dinsdag 26 mei 2026

Het eerste boek van Tom Wouters


 
   Mijn vader had een vast ritueel. Vóór het ontbijt las hij het dagelijkse mopje van de scheurkalender, en daarna las hij het hardop voor aan mijn moeder. Ik heb iets vergelijkbaars met het dagelijkse verhaaltje van Tom Wouters op FB. Ik lees het ’s morgens helemaal, nog voor ik een eerste hap neem, en als mijn vrouw ook aan tafel zit, gebeurt het dat ik de eerste zin van het verhaaltje te harer attentie hardop voorlees.
      Tom is sterk in eerste zinnen. Waar ik mijn stukjes meestal begin met ‘Laatst zag ik een column voorbijkomen van Marc Reynebeau …’ begint Tom bijvoorbeeld met ‘Als verhalen alleen zouden bestaan uit openingszinnen, dan was de Estse auteur Timo Wötjoō wereldberoemd geweest.’ Tom is trouwens ook goed in slotzinnen. Omdat ik die nooit voorlees aan mijn vrouw heb ik er hier enkele verzameld. 

  • Dat had niemand voorspeld. 
  • Mij vragen ze niets, ze wensen me zelfs geen succes.
  • Ongemoeid, zo had ik weer eens geleerd, moeten we de wereld laten.
  • Sinds dat moment zwemmen er vissen in mijn hoofd. 
  • Dat zou verklaren waarom ik hier alleen op deze berg zit, te wachten tot u weer begint te lezen.
  • De volgende dag ging ik opnieuw dood, tegen de eerder gestelde diagnose in.
  • Alle brieven die ik ooit schreef zijn zoekgeraakt bij de post.
  • Mijn zeven neven waren makkelijk van groot naar klein te sorteren.     
     Ik schrijf dat hier allemaal omdat een klein deel van Tom zijn stukjes nu gebundeld zijn in een mooi vormgegeven boekje met de titel In mijn hoofd zwemmen vissen. Daarmee heb ik mijn belangrijkste bezwaar tegen het boekje benoemd: slechts een klein deel –  60 – van de ongeveer 600 verhalen die Tom al schreef, heeft het selectieproces overleefd. En die ongeveer 540 ándere verhalen zijn ongeveer even goed.
 
     Ik kan alleen hopen dat het boekje van Tom zó’n goede recensies krijgt en zó goed verkoopt dat de uitgever beslist om de andere 540 verhalen ook in bundeltjes te verzamelen – en als dan de tien deeltjes Tom Wouters uitgekomen zijn, is het tijd voor de eerste dundruk-in-één-band van het Voorlopig Verzameld Werk. Dan schenk ik mijn tien deeltjes aan een vriend en hou alleen de dundruk. En die heet niet toevallig Voorlopig Verzameld Werk want tegen dan heeft een maniak als Tom natuurlijk 600 nieuwe verhaaltjes geschreven.
 
     Want Tom ís een maniak. Als hij moest kiezen, zei hij ooit, tussen vrouw en kind aan de ene kant, en schrijven aan de andere kant, dan koos hij voor het schrijven. En dat komt dan van iemand die in publiek niet over zijn zoon kan spreken zonder een merkbare krop in de keel te krijgen.
        Of het boekje van Tom zo goed zal verkopen als het verdient, weet ik niet. Succes in de literatuur is onrechtvaardig. Borges heeft nooit de Nobelprijs gekregen, de graphic novelette Het lot van de horlogemaker van Daniël Op de Beeck vond niet eens een commerciële uitgever, en van Willem Elsschot is wel eens iets in het Engels of het Frans vertaald, maar waar blijven de miljoenenoplages die Elsschot waard is? Daar komt bij dat Wouters heel korte verhalen schrijft, van columnlengte meestal, en dat is voor veel lezers vandaag niet aantrekkelijk. De mode is aan de dikke romans en aan de tiendelige televisiereeksen. Als je eenmaal de settings en de personages van de roman of de reeks kent, kun je je moeiteloos laten meevoeren. Bij een kort verhaal of bij een alleenstaande film moet je telkens weer opnieuw beginnen.
 
     Welk soort verhalenschrijver is Tom? Een schrijver van ráre verhalen in elk geval. Aan mij wordt de typering ‘de Kafka van Grobbendonk’ toegeschreven. Wim Oosterlinck noemde hem ‘een Escher op papier.’ Zelf spiegelt Tom zich aan Borges, Kafka, Perec, Charms en Biesheuvel. Zijn verhalen spelen zich af in een wereld waar veel mogelijk is wat in ónze wereld niet mogelijk is. De verteller kan tussen de struiken een ‘onontdekte beschaving’ aantreffen die hij dan ‘in zijn zak meeneemt’ om ’s avonds, samen met zijn zoontje, te onderzoeken of gezegde beschaving ‘het schrift al heeft uitgevonden.’
 
     Dat macro-micro motief – zoals een hele beschaving die in een binnenzak past – komt overigens wel vaker terug, telkens op een nieuwe inventieve manier uitgewerkt, met nieuwe absurditeiten, nieuwe humoristische vondsten, maar altijd badend in een melancholisch licht. Zelfs als Tom een stukje over leestekens schrijft –  komma’s, punten, dubbele punten, gedachtestrepen – schemert er iets door van de pijn van het zijn en de wanhoop van het bestaan, maar met een lichte toets. Je moet nooit huilen, vaak glimlachen, en nog vaker begrijpend knikken. 
    Tom schrijft over tuinen en griezelige woningen – al zijn woningen zijn griezelig – , over treinperrons en bergen – en het gaat vaker over bergen dan over stranden. Hij schrijft over fabeldieren, oude mensen, familieleden, ontdekkingsreizigers, overleden grootvaders, acrobaten, bureaucraten, polstokfanaten, mannen die Tom Wouters heten, en koningen.
 
     Met die koningen doet hij een beetje aan Godfried Bomans’ Sprookjes denken, maar dan (meestal) zonder het gemoraliseer, en zonder de dialogen. De personages van Tom zijn zwijgzaam, en als ze wel veel praats hebben, wordt dat niet in de directe rede weergegeven. Dat zou van het mysterie afdoen.
     De beknoptheid van Tom is van een speciale soort. Televisiereeksen zijn vaak een langgerekte film, en romans zijn vaak een langgerekt kort verhaal, maar bij Tom is het omgekeerd. Hij beoefent een genre dat Borges ook – soms expliciet – beoefende: korte verhalen die een samenvatting zijn van, of een commentaar bij, een nooit geschreven boek.  Bij Tom heb je de indruk dat álle verhalen een samenvatting zijn, een soort schema of voorbereidende notities voor een novelle of roman die hij uit ongeduld niet uitwerkt omdat hij al een nieuw schema op papier aan het zetten is. Als ik nu Kafka lees, is het alsof hij een schema van Tom heeft uitgewerkt, al dan niet met behulp van AI. Ik vind zulke schema’s mooi op zich, mooier vaak dan de uitwerking, zoals ook een toneelrepetitie mooier kan zijn dan het opgevoerde stuk, of een papieren patroon mooier kan zijn dan het uiteindelijke jurkje.
    Je zou het ook anders kunnen zeggen. De verhalen van Tom bieden een heel speciaal soort escapisme. Ze bieden niet het escapisme van de dikke roman die je meesleept in een wereld die al bij al op de onze gelijkt. Het is in de eerste plaats de auteur zelf die ontsnapt uit de werkelijkheid. ‘Ik schrijf,’ zegt Tom, ‘niet om de werkelijkheid te vatten, maar om de werkelijkheid op afstand te houden. Als het schrijven echt lukt, dan is het alsof de tijd stilstaat.’ Zo’n mystieke ervaring zal de lezer niet meemaken, vrees ik. Maar als hij talent heeft voor bewondering en verwondering, dan zal hij iets anders beleven dat ook de moeite waard is. De auteur Rob van Essen, eveneens een bewonderaar van Toms talent, omschrijft het als ‘opgetogenheid en verrassing’. Dat zijn twee goede woorden.
 
    Hoe moet je de verhalen lezen? Eén per dag, het ritme volgend van de oorspronkelijke FB-publicatie? Of kun je ze ook allemaal na elkaar lezen op het strand? Ik heb de laatste werkwijze gisteren uitgeprobeerd – het was stralend weer en we hebben nieuwe strandstoelen – en voor mij werkt het prima. Je voelt je dan zoals die man uit het Belcampo-verhaal die zijn eigen lichaam opeet, meestal stukje bij beetje, maar die ook wel eens een orgie houdt van zijn hele rechterbeen.
 
      Ik ben ook naar de boekpresentatie geweest en zat in het goedgevulde zaaltje tussen mijn vrouw en een oud-collega. ‘Rare titel eigenlijk,’ zei die laatste. ‘Ik dacht dat de titel Er zwemmen vissen in mijn hoofd was.’ Dat was goed opgemerkt van mijn oud-collega, en met mijn filologische achtergrond en mijn eeuwige drang om iets uit te leggen, begon ik over het existentieel gebruik van ‘er’ te doceren. In het Nederlands heb je die nodig om een nieuw onderwerp te introduceren.‘Er bestaat een wereld, en in die wereld zijn er vissen, en er is ook een Tom Wouters die een hoofd heeft, en in dat hoofd zwemmen dus die  vissen’. Het zit allemaal in het oer-Nederlandse woordje ‘er’. 
     Maar Tom neemt ons met die titel zonder er meteen bij de neus. Het is alsof hij antwoordt op onze vraag: ‘Tom, vertel eens, wat zwemt er in uw hoofd?’ En dan is het antwoord inderdaad: ‘In mijn hoofd zwemmen vissen, beste kerel.’ Het boek is nog niet begonnen, en we zijn door onze niet-gestelde vraag al medeplichtig aan het gebeuren. Een vergelijkbare subversieve techniek zien we trouwens in enkele verhalen waar de gebeurtenissen zich anders ontwikkelen dan de verteller wil, of omgekeerd, waar door een gril van de verteller de gebeurtenissen afwijken van het oorspronkelijke plan. Men denkt aan Pirandello’s zes personages die ruzie maken met de schrijver. 
     De boekpresentatie was overigens heerlijk om mee te maken. Tom begon met een ‘kleine dienstmededeling’: de avond zou iets anders verlopen dan gepland. ‘Ai,’ zei mijn vrouw, ‘An Olaerts die hem moet interviewen is niet opgedaagd.’ Maar het was iets anders. We leerden de ironische kant van Tom kennen, een kant die hij in zijn verhalen subliminaal houdt. Hij spotte vanop het podium met zijn eigen fantasieën van literair succes, alsof zijn verhaaltjes eigenlijk niet zo veel voorstellen. Maar achter die spot schuilt iets anders. Als persoon heeft Tom niet de minste pretentie. Als auteur weet hij best hoe goed zijn verhalen zijn. Hoogstens kan hij maar niet begrijpen dat híj ze heeft kunnen schrijven.  
        De volledige tekst van de dienstmededeling – die een kwartier geduurd heeft – staat op de FB-pagina van Tom. Tom is dus ook een heel behoorlijke stand-up. De dag erna zat ik op café met vrienden en vertelde over de dienstmededeling. ‘Eergisteren,’ zei een van mijn vrienden, ‘ben ik naar een optreden van Hugo Matthysen geweest en die zette ons op dezelfde manier op het verkeerde been.’  Hugo Matthysen, mijmerde ik, die absurde humor, is die ook vergelijkbaar met die van Tom? Ik heb toen nog eens een bundel van Matthysen opengeslagen en, nee, het is iets anders. Tom brengt een uniek geluid, of op zijn minst, een unieke mix van geluiden.

* En toevallig is die oud-collega de reeds vermelde creatieve geest Daniël Op de Beeck. Voor zijn website: zie hier. Mijn stukjes over zijn werk vind je hier en hier.





3 opmerkingen:

  1. Kleine aanvulling: dat Elsschot niet in het Engels en het Frans werd vertaald, klopt niet: Cheese verscheen bij Alma Books, Fromage bij Le Castor Astral. Maar natuurlijk moeten al zijn boeken vertaald worden.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Oei, ik zou zweren dat er eerst stond dat Elsschot nooit vertaald werd. Blijkbaar verkeerd gelezen, excuus!

      Verwijderen
    2. Er is indertijd ook een vertaling gepubliceerd van 'Lijmen', 'Het been' en 'Dwaallicht', onder de titel 'Three Novels'. En er is een in België wonende Engelsman die het volledig werk vertaald heeft, niet slecht vond ik, maar dat is in een lade blijven liggen.

      Verwijderen