Maarten Boudry en Ann van Raemdonck
De studentikoze lefgozer die Boudry is beweerde op FB dat het stuk van Ann Van Raemdonck in Knack eigenlijk door hemzelf was ingestuurd onder haar naam. Hij noemde het een parodie op de ‘islam-apologie van regressief-linkse academici’. Ik vond dat een goede grap, maar the joke was on me. De tekst was echt van Van Raemdonck. Boudry had zijn commentaar sluw vooraf laten gaan door het woord hoax. Maar de hoax was niet het stuk in Knack, het was het FB-bericht zelf. Ook een goede grap natuurlijk, al lachte ik wat groen omdat ik erin gelopen was. En een grap verheven tot de tweede macht is wat moeizaam.
De vijanden van Boudry waren woest. Opiniemaker Frank D’hanis schreef: ‘De intellectuele oneerlijkheid is hallucinant … Boudry zet daar zijn stinkende aars boven en draait er een drol op.’ Of anders gezegd: Boudry heeft gelogen. Boudry heeft gelasterd. Her en der lees je dat Knack en Van Raemdonck Boudry een proces moeten aandoen.
Ik vind dat allemaal niet. Een ‘leugen’ waarvan het bedoeling is dat die na een korte tijd uitkomt – zoals een aprilgrap – is geen leugen.
Ik begrijp trouwens de ‘boodschap’ van Boudry: ‘Dat stuk van Van Raemdonck is zo voorspelbaar* en recycleert zoveel clichés dat het een parodie had kunnen zijn. En tóch heeft Knack het gepubliceerd.’ Ik heb dat gevoel ook wel eens, zelfs bij columnisten die ik meestal waardeer. Het gebeurt dat ik een stukje lees van Mia Doornaert, Rik Torfs of Ive Marx, waarvan ik zeg: dat had ik ook kunnen schrijven, met wat hulp van AI. Maar uit de meeste van hun stukjes leer ik iets bij. Of ze verrassen mij. Of ze zetten mij aan tot nadenken. Of ze formuleren helder wat ik slechts in het schemerlicht had gezien.
Nu zou ik om goed te zijn dat stuk van Van Raemdonck moeten lezen: eens kijken of ik er iets uit bijleer, of ik verrast word, of ik tot nadenken word aangezet, of ik mijn schemerige gedachten helder weerkaatst vind.
* Voorspelbaarheid is overigens niet hetzelfde als over een bepaalde zaak consequent steeds hetzelfde standpunt in te nemen. Voorspelbaarheid als slechte eigenschap doet zich voor als we afdalen tot het niveau van de argumentatie en de formulering. Karel van het Reve hekelde consequent het communisme in Rusland, maar ik zou hem niet ‘voorspelbaar’ noemen.
Maarten Boudry: zijn geheime sympathisanten
Maarten Boudry wordt soms gecontacteerd door mensen van de universiteit die met hem en met zijn boodschap sympathiseren. Maar ze durven dat niet openlijk zeggen. Althans, dat is het verhaal dat Boudry zelf vertelt. Zijn vijanden zijn woest – die zijn voortdurend woest*. ‘Misschien is Boudry wel aan het liegen!’ ‘Als hij zijn beweringen niet kan staven, moet hij zwijgen!’
Zelf denk ik geen ogenblik dat Boudry liegt. Wij hadden een directeur op school die onpopulaire beslissingen verdedigde door te zeggen dat collega’s hem in vertrouwen hadden gezegd dat ze de beslissing steunden. Ik heb toen geen ogenblik gedacht dat die directeur loog. Alleen dacht ik dat die collega’s waar hij van sprak een minderheid uitmaakten. Die academici die Boudry steunen zijn ongetwijfeld ook een minderheid, en misschien zelfs een kleine minderheid. Maar dat ze bestaan, en dat sommigen daarvan Boudry contacteren, hoe kan men dat betwijfelen?
* Die woestheid stoort mij niet, maar wel het gebrek aan redelijkheid.
Henri Heimans over haatspraak (DM 9 juni)
Het stuk van eremagistraat Henri Heimans (DM 9/6) brengt naar mijn smaak geen nieuwe argumenten in het debat, maar wel veel gekleurde woorden. Zo wordt er verwezen naar professor Dirk Voorhoof die ‘glashelder beargumenteerd heeft dat aanzetten tot racistische haat ook zonder expliciet geweld ontegensprekelijk strafbaar moet blijven.’ Tja, als iets ontegensprekelijk stafbaar moet blijven, wie ben ik om dat tegen te spreken?
Zijn redenering komt hierop neer: racisme is en blijft een ‘sluipend gif’ dat niet mag worden ‘gebagatelliseerd’ en dat de ‘harde bestrijding’ ervan ‘op geen enkele manier de vrije meningsuiting aantast.’ Heimans zou toch moeten inzien dat hij met dergelijke algemeenheden geen mensen zal overtuigen die, anders dan hijzelf, vinden dat de antiracismewet wél te ruim en te streng geformuleerd is. Hij beweert zelfs dat die mensen vandaag de ‘mainstream’ uitmaken, en dat ook de minister van Justitie Verlinden ertoe behoort. Dan zal hij echt beter moeten argumenteren.
Hij haalt zoals anderen aan dat de grens tussen haat en geweld klein is ‘wanneer een kwetsbaar slachtoffer moreel en psychologisch wordt verwoest door gecoördineerd en aanhoudend online geweld.’ Het minste wat we kunnen zeggen is dat die omschrijving niet direct past bij het optreden waar Dries Van Langenhove recent voor veroordeeld werd.
Het redelijkst is Heimans als hij de beoordelingsmarge van de rechters verdedigt. Hij maakt aannemelijk dat rechters best in staat zijn om de feiten in hun context te plaatsen en daarna een uitspraak te doen die conform is aan de wet. We kunnen zelfs verder gaan: hoe vager de wet is, hoe groter de kans dat om het even welke uitspraak conform zal zijn aan de wet. En het is juist dát wat de critici tegen de wet inbrengen. Heimans schrijft:
Dergelijke gedetailleerde omschrijvingen in vonnissen verhelderen ook het maatschappelijke debat over de flinterdunne grens tussen de vrije meningsuiting en de broodnodige inperkingen daarvan om onze democratie gezond en leefbaar te houden.
Maar als die grens echt zo ‘flinterdun’ is, dan zou ik ze niet alleen verhelderen in de vonnissen, maar ook in de wet zelf. Zelfs met de veel striktere omschrijving van haatmisdrijf als een ‘rechtstreekse en realistische oproep van geweld tegen welbepaalde personen‘ zullen de procureuren en rechters nog altijd de context moeten beoordelen.
Roan Asselman (Doorbraak 8/6)
Journalist Roan Asselman wijst erop dat de Antiracismewet, de Genderwet en de Antidiscriminatiewet in essentie kopieën zijn van elkaar. Hij vult de algemene kritiek op de mentaliteit achter die wetten aan met vijf concrete bezwaren. De wetten (1) laten de rechtbank toe om te oordelen over de wetenschappelijke waarheid van uitspraken (over ras en gender) en tegelijk die wetenschappelijke waarheid als irrelevant te beschouwen; (2) omschrijven niet wat de gebruikte begrippen ‘haat’ of ‘aanzetten tot’ betekenen; (3) bepalen ‘openbaarheid’ zo breed dat ook uitspraken in de privé-sfeer strafbaar worden; (4) hanteren de categorie ‘indirecte discriminatie’, die ook betrekking kan hebben op neutrale bepalingen*; (5) laten omgekeerde discriminatie toe waar ‘achtergestelde groepen’ van kunnen profiteren.
* Op die manier kan men een neutrale pensioenwetgeving beschouwen als een discriminatie van vrouwen, of een verbod op alle religieuze tekens als een discriminatie van moslims.
Hate crimes in het VK
Een verdediger van de Antiracismewet bracht mij van mijn stuk. Hij beweerde dat de wet eigenlijk nauwelijks werd toegepast. Gevallen als die van Dries Van Langenhove waren uitzonderlijk. Ik begreep onmiddellijk dat dat waar was, en dat je zoiets niet zomaar van tafel veegt door te wijzen op het chilling effect van de wet. Als we kritiek hebben op de soep die te heet geschonken wordt, moeten we ook weten hoe heet ze gedronken wordt. En in ons land is dat dus niet al te heet.
Maar neem nu het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk. Daar bestaat de Communications Act 2003 (sectie 127) en de Malicious Communications Act 1988 (sectie 1) op basis waarvan in 2023 niet minder dan 12.183 arrestaties verricht zijn en 1.119 veroordelingen werden uitgesproken, en dat allemaal om haatmisdrijven online. Ik vroeg raad aan Grok en die leerde mij dat ongeveer 75 % van die misdrijven bestonden uit persoonlijke intimidatie van bijvoorbeeld een man tegen zijn ex-vrouw, en ongeveer 25 % uit ‘grossly offensive’ racistische boodschappen. Dan hebben we nog altijd 3000 arrestaties en 300 veroordelingen voor opiniedelicten.
Bij het argument van het chilling effect voegt zich dus het argument van de slippery slope: hoeveel kans bestaat er dat ons land met de huidige wetgeving kan afglijden naar Engelse toestanden? Ik moet dan denken aan Henri Heimans’ uitspraak over de ‘exponentiële groei van ranzige racistische haatberichten op sociale media.’ Hoeveel kans is er dat er ook een ‘exponentiële groei’ komt van veroordelingen voor haatspraak?
Modieuze woorden en uitdrukkingen
Geraard Goossens plaatste een mooie lijst van ongeveer 400 modieuze woorden en uitdrukkingen op zijn FB-pagina. Je wist dat je ‘goed bezig was’ als je dagelijks 10 woorden of uitdrukkingen uit dit lijstje gebruikte. Hij begint zijn lijst met Ambitie, Aanvliegroute, Afstemmen, Afvinken, Agency, Anekdotisch, Anyway … Ik dacht eerst: hoe lang heeft Geraard moeten zwoegen op die lijst? Maar toen luisterde ik vandaag naar de radio, en ik hoorde er tientallen per minuut, vaak drie naar elkaar zonder rustpauze ... ‘de locals betrekken bij het verhaal’ ... Ik geloof dat van die drie woorden alleen locals op Geraards lijst voorkomt.

"Het stuk van eremagistraat Henri Heimans (DM 9/6) brengt naar mijn smaak geen nieuwe argumenten in het debat, maar wel veel gekleurde woorden..."
BeantwoordenVerwijderenVolledig akkoord met uw discursieve kritiek én weerlegging van de argumentatie van eremagistraat Henri Heimans. Maar hij is desondanks ongetwijfeld toch een nuancerend én een goed mens.
Wanneer men kennis neemt van zijn publicatie (in samenwerking met Dirk Verhofstadt) "KZ-syndroom. Een litteken dat nooit verdwijnt", waarin hij de lotgevallen van zijn ouders beschrijft (en in het bijzonder van zijn moeder "een talentvolle violiste"), -zij het vooral van horen zeggen, want "...Pas na de dood van mijn moeder in 1989 begon mijn vader mij een aantal zaken te vertellen" (blz.11)- ... dan past wel enig begrip en mildheid... mildheid die eigenlijk ook hijzelf (op een enkele uitzondering na) betoont... Dat merkte ik ook toen hij destijds in een TV-programma aan het woord kwam.
Het boek verscheen in 2024 bij Houtekiet.
Ja, als studentikoze lefgozer is Boudry op zijn best.
BeantwoordenVerwijderen