog aanwezig zijn, Mason die rondloopt in een feestzaal op zoek naar vrouwelijk gezelschap, de meevoelende studiobaas die Mason bezoekt in een rehabilitatiecentrum, Libby die beteuterd kijkt als hem met enig medelijden wordt duidelijk gemaakt dat hij er niets van begrepen heeft. Ik denk dat ik mij sommige van die scènes binnen enkele jaren geleden nog zal herinneren. Een nadrukkelijke vertelling heeft ook zijn voordelen.
Love and Death (1975)
Love and Death van Woody Allen heb ik gezien toen de film uitkwam, en daarna misschien nog twee keer. De laatste keer was geloof ik 45 jaar geleden. Ik heb de film nu opnieuw gezien en ik herinnerde mij ongeveer alles. Alleen Annie Hall (1977) herinner ik mij nog beter. Maar ook van Love and Death kon ik bijna elke zin, elk gebaar, elke gelaatsuitdrukking, elk decor anticiperen. Alleen het gesprek tussen Diane Keaton en de oude pope (‘your Grubbiness’) stelde ik mij voor in de open lucht. Het vond plaats in de kerk.
Binnen het oeuvre van Woody Allen behoort Love and Death tot de ‘early funny ones’, een uitdrukking die mij bijgebleven is uit Stardust Memories (1980), en waar ik alle films bij reken vóór het meesterwerk van 1977.
Van Allens parodie op Oorlog en Vrede herinner ik mij trouwens niet alleen de inhoud en de vorm: ik herinner mij ook nog wat ik 50 jaar geleden bij de film vóelde mij: onder andere de schaamte omdat ik zoveel plezier beleefde aan de flauwe grappen. Dat gevoel is vandaag nog altijd hetzelfde. De leukste scène vond ik toen en nu de veldslag omdat daar de cinematografie van Bondartsjoek niet alleen inhoudelijk werd geparodieerd maar ook stilistisch werd gepasticheerd. In het register van de pastiche heeft Allen later nog veel mooie dingen gedaan.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten