Kinderrijmpjes
Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: ‘Oranges and lemons, say the bells of St Clement’s.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: ‘Apples and pears, say the bells of St Clare’s.’
De centrum partijen
Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen nu doormaken (DSL 25/4). Die boeken zijn geschreven door Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.
Zwartkijken van Franquin
Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires) van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront, stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel ‘generaals’ maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven. Mijn vroegere buurman was kolonel.
Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een ‘heer van stand’ was, liet ik Theo dus door de stront zakken.
En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.
Stad en platteland in de VS
Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden:
Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn.
Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf in een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak.
Reynebeau over klimaat en migratie
In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.
Is klimaat rechts, en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.
Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen.
De vernielde woningen in Gaza
In de Gaza-oorlog zijn ongeveer 70.000 Palestijnen omgekomen door Israëlische bommen en kogels. Door in de statistieken het aantal jonge mannen af te zetten tegen vrouwen, jonge kinderen en bejaarden, kan men gaan extrapoleren. Wellicht waren 1/3 van de slachtoffers militairen van Hamas en 2/3 burgerslachtoffers. Met andere woorden 2 procent van de burgerbevolking is omgekomen in een oorlog die bijna 2 jaar heeft geduurd.
Eigenlijk heb ikzelf intuïtief een véél, véél groter aantal slachtoffers in mijn achterhoofd. Dat komt door de beelden van de vernietigde huizen die ik zo vaak op het Nieuws gezien heb. 65 procent van de woningen is totaal vernield. Mijn intuïtie past diezelfde verhouding haast automatisch toe op het aantal doden. Wie kan in godsnaam zo’n vernieling overleefd hebben?
Maar dan lees ik in de dagelijkse FB-post van Paul Cordy over het bombardement van Rotterdam op 15 mei 1940: de binnenstad werd verwoest, er waren meer dan 700 doden en 80.000 mensen waren dakloos. Ik denk dan: máár 700 doden?
De vulva en de anus
Veertien artsen, gezondheidsexperts en onderwijsprofessionals willen dat het schoolse curriculum, van de kleuterklas tot het secundair, meer aandacht besteed aan het vrouwelijk lichaam. Anneleen Boderé, leerondersteuner in het basisonderwijs en taalkundige formuleert het zo:
Meisjes kennen informele woorden voor het vrouwelijk geslachtsdeel, zoals muis, poepje of voorpoep, maar die kunnen tot verwarring leiden. Want waar voelen ze pijn als ze zeggen dat ze pijn hebben aan hun poep? De enige juiste term voor de uitwendige geslachtsorganen is vulva.
` Zo’n uitleg kregen we ook in het vijfde leerjaar. ‘Sommige mensen,’ zei meester Dutoit, ‘durven bij de dokter niet goed zeggen dat ze pijn hebben aan hun achterwerk. Ze willen geen vulgaire woorden gebruiken, en zeggen dan dat ze pijn hebben aan hun ‘rug’. Het enige juiste woord is anus.
Ik heb geloof ik in mijn hele leven nog nooit het woord anus gebruikt, behalve in het Schopenhauer-citaat: Obit anus, abit onus.
Mooie krantenkoppen
Het was een mooie oogst deze week, zeker voor iemand die snel tevreden is, zoals ik.
- Bijna 1 Vlaming op de 20 sterft na euthanasie.
- Borrelnootjes zitten in de hoek waar de klappen vallen, maar blijven overeind
- Theatermaker Jozefien Mombaerts worstelt met de vraag: hoe voed je een jongen van zeven op?
Bij die eerste koppen grinnikt de eindredacteur in mij. Bij de laatste kop wordt de hoofdredacteur wakker. Hier kunnen we een jaarlijks terugkerende interviewreeks van maken. ‘Hoe voed je een jongen van acht op?’ Hoe voed je een jongen van negen op?’ Naar mijn smaak kun je doorgaan tot: ‘Hoe voed je een jongen van achttien op?’ Daarna moeten we weer wat anders verzinnen.
Lize Spit over plot in literatuur
Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5). Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden):
Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’
Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’ Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’
Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’
Kippenvelmoment
Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.
Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea:
Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit.
Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar.
Maar één keer zien
Naar aanleiding van de film Die My Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat films waarvan hij ‘blij is dat hij ze gezien heeft.’
Citaat: "Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland?"
BeantwoordenVerwijderenDat is een stropop waar u mee komt. Shame.
Er is verschil tussen stad en platteland wat mentaliteit van de bewoners betreft, maar niet in de zin die u beschrijft.
In de stad is men eenvoudigweg meer gewend aan variatie en irritatie. Men leeft daar tot zekere mate mee, als zijnde deel van het stadsleven waar men zelf ook deel van uitmaakt. Op het platteland is dat allemaal wat minder.
Het perspectief en het tolerantieniveau voor echte of vermeende irritatiemomenten zijn verschillend. Anders gezegd, je kan niet in een grotere stad wonen zonder voortdurend mensen van allerlei aard en gezinde tegen het lijf te lopen. Zelf is men misschien in de ogen van anderen ook zo'n eigenaardige kwast.
Hoezo 'stropop'? Ik heb geen verstand van de verschillen tussen stad en platteland in de VS. Ik citeer Ester Meerman: "Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn." Ik interpreteer dat als de mensen op het platteland die, in tegenstelling tot die in de steden, 'arrogante horken' zijn. Dat de verschillen in werkelijkheid helemaal anders geloof ik graag.
VerwijderenDefinitie stropop. (wikipedia): "... Men interpreteert het standpunt van de tegenstander zodanig dat dit standpunt gemakkelijk te weerleggen is en suggereert dan dat dat het werkelijke standpunt van de tegenstander is."
VerwijderenDat is wat u deed. Het oorspronkelijke citaat liet natuurlijk ruimte voor allerlei interpretaties, u maakte een keuze, een stropop keuze.
Stel je voor (weliswaar moeilijk voorstelbaar, maar doe enige moeite): iemand staat in de laat-20ste eeuw pamfletjes uit te delen die oproepen tot de grote onvermijdelijke communistische revolutie. In een tijdperk waar het algemeen gekend is dat communisme zowat 100 miljoen doden op z'n geweten heeft.
In een grootstad krijg je dan een schouderoptrekje van de meeste mensen; op het platteland ben je klaar om in een beschermd instituut voor halve garen gestoken te worden.
Maar ik ontken toch helemaal úw interpretatie niet van de verschillen tussen stad en platteland. U hebt het over tolerantie (en onverschilligheid), Meerman heeft het over arrogantie. Ik vond dat merkwaardig omdat ik juist de indruk heb dat de inwoners van ónze grote steden, naast al hun positieve kenmerken, juist arroganter zijn. En aan mijn indruk hecht ik eerlijk gezegd niet zoveel waarde.
VerwijderenOorspronkelijke tekst: "... een arrogante hork..."
VerwijderenDaar dit uit een polemisch stukje komt kan dat allerlei betekenen en is provocerend bedoeld: zoals mensen die denken het grote gelijk te hebben van hoe men zich moet gedragen of hoe de wereld in elkaar zit (zoals communistische activisten, religieuzen hebben meestal een gelijkaardige overtuiging hedentendage veelal zonder publieke arrogantie), weinig verdraagzaam, overdreven intolerant, onvriendelijk en kortaf, etc...
Sommige van bovengenoemde karakteristieken zijn meer toepasbaar op stad, andere meer voorkomend op platteland. Niet so simpel te zeggen, vandaar 'subject to interpretation'. En de cirkel is rond.
==>> Het oorsponkelijke citaat lijkt me wel een aspect te kunnen bevatten waarom stedelingen meer Democratisch stemmen, plattelanders meer Republikeins.
Als je de frekwent gebruikte bewoordingen van de huidige opper-Republikein, Trump, beschouwd, dan is "arrogante hork" toepasselijk, in dit geval 'arrogante opperhork'.
Ik vind dergelijke veralgemeningen altijd lichtelijk bespottelijk. In de VSA leven ongeveer 304 miljoen mensen: 30% in de steden, 50% in de buitenwijken en slechts 20% op het platteland. De toffe jongens in de stad, de "horken" op de boerenbuiten en de rest die elke dag moet pendelen...Ja, die hebben waarschijnlijk een wisselend humeur of zijn onevenwichtig.
BeantwoordenVerwijderenVeralgemeningen zijn doorgaans fout maar wel nuttig in een polemiek. Er staat in het oorspronkelijk citaat "overwegend" en "... niet elke dag". Duidelijk dat dit bedoeld is als een polemische kwalitatieve aanduiding, niet als een wetenschappelijk korrekte formulering.
VerwijderenTrump kan met recht en rede beschreven worden als een arrogante opperhork (zie hierboven). Hij heeft relatief (niet absoluut) meer aanhang in landelijke staten. Relatief meer aanhangers waarvan een gedeelte zonder twijfel ook wat horkachtig zal zijn of sympathie hebben voor arrogante lompigheid.
Het oorspronkelijk citaat verwijst naar hork, d.w.z. stug, lompige houding of uitspraken. Lijkt me niet onjuist, maar polemisch. En arrogant goes without explaining.
Ik vind de meeste polemieken ook lichtelijk bespottelijk.
Verwijderen'Hineininterpretierung', Ik geef het toe ook ik ontkom er niet aan.
BeantwoordenVerwijderen