De Amerikaanse gezondheidszorg
Omdat ik een ouderwetse pro-Amerikaanse en neoliberaaltje ben, wordt mij vaak de Amerikaanse gezondheidszorg voor de voeten gegooid. Die is duur, je moet een privé-verzekering afsluiten – want anders betaal je alles zelf –, en het is een geneeskunde ‘met twee versnellingen’: een hoge kwaliteit voor de rijken en een lage kwaliteit voor de armen. En als gevolg daarvan leven de Amerikanen enkele jaren minder lang dan de West-Europeanen.
Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden. Ik lees een recensie in de krant over de televisieserie Dying for Sex (DS 4/4). Het gaat over een jonge vrouw een terminale diagnose krijgt en daarop besluit zich niet meer tevreden te stellen met ‘monogamie en de missionarishouding’. De recensente looft de manier waarop de seks ‘opwindend en ongedwongen’ in beeld wordt gebracht, maar heeft kritiek dat ‘de serie grotendeels voorbijgaat aan de financiële en administratieve hel waar langdurig zieken in de VS in belanden.’
Eergisteren las ik de column van freelance journaliste Ester Meerman die in Amerika verblijft en lelijk met haar fiets ten val was gekomen. Ze had haar rechterhand was gebroken en het topje van haar linkerwijsvinger moest worden geamputeerd. Gelukkig was ze verzekerd, voor 500 euro per maand, en kon ze met gerust gemoed de facturen tegemoet zien: 4.000 dollar voor een ambulance, 800 euro voor een infuus, 3000 euro voor een dokter die aan het bed verschijnt … alles samen bijna 10.000 euro.
Een detail riep herinneringen op. Men vertrouwde in het ziekenhuis waar ze was opgenomen haar buitenlandse verzekeringspas niet.
‘Binnen een half uur nadat ik in de eerste hulp op een bed was gelegd stond er al iemand met een pinautomaat naast m’n bed. Of ik al kermend alvast even 1.600 dollar wilde afrekenen.’
Dat hebben mijn vrouw en ik ook meegemaakt, meer dan twintig jaar geleden. We waren op vakantie in Ocean City. Mijn vrouw was met mijn zoon in de golven aan het springen, en ze brak daarbij twee tenen, wat erg veel pijn deed. In het hotel raadde men af naar het algemene ziekenhuis te gaan, want daar zouden we heel lang moeten wachten. Er was in de buurt een klein privékliniekje waar alles sneller zou gaan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen wij bij het privékliniekje aankwamen, moesten we eerst betalen voor men tot diagnose en verzorging zou overgaan. Er waren nog geen pinautomaten waarmee men tussen de bedden kon rondwandelen, en we werden verwezen naar een AT&T-automaat op enkele kilometer daarvandaan waar we geld konden ophalen. Dat geld is achteraf overigens netjes teruggestort geweest door onze Belgische ziekteverzekering
. Het was, zoals men ons beloofd had, een sympathiek kliniekje. Er was een soort draagbaar röntgentoestel, zoals ik er nog nooit een gezien had. Men was er, luidens de affiches in de wachtkamer, gespecialiseerd in behandeling van zwaarlijvigheid. Dat was te verwonderlijker aangezien de arts die mijn vrouw behandelde de zwaarlijvigste jonge vrouw was die ik in mijn leven had gezien. Maar verder was ze vriendelijk, professioneel, en ze had een bijzonder knap gezicht. Ester Meerman klaagt dat haar verzekeringspremie zo hoog is: ‘500 euro per maand, een belachelijk bedrag naar Europese maatstaven.’ Daar ben ik niet zo zeker van. De jaarlijks begroting van de Belgische ziekteverzekering bedraagt 36 miljard. Dat is toch ook bijna 300 euro maandelijks per inwoner. Als je van de inwoners alleen degenen neemt die op een of andere manier bijdragen, dan moet je ook ongeveer op 500 euro per maand uitkomen.
Iets anders verontrust mij meer. De slechte en bureaucratische dienstverlening.
Zodra je in Amerika ‘planbare zorg’ nodig hebt, kom je in een catch 22 terecht. Je moet namelijk voor iedere scheet een akkoord hebben van een Amerikaanse verzekeringsmaatschappij … Die geven pas een garantie voor betaling als je een afspraak hebt voor een behandeling. Maar de meeste ziekenhuizen weigeren een afspraak voor je in te plannen zonder betalingsgarantie van je verzekering. En dus moet je een hele reeks klinieken afbellen …
Dat is het soort kafkaëske toestanden die je van een staatsadministratie verwacht. Van een privé-bedrijf verwacht je dat ze goede dienstverlening hebben om zo klanten af te snoepen van de concurrentie. Dat zou logisch zijn, het is ook vaak zo, maar blijkbaar niet altijd. Wij moeten maar denken aan onze eigen banken met hun vaak bedroevend niveau van dienstverlening. Dat schijnt te liggen aan de klanten die te weinig van bank veranderen waardoor die denken dat ze zich alles kunnen permitteren. Zou het ook zo iets zijn met die Amerikaanse ziekteverzekeringen?
Meerman besluit haar stuk als volgt:
De meeste Amerikanen weten dat hun gezondheidszorg tot op het bot ziek is … Maar zodra je over het alternatief begint, een sociaal zorgsysteem, krijgen ze rode vlekjes in hun nek en beginnen ze te sputteren over socialisme en het einde van de markt. Dat iedereen maar zijn eigen kostje moet betalen en niet op gemeenschapsgeld moet leunen. De liefde voor het kapitalisme en een rotsvast geloof in de veerkracht van het individu is sterker dan het vooruitzicht van een ziekenhuisrekening van nul euro.
Je moet over zaken als gezondheidszorg kunnen discussiëren met cijfers, argumenten, en afwegingen van pro en contra. Maar die instinctieve reactie van de Amerikanen – die aan alle rationele discussie voorafgaat – die bevalt mij wel, alsook het inzicht dat ziekenhuisrekeingen van nul euro niet bestaat. There ain’t no such thing as a free lunch.
Zeuren over Trump en Amerika
Zeuren we te veel over Trump? Het korte antwoord is natuurlijk ‘ja’. Op mijn vorige blog kreeg ik een interessante reactie van Simon Gelten:
Door mijn activiteiten op filmgebied heb ik overigens nogal wat Amerikaanse vrienden en kennissen, en die zijn, zoals men verwachten kan in een tweestromenland, keurig verdeeld over de Democratische en Republikeinse partij, maar het zijn vooral de tegenstanders van Trump die zich laten horen, zijn fans zijn redelijk stil over hem, geven soms wat af op die ellendige liberals, zoals de aanhangers van de Democraten worden getypeerd, maar Trump zelfs komt amper in hun berichten voor. Maar zijn tegenstanders kunnen niet over hem zwijgen, er lijkt naast Trump amper nog iets te bestaan in hun leefwereld.
Een van de verklaringen van dit verschil onder de Amerikanen zou deze kunnen zijn. Trump-fans denken: ‘Ach, ’t is maar politiek’, terwijl het bij Trump-tegenstanders gaat over een kwestie van Goed en Kwaad. Maar er zijn veel andere verklaringen mogelijk.
Dat de pers in Europa zich zo druk maakt over Trump, heeft nog andere verklaringen. Het is voor een krant altijd leuk om te schrijven over boosdoeners: over drugsbaronnen en verkrachters, over kasteelmoordenaars en parachutemoordenaressen, over een psychopatische narcist in het Witte Huis, een narcistische psychopaat in het Kremlin. Bovendien levert Trum spannend materiaal op. Van onze eigen partijen weet je ongeveer op voorhand wat ze zullen zeggen of doen, maar met Trump weet je het nooit.
Maar de sensatiezucht van de pers is niet de enige reden dat er veel over Trump geschreven wordt. Wat de Amerikaanse president doet hééft echt ook wel gevolgen voor ons. Als Musk 200.000 federale ambtenaren afdankt, raakt dat onze koude kleren niet, maar e veiligheidssituatie in Europa daarentegen wordt echt wel mee bepaald door de Amerikaanse houding tegenover Oekraïne, de EU en de Navo. En de importtarieven kunnen echt wel mee bepalen hoe mijn pensioen zal evolueren, en de prijzen in de supermarkt.
Zelf heb ik mijn eigen reden om over Trump te zeuren. Er wordt over Trump nu eenmaal veel geschreven, geargumenteerd en gepolemiseerd. En ik ben nu eenmaal sterk geïnteresseerd in hóe men argumenteert en polemiseert. Ik schrijf daar graag over, als leek, zelfs als een probleem mij slechts matig interesseert, zoals destijds met Covid.
Groenland en de Trump-polemiek
In een lang stuk (DS 2/4) ontrafelt professor Timothy Snyder de Groenland-politiek van Trump. Ik ken er te weinig van om de argumenten te beoordelen, maar het klinkt allemaal plausibel. Trump jaagt bondgenoten tegen zich in het harnas, speelt ook in het Arctische gebied uiteindelijk Poetin in de kaart, en straks zal hij nog oorlog moeten voeren om doelstellingen te bereiken die hij ook met diplomatie had kunnen binnenhalen. Snyder schrijft:
Met alle moeite van de wereld proberen sommigen een doctrine te zien in die puinhoop. Maar er is er geen.
Goed, dat is best mogelijk. Dat Trump een geopolitieke analfabeet kan ik geloven. Zulke mensen bestaan, ik ben er zelf ook een. Maar ik zou zo’n artikel nóg sterker vinden als er geen zaken bij betrokken werden die met de zaak weinig te maken hebben. Het begint al met de eerste zin: ‘Elon Musk en Donald Trump hebben …’ Is het echt nodig om Musk te betrekken in een stuk over Groenland? Snyder herinnert in een moeite door aan het geblunder met de top secret groepschat over de militaire aanval op de Houthi-rebellen. Ook dat heeft niets met Groenland te maken. Snyder zou die zaken beter achterwege laten. Dan zou ik als lezer kunnen denken: die man is niet voor of tegen Trump, maar aangaande Groenland wéét hij toevallig dat de Amerikaanse aanpak verkeerd is.
Snyder eindigt zijn stuk met een onderbouwde uitleg dat Denemarken een veel beter land is dan de VS. Ook dat vind ik vervelend. Er zullen heel wat Amerikanen zijn die daar niet mee akkoord gaan. Die gaan nu denken: wat die professor over Groenland vertelt, zal ik ook maar met een korrel zout nemen.