1.
Ik zal hier niet ingaan op het precieze vonnis dat de rechtbank tegen Dries Van Langenhove heeft uitgesproken. Ik geloof zonder meer dat DVL in die Leuvens aula meer gedaan heeft dan op een neutrale manier criminaliteitscijfers van migranten citeren. Als de rechter zegt dat DVL’s denigrerende uitspraken als doel hebben om haatgevoelens op te wekken, kan hij best gelijk hebben*. 2.
Het is een clubje van usual suspects dat de veroordeling van DVL toejuicht, en het is een even voorspelbaar clubje dat de veroordeling, hoe zal ik het zeggen, veroordeelt. Ik behoor tot dat tweede clubje.
Tussen die clubjes bestaat er enige animositeit. De club die censuur tegen DVL toejuicht richt twee verwijten aan de andere club. Het ene verwijt is dat men een racist verdedigt omdat men zelf een racist is. Ha, Maarten Boudry verdedigt DVL? Dan is ‘de cirkel rond.’ Het andere verwijt is dat de voorstanders van het absolute vrije woord de ‘objectieve bondgenoten van de racisten zijn.’ Frank D’hanis poetst dat oude cliché op door een slimme formulering te gebruiken. Die vrije-meninguiter trappen volgens hem ‘in het valletje van de fascist.’
4.
Dat Bart Eeckhout van De Morgen zich tegen de ‘haatwetgeving’ keert is niet onverwacht. Maar eerlijk gezegd: het doet deugd. Anders bestaat ons clubje uit halve en hele geloofsgenoten van Van Langenhove, woke-haters, onverbeterlijke libertariërs en dwangmatige heterodoxen. Het is fijn dat er zich ook een gerespecteerd man in ons gezelschap bevindt. Ik voel mij als een communist van de jaren 60 die met genoegen vaststelt dat zelfs de Belgische koningin of de deken van Canterbury het rode paradijs genegen zijn. Of als een anarchist van begin 20ste euw die vorst Kropotkin als een medestrijder mag beschouwen.
5.
Het is tegennatuurlijk om het vrije woord te verdedigen van politieke tegenstanders. Laat ik daarom als rechtse liberaal het goede voorbeeld geven. Ik ben voor de vrijheid van communistische propaganda, van fascistisch gestook, van syndicale agitatie, van antisemitische columns, van anti-Navo stemmingmakerij, van islamistische preken, en van FB-stukjes van Frank D’hanis.
6.
Het is niet alleen emotioneel, maar ook intellectueel moeilijk het vrije woord van tegenstanders te verdedigen. Een van de redenen die J.S. Mill aanhaalt in zijn vrijheidspleidooi is dat je tegenstander geheel of gedeeltelijk gelijk kán hebben. Kan ik mij voorstellen dat Van Langenhove geheel of gedeeltelijk gelijk heeft? Nou ja, radicaal-rechts** heeft indertijd ongeveer als enige en eerste gewezen op de problemen van multiculturaliteit en de noodzaak om migratie af te remmen. Sommige van die radicaal-rechtse ideeën zijn nu, terecht vind ik, mainstream geworden.
7.
De argumenten voor het vrije woord zijn al lang gekend. Censuur is contraproductief, verreist een subjectieve beoordeling***, verwart ethiek en politiek, nodigt uit tot conformisme en intellectuele luiheid, en dreigt waardevolle meningen samen met verwerpelijke te veroordelen.
8.
Bij het vrije woord kan men niet om de kwestie van ‘de grens’ heen. Vrije-meninguiters stellen een harde grens voor als het gaat om concrete oproepen tot geweld of om laster. Dat moet strafbaar blijven. Maar zelfs daar is de grens poreus. Kan men een syndicale betoger vervolgen omdat hij middels een spandoek voorstelt op Bart De Wever op te hangen? Is dat een oproep tot geweld? Mocht De Wever de syndicalist willen vervolgen, dan zal een rechter over deze kwestie moeten oordelen, en als hij enige wijsheid heeft, zal hij de klacht verwerpen. Als De Wever enige wijsheid heeft, zal hij die klacht niet indienen.
9.
Maar de grens van de vrije-meningbeperkers is véél poreuzer. Zij stellen een grens voor bij hate speech. ‘Haat is geen mening,’ zeggen ze dan. Dat is natuurlijk waar. Haat is een gevoel. Maar een mening kan voorkomen uit haatgevoelens, of het uiten van een mening kan haatgevoelens oproepen of versterken. Dat is dan heel jammer, maar het is geen reden om die mening niet als mening te behandelen: dat wil zeggen: bijtreden, weerleggen, wegwuiven of links laten liggen. Maar uit welke gevoelens een bepaalde mening voortspruit is een zaak voor zielkundigen, en tot welke resultaten een mening leidt is iets voor maatschappelijke vorsers. Ik zou de rechters er buiten laten.
10.
Woorden hebben hun gevolgen, hoor je. Dat is waar. Het is de harde, ik zou haast zeggen, ‘ontmenselijkende’ kritiek op Pim Fortuyn die tot de moord op hem hebben geleid. Maar ik vind dat geen reden om harde, desnoods ontmenselijkende kritiek op figuren als Fortuyn te verbieden. Als men morgen Bart De Wever vermoordt, ken ik een heleboel mensen die ik daarvoor moreel verantwoordelijk zal achten. En toch vind ik het een goede zaak dat die harde De Wever-kritiek in alle vrijheid kan bloeien.
11.
Stel dat de lezer en ik het eens zijn over de vraag of DVL’s meningen voortspruiten uit haat, of tot haat aanzetten. Maar dan stelt zich het probleem van het hellend vlak. Stoppen we bij DVL? Neem een ander geval. Maarten Boudry geeft commentaar bij het vrt-onderzoek naar o.a. intolerantie in Vlaanderen. Een tegenstander is het niet eens met Boudry’s conclusie dat de tolerantie bij mensen afkomstig uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten het laagst ligt. Hij bekritiseert Boudry’s verkeerde opvatting van statistische representativiteit en concludeert: ‘Dat maakt dat deze uitspraak in feite gewoon een platte “hate crime” is.’ En de Boudry-tegenstander gaat nog verder: onderzoek om wél representatieve cijfers over de kwestie te verzamelen en te publiceren is op zich ook al een hate crime. Dus eerst Dries Van Langenhove, dan Maarten Boudry, en dan onderzoekers als Ruud Koopmans? Waar houdt het op?
12.
Bovenstaande Boudry-kritiek doet terloops een andere vraag rijzen: is dat een geval van laster, een onderzoeker verwijten dat hij een hate crime begaat? Ikzelf vind dat geen laster, maar dat komt omdat ik het hele concept van hate crime belachelijk vind. Mocht men Boudry beschuldigen van seksueel kindermisbruik, dat zou voor mij wél laster zijn.
13.
Ach, haat. Ik heb er zelf niet veel last van, en ik begrijp het niet goed bij anderen. De Boudry-haat bij een deel van de linkerzijde verbijstert mij.
14.
Privé-domein heeft een selectie brieven van Flaubert uitgebracht onder de titel Haat is een deugd. Ik heb die brieven meerdere keren gelezen, in een tijd dat ik niet veel las. Maar mijn eigen vermogen tot haat is zeer beperkt, zeker als het om echte mensen gaat. Maar ook als het gaat om abstracte groepen, ligt het niet in mijn aard om veel te haten. Ik heb niets, of weinig, tegen allochtonen, autochtonen, joden, moslims, Hollanders, katholieken, atheïsten, toeristen, reclame-makers, middenstanders, ambtenaren, schoolmeesters, managers, grootverdieners, uitkeringsgerechtigden, journalisten, columnisten, bakfietsrijders, BMW-automobilisten of elektrische-stepgebruikers. Als iemand echter een van de groepen wil beledigen, hoop ik dat hij dat met een zekere mildheid doet, en als dat niet kan, met enig zelfrelativerend cynisme.
15.
Ik had een kleine discussie op FB over de grenzen van toelaatbare en ontoelaatbare vrije meningsuiting. Mijn opponent schreef:
De vrijheid van meningsuiting stopt waar ze doelbewust wordt ingezet om groepen mensen te ontmenselijken of als inherent crimineel af te schilderen … Het gaat … om systematische generalisaties die individuen reduceren tot een bedreiging op basis van afkomst. Vrijheid van meningsuiting is geen vrijgeleide om bevolkingsgroepen als oorzaak van “alle problemen” te bestempelen. Dat is geen analyse, dat is agitatie … Het gaat niet om stevige kritiek op individuen, maar om systematische framing van hele bevolkingsgroepen als inherent gevaarlijk of minderwaardig. Dat is geen debat, dat is het normaliseren van vijanddenken.
Hier worden veel kwalijke kenmerken opgesomd die men in een polemiek kan aantreffen: framing, vijanddenken, geen analyse maar agitatie, ontmenselijking, reduceren van individuen, doelbewust en systematisch generaliseren, iets of iemand als oorzaak van álle problemen voorstellen, iemand inherente kenmerken toeschrijven. Iemand die dat allemaal tegelijk doet, is geen hoogstaande polemist. Hij is een stoker. Maar is hier iets bij dat verboden moet worden?
Waarom zou iemand geen agit-prop stuk mogen schrijven waarin de hele N-VA geframed wordt als een vijand en een bedreiging, waarin alle N-VA-leden gereduceerd worden tot bijna-fascisten, en waarin die partij doelbewust en systematisch wordt voorgesteld als inherent gevaarlijk en de oorzaak van alle problemen in ons land? En voor de ontmenselijking zorgen twee illustraties, een van Theo Francken met een varkenskop, en een van Bart De Wever met een Hitlersnor.
Ik geef het toe: mijn vergelijking loopt mank. Ik vermoed dat mijn opponent die kwalijke eigenschappen alleen wettelijk strafbaar wil zien als het gaat om bevolkingsgroepen ‘op basis van afkomst’ en niet op basis van politieke overtuiging. Ook ik vind gestook tegen mensen op basis van afkomst gemener dan gestook tegen mensen vanwege hun gedrag, hun overtuiging, hun godsdienst of hun maatschappelijke positie. Maar ik vind het verschil niet groot genoeg om het ene gestook wettelijk toe te laten en het andere gestook wettelijk te verbieden.
16.
Een ander argument tegen het onbeperkte vrije woord gaat als volgt. Het recht op vrije meningsuiting moet worden afgewogen tegenover andere mensenrechten. Een nogal heftige polemist op FB verwoordde het zo, als antwoord op een post van Boudry:
Ja, in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat - schijnbaar! - een soort absolute vorm van vrijheid van meningsuiting beschreven, namelijk artikel 19 … Maar, alleen een regelrechte hansworst stopt dan met lezen én nadenken. Want dan anders kom je sowieso artikel 30 tegen:“Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.”Het is echt wel duidelijk hoe we dit moeten lezen: Ja, er is een verregaand recht op vrijheid van meningsuiting, maar NIET als het andere rechten ondergraaft. En dat omvat bijvoorbeeld het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van uw persoon (art 3), bescherming tegen een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (art 5), gelijke bescherming onder de wet (art 7), bescherming tegen willekeurige arrestatie, detentie of verbanning (art 9), recht op asiel (art 14), recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art 18) en ga zo maar door. Ondergraven van al die rechten doe je bijvoorbeeld door op te roepen tot haat en discriminatie.
Maar artikel 30 is geen specifieke beperking op artikel 19, maar op alle bepalingen die voorafgaan. Slechts in enkele gevallen, zie ik in hoe een bepaling in strijd kan zijn met andere rechten. Als bijvoorbeeld artikel 18 iedereen de vrijheid toekent om zijn godsdienst te belijden door ‘inachtneming van de geboden en voorschriften’ dan houdt dat niet in dat ook religieuze mensenoffers of clitoridectomie toegelaten zijn. Dat zou immers strijdig zijn met artikel 3: recht op leven en recht op fysieke integriteit.
Ook andere rechten kunnen met elkaar in tegenspraak komen, al is dat altijd in twee richtingen. Het is best mogelijk dat het recht op eigendom (art. 17) in strijd is met bepaalde sociale rechten (art. 23-25). Dan geldt het omgekeerde ook.
Maar met de vrije meningsuiting zie ik de tegenstrijdigheid niet. Dat een spreekbeurt van Dries Van Langenhove het leven en de vrijheid van allochtonen bedreigt, of rechtstreeks leidt tot wrede bestraffing, willekeurige opsluiting, rechtsongelijkheid en godsdienstvervolging, dat lijkt mij vergezocht. En dat het ónrechtstreeks kan leiden tot allerlei misdaden tegen de mensheid, dat kan best zijn, maar tja, onrechtstreeks …
17.
Een leuke reactie vond ik deze: ‘Ik voel geen empathie met DVL, want die heeft zelf geen empathie voor hele bevolkingsgroepen.’ Dat is een correcte toepassing van het beginsel van wederkerigheid. Maar bij vrije meningsuiting kun je dat niet toepassen zonder in een paradox te verzeilen. Het is niet omdat we vermoeden dat DVL zich niets aantrekt van de vrije meningsuiting van zijn linkse en andere tegenstanders, dat zijn linkse en andere tegenstanders zich niets moeten aantrekken van zijn recht op vrije meningsuiting. Beperkingen op het vrije woord van radicaal-rechts, kunnen later altijd gebruikt worden tegen radicaal-links. Enzoverder.

Ik hoop dat dit haatvonnis spoedig ongedaan wordt gemaakt in beroep, zoals in Amerika, waar de Trumpsancties tegen de Hamas-putana Albanese in ere werden hersteld door een appeals court.
BeantwoordenVerwijderenHet lijkt me inderdaad in princiope altijd beter (moreel, pedagogisch, en qua efficiëntie) te weerleggen dan te verbieden, te overtuigen, recht te zetten (eventueel middels letterlijke vergoeding, goed-making), dan te straffen...
BeantwoordenVerwijderen